Een grens van water en een matze van 18 olijven groot

GELOOFSGROND Hoe beïnvloeden een plek en het geloof op die locatie elkaar? Trouw onderzoekt die vraag deze zomer en reist het land door. Vandaag: het sabbatsgebod en de orthodoxe joden in Amsterdam.

Het moet voor voorbijgangers een wonderlijk tafereel zijn, dat beseffen de rabbijnen Raphael Evers en Shmuel Katz zelf ook wel. Een miezerige vrijdagochtend in Amsterdam en twee orthodox-joodse heren - grijze baarden, zwarte jassen, zwarte hoeden - wurmen zich bij een viaduct uit hun auto. Het decor is stedelijk in de minst-spirituele zin van het woord: beton, graffiti, een verlaten toilethokje van een bouwbedrijf. De rabbijnen beklimmen het talud, een van hen met een plastic trapje onder de arm. Hij plaatst die tegen een puntig hek, gaat er op staan, en speurt de randen van de autoweg af.

"Ja", zegt hij. "In orde."

Dan dalen de rabbijnen het talud weer af.

En dat allemaal omdat de Almachtige in de Tien Geboden heeft verordonneerd dat de zevende dag van de week de sabbat is, en dat de mens op die dag niet zal werken, wat in de halacha - de joodse wetgeving, zoals vastgelegd door de rabbijnen - is uitgewerkt tot een fijnmazig geheel van praktische voorschriften. Volg die, en je komt uiteindelijk op vrijdag bij de A10 uit. Waarom? Omdat vóór de sabbat vastgesteld moet worden of de omheining van de 'eroev' nog wel intact is. De eroev is de symbolische muur van het gebied waarbinnen de joden op sabbat mogen 'dragen'. En dat dragen slaat op alles wat je mee kunt nemen, van huissleutels en gebedenboeken tot kinderwagens aan toe. Is de grens niet intact, dan geldt de eroev niet, en dat is, in de woorden van rabbijn Evers, 'een hele beproeving'.

Kwetsbare plekken

"Exodus, hoofdstukken 16 en 36", roept rabbijn Katz ter verklaring, terwijl hij zijn Seat naar het volgende controlepunt stuurt. In die Thora-passages ligt de oorsprong van het rabbinale draagverbod, dat onderscheid maakt tussen wat binnen- en buitenshuis is toegestaan: binnen mag men dragen, buiten niet. Voeg echter verschillende huizen samen tot één geheel en je krijgt een eroev, een gebied dat geldt als een huis, met navenante regels. Maar zonder grens is een gebied niets, er móet een grens zijn, en daarom inspecteert Katz - ditmaal vergezeld door collega Evers - de kwetsbare plekken in de omheining van de Amsterdamse eroev, de enige die Nederland nog telt. Het komt voor, zo'n tweemaal per jaar, dat de grens geschonden blijkt te zijn: dan is dragen op de sabbat uit den boze tot de schade is hersteld.

Katz wijst op de sabbatspalen aan de rand van wegen en fietspaden - kastjes eigenlijk, met daarin hekken die uitgerold kunnen worden. Die staan op plaatsen waar de grens doorbroken zou worden; de kettingen dichten de gaten in de muur. Niet letterlijk, want ze zitten dus in kastjes, maar ze kunnen wel degelijk van punt A naar punt B worden gespannen. Katz: "Eens in de zoveel tijd doen we dat ook werkelijk, om te testen of de omheining nog wel sluit."

Dat is het opmerkelijke van de eroev-grens: die is niet magisch, het gaat niet om energiebanen of iets dergelijks, maar tegelijkertijd is hij ook niet louter fysiek; symboliek speelt ook een rol. De grens bestaat uit concrete afscheidingen - voorheen vaak stadsmuren - maar ook uit voorwerpen die zich totaal niet bewust zijn van de religieuze rol die ze spelen: de palen met matrix-borden boven snelwegen bijvoorbeeld, die de denkbeeldige vorm van deuren hebben. Dankzij die vorm overbruggen ze de weg en houden zo de eroev in stand. "Alles wat de grens doorbreekt, is in feite een bres in de muur", had rabbijn Evers gezegd voordat we op inspectie gingen. "Daar moeten we dan een oplossing voor zien te vinden. Soms spannen we een draad van vislijn tussen lantarenpalen om op die manier een deur te creëren."

In het Joods Cultureel Centrum in Buitenveldert legde Evers de plattegrond van de 'Eroev van Amsterdam en omstreken' op tafel - een gebied dat zich uitstrekt van het IJ in het noorden tot Leimuiden in het zuiden, geheel omgeven door water: Nieuwe Herengracht, Amstel, Drecht, Ringvaart, Nieuwe Meer en dan via de Schinkel weer terug naar het IJ. "Dit moet een van de grootste eroevs ter wereld zijn, met dank aan al dat water", zei Evers. "Denk aan de Schelfzee, waar Israël doorheen trok bij de uittocht uit Egypte: het water was hen als een muur ter linkerzijde en een muur ter rechterzijde, zegt de Thora."

Jarenlang onderzoek

De plattegrond, uitgegeven door het Rabbinaat van de Joodse Gemeente Amsterdam, vermeldt dat de eroev in maart 2008 tot stand kwam, na jarenlang onderzoek onder leiding van opperrabbijn Aryeh Ralbag. Daar kwamen niet alleen de gemeenten Amsterdam, Amstelveen, Aalsmeer, Kaag en Braasem en Uithoorn aan te pas, maar ook de provincies Noord- en Zuid-Holland, Rijkswaterstaat, Prorail, ingenieursbureau DHV en Machine- en constructiebedrijf Teer BV.

"Met de realisatie van deze sjabbatgrens is de eeuwenoude Amsterdamse eroev in ere hersteld", aldus het rabbinaat. Een zinsnede die niet alleen betrekking heeft op de Tweede Wereldoorlog, maar ook op de controverse die de eroev daarna veroorzaakte tussen de Amsterdamse rabbijnen onderling. 'Zij verschilden van mening of de kettingen in de kastpalen los in de kasten dienden te liggen dan wel vastgemaakt. Ook over de mate waarin de eroev was aangetast door de gestage uitbreiding van de stad was onenigheid,' schrijft Bart Wallet in 'Die ons heeft laten leven', over de geschiedenis van de Joodse Gemeente Amsterdam.

Opperrabbijn Schuster wilde de eroev nog goedkeuren, maar zijn opvolger Just - over wie het verhaal gaat dat hij zijn gebedskleed en gebedenboek pardoes op de stoep achterliet toen hij een beschadigde sabbatspaal passeerde - ging daarmee niet akkoord. In 1972 kwam het voltallige rabbinaat tot de conclusie dat de eroev niet meer voldeed, daarom gold vanaf dat moment een draagverbod. Dat werd pas in 2008 opgeheven, nadat de waterwegen ten zuiden van de stad als muren waren aangemerkt, zodat de joden in Buitenveldert, Amstelveen en verder gelegen dreven binnen het 'Amsterdamse huis' konden worden opgenomen.

"Niets leidt tot zoveel conflicten als de eroev, terwijl het juist een uitdrukking van eenheid behoort te zijn", zucht rabbijn Evers. "Het woord betekent 'vermenging'; de eroev maakt van alle joden binnen zijn grenzen één familie op de sabbat, de dag van de eenheid. Daarin weerspiegelt de gemeenschap het Opperwezen, dat gekenmerkt wordt door eenheid en perfectie." De eenheid van de gemeenschap wordt ook vertegenwoordigd in het voedsel dat de bewoners van de eroev van oudsher gezamenlijk opzij zetten voor de sabbat, tegenwoordig gesymboliseerd in de matze die jaarlijks voor dit doel in de synagoge wordt geplaatst, een speciale matze van achttien olijven groot.

Achttien olijven?

"Ja", zei rabbijn Evers. "Eén olijfgrootte is een half ei."

Dat het sabbatsgebod uitmondt in dergelijke lengte-voorschriften - en in inspectietochten langs grauwe viaducten - tekent het praktische karakter van de joodse religie. "Geloof is iets wat je doet", aldus Evers. "Wij hebben een godsdienst van wetten." Maar is het hele concept van de eroev geen poging onder de wet uit te komen? Buitenshuis mag op grond van het goddelijke voorschrift niet gedragen worden, dus definiëren we het begrip huis zodanig dat het de halve stad omvat. "Zo ligt het niet", zei Evers. "De joodse omgang met de voorschriften is strikt en nauwgezet, maar wel zodanig dat de wet uitvoerbaar is. Rabbijn Ralbag is zeventien jaar bezig geweest om dit voor elkaar te krijgen, alleen al om alle fictieve deuren te beschrijven moest hij zich een hele zomer opsluiten, en hij is bij alle toonaangevende rabbijnen langs gegaan om raad te vragen - dit is geen uitvlucht, maar toewijding."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden