'Een Griek ga je niet in een doosje doen'

'Oidipous I en II' vanavond (19.30 uur): Schevenings Appeltheater, première.

AREND EVENHUIS

Na 18 jaar samenwerking nemen Vos en Schenk met 'Oidipous' ook afscheid van elkaar, al hopen ze ooit nog eens, buiten Appelverband, een gezamenlijke opera te ensceneren. 'De Feeks' vormde Tom Schenks kennismaking met Erik Vos, en zette meteen ook de toon voor hun samenwerking, waarin een niet meer te tellen hoeveelheid pieken en dalen elkaar zou afwisselen. Beeldregisseur Tom Schenk wijst op het opgedroogde theezakje, dat op een tafel in het Appelcafé zwerft. “Als Erik nu zou binnenkomen, had hij meteen gevraagd wat dat theezakje daar moet. Hij bemoeit zich met alles! Hoe de ijskast staat tot en met de kleur van de palen toe.”

De Appelpalen, voor 'Faust' ooit blauw geverfd, zijn nu rood en zwart. Al meteen nadat De Appel in de voormalige paardenremise aan de Scheveningse Duinstraat trok, verordende Vos dat van de tientallen palen er twee niet beschilderd mochten worden. Aldus geschiedde, vanzelfsprekend; pal voor de ingang van de grote theaterzaal markeren twee zwart/gelige palen het tijdperk van de paardenremise.

Theezakje of verfkleur - vrijwel niets ontsnapt aan Vos' blik en bemoeizucht. Schenk kan zich niemand voorstellen die zo'n sterk stempel op welk bedrijf ook zette. Vos' 'vanzelfsprekende patriarchaat', waarmee hij zich 'te pas en te onpas overal mee bemoeit', wekt binnen en buiten het Appelhuis wrevel en weerstand, maar het is volgens Schenk 'ook uitermate praktisch'. “Binnenshuis kreeg kritiek op Erik vaak pas kans wanneer de kat van huis was: nu zullen we het even heel anders gaan doen. Maar elke keer bleek dan dat er niemand was om knopen door te hakken. Kennelijk bestaat er in het Appelgezelschap grote behoefte aan sterke leiding. Het is een prettige manier van werken wanneer iemand het laatste woord heeft. Vos dicteert niet, maar kiest na ruggespraak met de meerderheid, hij is diep doordrongen van een soort democratisch principe.”

Eigen schaduw

Dat dat principe ijzeren wetten kent, ondervond Schenk al met z'n eerste productie. “Zonder strubbelingen komt er helemaal niks, dan wordt het uitermate saai. Erik is iemand die het onderste uit de kan wil, die voortdurend van je vraagt wat je nog niet kunt. Daar maakt hij het anderen en zichzelf heel moeilijk mee; iedereen moet altijd over z'n eigen schaduw heenspringen. Maar ja, als je na weerstand, woede en tranen uiteindelijk in dat nieuwe gebied bent aangekomen, is ook de bevrediging navenant. Genoegen verkrijg je niet door routine of door het te laten afweten. Vos blijft je ziel omwoelen, die drang om te willen blijven zoeken, dat is het proces van vinden.”

Schenk noemt ondoorgrondelijkheid als grootste kracht én zwakte van Vos. Door het mysterieuze, zweverige en onbegrijpelijke jaagt Vos mensen tegen zich in het harnas. Schenk kan zelf wel een negatief verhaal over Vos gaan ophangen, maar leent daarvoor even een ervaring van Eric Schneider. “Ik weet niet wat ik met die rol moet, ik krijg geen aanwijzingen van je, klootzak, alleen maar tegenwerking!” De woede tegen Vos ontwikkelt zich vervolgens tot de uitval: “Jij moet dat stuk eens lezen man!” Hoe Vos dan reageert? Voorspelbaar: hij ziet glunderend aan dat het wonderbaarlijke uiteindelijk weer geschiedt.

Al in het begin van de voorbereidingen voor 'De Vrek' was de boot tussen Vos en Schenk aan. Schenk kreeg een brief met dertien punten waaraan het toneelbeeld moest voldoen. Die dertien voorwaarden waren onderling ook nog eens apert tegenstrijdig. Het decor moest zowel klein, intiem als helder zijn, maar en passant ook zwart, wit, groot, ruim, bont, uiterst klassiek, symmetrisch en chaotisch. Schenk kreeg met die lijst voorwaarden een koan cadeau, waar Erik Vos er nog wel meer van zou uitdelen. Een koan is een Zen-vraag waarop geen rationeel antwoord mogelijk is, zoals: hoe klinkt het klappen van één hand?

Schenk antwoordde Vos met dertien maquettes, die aan alle afzonderlijke eisen voldeden, waarna Vos weer aan zet was. “Hij kon ze alle dertien net zo goed afkeuren als alleen de eerste.” Van de dertien maquettes hielden er twee stand en die werden min of meer allebei gekozen: de barokke, gecompliceerde voor de voorstellingen in Düsseldorf, de sobere voor het Appeltheater. En nog was het einde niet in zicht, want Düsseldorf bleek het Scheveningse decor te willen, het Appelgezelschap eiste het toneel van Düsseldorf.

Als antwoord op het eerste decorontwerp voor 'De Feeks' kreeg Schenk van Vos te horen dat hij 'een ballonnige, hoogpalige, bruisende, confetti sneeuwschuimwereld' moest zien te verwezenlijken. Schenk: “Hij wijst het eerst af, niet omwille van de afkeuring, maar om verder te komen. Een afwijzing neemt niet weg dat het gedeeltelijk al goed kan zijn maar nog niet af is.”

Wurgneigingen

Kreeg Schenk nooit wurgneigingen, werd hij nooit horendol van die immer dwingende Vos? Meteen heeft hij drie antwoorden op een rij paraat: “1) Ja. 2) Ik zie mezelf horendol worden, en besef ter plekke: dat kán toch niet! 3) Ik ga aan de slag. Het enige dat ie van me verlangt is immers dat het loopt en bruist en klinkt. Het is mijn stiel om iedereen meteen gelijk te geven. Als iemand iets doms doet of voorstelt, zeg ik: moet je vooral doen. Als ik ergens tegenin ga kost me dat energie. Meestal is het een goede manier om onzin vanzelf te laten uitbloeden. Als iets nergens heen gaat, blijkt dat vanzelf wel, dan kun je beter je mond houden. Ik permitteer mijzelf geen eigen mening.”

Geheel tegen de Vos/Schenk-traditie van eindeloos sleutelen in, ontstond hun laatste Appeltoneel - 'Oidipous' - als bij blikseminslag. De eerste noot die Schenk moest kraken was de publieksopstelling. Vrijwel ogenblikkelijk besliste hij voor het klassieke odeion, de halve arena-opstelling ('Een Griek ga je niet in een doosje doen.') Hij had nog ergens een hoekig-ovalen aluminium plaatje ('Een cirkel zou veel te streng zijn!'), legde dat in z'n eerste maquette: nu de speelvloer van deel I, met de zwart opglimmende kwaststreep van teerverf. Voor de zoveelste keer brak hij het Appeltheater uit - Oidipous' burcht staat met oranje bouwvakkersplastic omhuld letterlijk buiten in de Duinstraat, maar dat zie je binnen niet. Vos had Schenk om 'een archaïsche wand' gevraagd, en kreeg die in de vorm van zes wanden met opengescheurde luikjes of 'zes huizen op een rij', bestaande uit repen triplex, lagen jute, onbedrukt krantenpapier, verdunde klei, gips en verf tegen de werkelijke Appelmuur als letterlijk en figuurlijk houvast.

Vos en Schenk hebben het amper nog over 'de archaïsche wand' gehad, “we oordeelden met optische middelen, we spraken in beelden, de woorden zijn al door Sophokles gegeven. Niet: net-echt Noord-Afrika, geen compromis of potpourri, maar een combinatie van materiaalechtheid en suggestie, eenvoudig ogend en toch complex. De muur ontstond als vanzelf en hoefde alleen nog maar te worden goedgekeurd.”

Ziedaar het mirakel dat zich in Schenks ribkartonnen maquette voltrok: “In één uur stond 'Oidipous'!” Maar Erik Vos was niet overtuigd: “Kan het niet nóg beter? Ga vooral je gang, áls het dan ook maar beter wordt.” Schenk ontwierp onverdroten voort om er weken later achter te komen dat het eerste ontwerp keer op keer het trefzekerste bleek. “Spontaniteit kun je niet herhalen”, weet hij achteraf, “de eerste gooi kan alleen maar de eerste gooi zijn. Alleen: een goedgekeurde maquette beschouw ik niet als eindpunt, hooguit is de kop er dan af.”

Vos en Schenk moeten zwijgend in hun beeldtaal de lokatie van 'Oidipous' hebben besproken, 'niets ontgaat onze inspectie', weet Schenk, 'al zijn we allebei voortdurend geneigd om het toeval een grote kans te geven.' Tom Schenk kan zich misschien geen eigen mening veroorloven, maar ondertussen weet hij net zo goed als Vos z'n zinnen op vorm en inhoud te zetten en die nog door te drijven ook.

Oidipous' stoep

Vos wilde de muzikanten (met ruimtevergende slagwerkers) aan weerszijden op de stoep voor Oidipous' paleis wegwerken. “Erik”, weersprak Schenk, “kan dat nou wel!” Daar stonden ze dan, de regisseur en de beeldregisseur, vlak voor de première steevast als 'twee grote twijfelaars'. Er volgde nog enig getouwtrek: goed, als de muzikanten niet op Oidipous' stoep konden, dan maar verzonken midden in het publiek, maar nee, toch ook weer niet: daar zou de halve tribunecirkel mee worden onteerd. Schenk wist subiet raad door de muzikanten als oren boven de toeschouwers op een plateau tegen de zijwanden 'te plakken', waarop Vos zag dat het goed was.

Schenk: “Als ik in één zin moet samenvatten wat ik van Erik Vos geleerd heb? Kijken en luisteren. Dat is niet gering.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden