Een goede beek moet af en toe overstromen

beekherstel | Met een beek die weer stroomt en slingert en die brede oevers onder water kan zetten, krijgt het beekdal zijn karakteristieke plantenrijkdom terug. Ecoloog Rob Fraaije promoveerde op deze nieuwe aanpak van beekherstel.

Even buiten Boxtel meandert de Kleine Aa door het Brabantse landschap. De brede oeverzones zijn weelderig begroeid. Vlinders en bijen doen zich tegoed aan nectar uit bloeiende watermunt, grote kattenstaart en andere typische oeverplantsoorten. Nog maar vijf jaar geleden was dit een kaarsrechte, brede en vrij diepe beek, met weinig stroming, smalle oevers en een povere vegetatie.

Rob Fraaije (32) struint door de oeverbegroeiing naar de waterkant en stapt de beek in. Hurkend in het water, zijn laarzen net niet volgelopen, kijkt hij vorsend naar het rustig stromende water. Hij haalt zijn hand door een grote pol sterrenkroos, die langzaam op en neer deint in de beek. De horizontale bruine 'linten' daarachter die met de stroom meebewegen, zijn bladeren van de kleine egelskop. "Typische groeivormen voor stromend water", zegt hij tevreden.

Libellen en beekjuffers scheren over het wateroppervlak. "Kijk, zag je dat visje daar happen? Een riviergrondel. Die houdt ook van stroming, net als deze planten." Fraaije heeft een scherp oog voor de kleinste bewegingen in de beek, die zijn gezelschap geheel ontgaan. Weer spot hij een vis, eentje waar hij enthousiast van wordt. "Dat was een kopvoorn, ook een echte stromingsminnende soort."

Fraaije is als ecoloog de afgelopen jaren betrokken geweest bij de moderne aanpak van beekherstel in Nederland. Hij promoveerde gisteren aan de Universiteit Utrecht op onderzoek naar de natuurlijke ontwikkeling van beek- en oeverplanten langs vijf onlangs gerestaureerde beekdalen. De Kleine Aa is een van de beken uit zijn proefschrift, en een geslaagd voorbeeld van vernieuwend beekherstel, vindt hij.

De Brabantse beek is versmald - van 9,3 naar 7,7 meter - de oeverzones zijn in glooiende lijn afgegraven en verbreed van 2,5 meter naar 11,9 meter aan weerskanten, de beek is ondieper gemaakt - van gemiddeld 1 meter diep naar 60 centimeter - en heeft zijn oorspronkelijke meanderende loop weer teruggekregen.

De voordelen van zo'n combinatie van ingrepen voor de diversiteit van beek- en oeverplanten is groot. "Door het versmallen en ondieper maken van de beek is het water sneller gaan stromen", legt Fraaije uit, "van 0,05 meter naar 0,15 meter per seconde. Stromingsminnende soorten profiteren daarvan, bovendien heb je minder last van algenbloei." De nieuwe, sterk verbrede aanleg van het beekdal met een flauw oplopende oeverzone zorgt voor geleidelijke overgangen van nat naar steeds iets droger. "Die variatie in vochtbeschikbaarheid is belangrijk voor het voorkomen van veel verschillende plantensoorten. Iedere soort kan zijn eigen plaats innemen, ze sluiten elkaar niet uit. Ook het regelmatig overstromen van de oeverzone draagt aan de variatie bij", zegt Fraaije, "want daardoor ontstaat verjonging van vegetatie. Lang- en kortlevende soorten kunnen in de overstromingszone door elkaar groeien."

Het hermeanderen, waardoor beek en beekdal worden verlengd, zorgt - in combinatie met de hogere stroomsnelheid - eveneens voor meer variatie. "In de binnenbochten vertraagt de stroomsnelheid en wordt sediment afgezet. In de buitenbochten versnelt de stroming juist, waardoor de beek daar erodeert en dieper wordt. Die dynamiek leidt tot een nog grotere diversiteit in milieus en vegetatie." Om zich heen kijkend kan hij vaststellen dat de hersteloperatie goed is gelukt. "We hebben hier meer verschillende soorten gekregen en ook meer typische beek- en oeverplanten."

Maar hoe zijn al die plantjes aangeland op die nieuwe, tot op het kale zand afgegraven oevers? "Wij vroegen ons af of de soorten spontaan zouden komen of een handje geholpen moesten worden. Om daar achter te komen, hebben we in 2011, toen de beekdalrestauratie klaar was, zaadvallen neergelegd - matjes van kunstgras, als vervangers van korte vegetatie. Zaadjes die op zo'n matje terechtkomen, blijven daarin hangen. We legden matjes op verschillende posities, in het water, op de rand en steeds een stukje hoger en droger en noteerden per matje of het altijd, af en toe of nooit onder water kwam."

Na een half jaar haalden Fraaije en zijn collega's de matjes op en namen ze mee naar het laboratorium. "De aantallen zaden waren enorm, van 10.000 tot wel 100.000 per matje. We hebben de matjes gespoeld, gezeefd, de zaden gedroogd en onder de microscoop gelegd om ze te determineren. Bij dit onderzoek ontdekten we dat de matjes die weleens waren overstroomd veel meer zaadsoorten hadden gevangen dan de matjes hogerop die nooit onder water waren geweest. Bovendien bevatten de overstroomde matjes ook zaden van de gewenste soorten moeras- en oeverplanten." Daarmee hadden de onderzoekers aangetoond hoe belangrijk natuurlijke overstroming van beekdalen wel is voor de terugkeer van typische oeverplantsoorten.

Dankzij de zaadvallen hadden ze ook een beeld gekregen van welke zaadjes op welke plaats - aan de rand van de beek of hoger op de oevers - waren aangekomen. "Na één en na twee jaar ben ik gaan kijken wat er nu uiteindelijk groeide en waar." Dat leverde de ecoloog een tweede ontdekking op. "In de ecologie wordt algemeen aangenomen dat de standplaats en het succes van een plant sterk afhangen van de milieucondities ter plekke. In mijn experiment heb ik ontdekt dat ook de plaats waar een zaadje aankomt mede bepalend kan zijn en een belangrijkere rol speelt dan tot nu toe is gedacht. Een plantensoort als het moerasvergeet-mij-nietje kiemt het beste op een net wat drogere plek, hoger op de oever. Maar ik trof de soort uiteindelijk alleen aan op de rand van de waterlijn, de overgang van beek en oever, precies op de plaats waar het zaad was aangekomen."

Na ruimte voor de rivier ook ruimte voor de beek

Niet alleen de grote rivieren zijn in de vorige eeuw 'gekanaliseerd' maar ook vrijwel alle Nederlandse beken. De rivieren kregen steeds hogere dijken en werden van veel bochten ontdaan. De beken werden afgedamd en rechtgetrokken.

Grote overstromingen eind jaren negentig brachten pijnlijk aan het licht dat alleen hoge dijken geen veiligheid konden bieden voor de bewoners en landbouwgronden langs de rivier. Rijkswaterstaat zag in dat de rivieren weer de ruimte moesten krijgen, in een breder rivierbed dat meer en langer water kan bergen. Vanaf het begin van deze eeuw moesten boeren in de uiterwaarden het veld ruimen en werden her en der langs de rivieren nevengeulen gegraven. Bijkomend voordeel van deze ingrepen, bekend als het project 'Ruimte voor de rivier', is dat in de overstromingsgebieden langs de rivieren tegelijkertijd ruimte ontstond voor de ontwikkeling van nieuwe natuur.

Van nature zoeken beken zich, net als rivieren, meanderend een weg door het landschap. Om een snelle afvoer van het beekwater te bevorderen, werden talloze beken rechtgetrokken, waardoor de omliggende gronden droger werden en voor de boeren beter te bewerken. Maar die stroomlijning had ook een keerzijde. Door de snelle waterafvoer ontstonden er grote verschillen in de hoeveelheid water die door een beek stroomt. Bij hevige regenval soms heel veel, bij droogte weinig of zelfs niets. Bovendien leidde de snelle afvoer vaker tot wateroverlast in stroomafwaarts gelegen gebieden en tot verdroging hogerop. In juni van dit jaar nog leidde hevige regenval en een daarmee gepaard gaande overmatige afvoer van beekwater tot schade in overstroomde landbouwgebieden, in onder meer Brabant.

Om dat in de toekomst te voorkomen, zijn herstelmaatregelen nodig, waarbij de beken het water langer in een gebied kunnen vasthouden. Maar niet alleen gevaar voor overstromingen, ook de karakteristieke flora en fauna die van origine in en langs de beken thuishoort, maakt beekherstel noodzakelijk. Want door de kanalisering zijn de beken onnatuurlijk diep geworden en zijn hun moerassige oeverzones met waardevolle begroeiing verdwenen. Om beek en beekdal in oude glorie te herstellen moeten de beken net als de rivieren weer de ruimte krijgen. Daarvoor is een combinatie van ingrepen nodig: versmallen, verondiepen, de meanderende loop terugbrengen evenals de oorspronkelijke brede, flauwe oevers die bij veel watertoevoer kunnen overstromen. Met zo'n vernieuwende combi-aanpak wordt de afgelopen jaren door de waterschappen volop ervaring opgedaan. Dat daarbij ook nadrukkelijk aandacht wordt gegeven aan de ecologische condities, is niet alleen leuk voor omwonenden en recreanten, maar dat moet ook om Nederland te laten voldoen aan Europese verplichtingen aangaande betere ecologische kwaliteit van beken en beekdalen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden