Een goede staatsman, zegt Plato, paart verstand van zaken aan daadkracht

De nieuwe vertaling van de Verzamelde Werken van Plato vordert gestaag. Aan de zes delen die er sinds 1994 waren verschenen zijn nu 'De Staatsman' en 'Faidros' toegevoegd. Aangezien de volledige uitgave 17 delen zal beslaan lijkt de klus al haast voor de helft geklaard te zijn. Maar dat is slechts schijn, want de omvangrijkste geschriften komen nog aan de beurt.

HANS DIJKHUIS

'De Staatsman' is een van de latere dialogen van Plato. Het is een vervolg op 'De sofist' (deel 5). In beide werken komt Socrates alleen aan het begin nog even aan het woord. Zijn vroegere rol als vertolker van Plato's denkbeelden is nu toebedeeld aan 'een vreemdeling uit Elea'. Leidraad in 'De Staatsman' is de vraag wat we eigenlijk onder een 'staatsman' moeten verstaan. In die zin is het een politiek geschrift, evenals de veel bekendere en omvangrijkere werken 'Politeia' ('De staatsinrichting') en 'Nomoi' ('De wetten'). Het kan ook worden beschouwd als een schakel tussen deze twee werken.

Plato betoogt dat de goede staatsman bovenal een vakman moet zijn, die verstand van zaken paart aan daadkracht. In zijn beschrijving herkennen we nog ten dele de staatsmanfilosoof uit 'Politeia', die een onmiddellijk inzicht heeft in wat 'goed' is voor de staat: Nee, het maakt niet uit of je al dan niet overlegt, of je al dan niet rijk bent, of je je aan de wetten houdt dan wel ertegenin gaat.

Is het goed wat je doet, dat moet de betrouwbaarste maatstaf zijn om de waarde van een staatsbestel te bepalen en de verstandige en bekwame leider zal daarop zijn bewind afstemmen. Later merkt Plato op dat zulke leiders in zijn tijd niet te vinden zijn, en daarom moeten we vergaderingen houden en wetten maken om de volkomen waarachtige staatsvorm op het spoor te komen.

Maar in 'De wetten' lijkt Plato helemaal niet meer te geloven in de mogelijkheid van een staatsman die boven de wet staat: door de aard van de menselijke natuur zullen leiders altijd in de verleiding komen hun eigenbelang voorrang te geven boven het algemeen belang, en daarom moeten de staatswetten altijd de prioriteit hebben.

'De Staatsman' is bovendien van belang vanwege de methode die Plato hanteert om te komen tot zijn definitie van wat een staatsman is. Dat is de methode van de tweedeling (dihairese), die neerkomt op een systematische categorisering van de werkelijkheid. Uit deze dialoog stamt bijvoorbeeld de beroemde definitie van de mens als een 'ongevederde tweevoeter': de lopende dieren zijn te verdelen in tweevoeters en viervoeters, de tweevoeters in gevederde (vogels) en ongevederde (mens).

Plato vergelijkt deze methode met het wassen van goud: eerst worden de onbruikbare zaken uitgezeefd net zolang totdat uiteindelijk het zuivere goud - de staatsman pur sang - overblijft. Aan deze vergelijking is kennelijk het theezeefje ontleend dat als symbool het omslag van deze uitgave siert. Plato's methode levert soms verrassende overeenkomsten en vergelijkingen op, maar vergt soms ook veel van het geduld en het voorstellingsvermogen van de lezer.

'Faidros' (of 'Phaedrus') is een van de bekendste werken van Plato, en dan vooral een deel ervan, de redevoering van Socrates over de goddelijke waanzin of geestdrift (mania), als een vorm van verliefdheid. Het is niet verwonderlijk dat menig kunstenaar door deze rede werd aangesproken, want tot de vormen van goddelijke geestdrift rekent Socrates ook de 'dwaasheid van de Muzen'. Maar hemzelf gaat het vooral om de geestesvervoering of het 'enthousiasme' van de wijsgeer, die door de grote massa voor warhoofd wordt uitgemaakt omdat ze niet begrijpt dat hij door een god bezeten is.

'Faidros' is eigenlijk een gesprek over de kunst van het redevoeren. Vanuit dat bredere kader bezien kan het belang van Socrates' rede, die meestal wordt beschouwd als een wijsgerig hoogtepunt in Plato's oeuvre, danig worden gerelativeerd.

De vertalers wijzen erop dat Plato de rede zelf een 'spelletje' noemt, een proeve van een bepaalde redeneermethode. Ze onderschrijven de mening dat 'Faidros' juist moet worden beschouwd als Plato's afrekening met zijn vroegere filosofie. Daarom kiezen ze ook voor een luchtige in plaats van een plechtige toon. Ze gaan daarin soms wel erg ver, zoals in de zinsnede “dat de twee knollen op hun hol komen te zitten”. Plato speelt zelf graag met woorden, maar vulgair taalgebruik is hem vreemd. Afgezien van spaarzame uitglijders als deze, en van sommige lelijke constructies als “wanneer hij wat bij ons schoonheid heet ziet”, doet de vertaling van Warren en Molegraaf recht aan Plato's grote literaire vaardigheden.

Die literaire kwaliteiten staan centraal in 'Plato, schrijver', de bloemlezing uit Plato's werk door Gerard Koolschijn. Dit boek is onderhand zelf klassiek geworden: onlangs is de negende druk verschenen, met harde kaft ditmaal. Ook na voltooiing van de volledige vertaling van Plato's oeuvre zal 'Plato, schrijver' zijn waarde behouden. Door de thematische ordening van aansprekende passages biedt het een uitstekende gelegenheid tot een eerste kennismaking met deze filosoof. Wie zich vervolgens wil verdiepen in de (vaak wat langdradiger) wijsgerige context van deze hoogtepunten kan terecht bij het Verzameld Werk. Zelfs Plato kan filosofie nu eenmaal niet altijd even boeiend presenteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden