Een gezonde dosis dioxine

'De schrik van de week'. Zo noemde het Amerikaanse tijdschrift Science ooit het fenomeen dat er om de zoveel tijd een stofje opduikt in levensmiddelen, dat bij proefdieren kanker of andere kwalijke ziekten veroorzaakt. Die stroom neemt de komende tijd alleen maar toe, omdat onderzoekers steeds kleinere hoeveelheden kunnen meten.

Dioxine in kippenvoer, het anticonceptiehormoon MPA in varkensvoer, chlooramfenicol in garnalen, acrylamide in patat en ontbijtkoek. De lijst met giftige en kankerverwekkende stoffen in ons voedsel is lang en kan moeiteloos worden uitgebreid. Bijvoorbeeld met restanten van bestrijdingsmiddelen, die immers per definitie giftig zijn. Of met stoffen waarvan veel mensen denken dat ze giftig of kankerverwekkend zijn, zoals de 'verdachte' E-nummers, die aan levensmiddelen worden toegevoegd om kleur, smaak of houdbaarheid te verbeteren.

De ontdekking van een stof of van zijn mogelijke giftige of kankerverwekkende effecten, leidt regelmatig tot krantenkoppen en Kamervragen. Meestal is de hype na een paar weken weer voorbij, maar ondertussen dragen die koppen wel bij aan het groeiend wantrouwen van de consument ten opzichte van de leveranciers van voedsel en de controleurs, in casu de overheid.

Volgens de meeste experts is dat wantrouwen niet terecht. Ondanks de schandalen is het voedsel nog nooit zo veilig geweest als nu, zeker in vergelijking met de risico's van teveel, te vet en te zoet eten. Volgens Ivonne Rietjens, hoogleraar Toxicologie in Wageningen, komt het wantrouwen voort uit het verschil tussen de feitelijke risico's en de risico's zoals mensen die ervaren. Dat verschil laat zich in ieder geval voor een deel verklaren door de mate van invloed die mensen denken te hebben op het al of niet ondergaan van dat risico. ,,Teveel of te vet eten is iets wat je zelf doet'', zegt ze. ,,Kip met dioxine of MPA in varkensvlees is iets dat je overkomt, dat anderen je aandoen. Zo kan het voorkomen dat mensen biologische groenten kopen, omdat ze bang zijn voor restanten bestrijdingsmiddelen, maar ondertussen wel een sigaretje roken. Terwijl het gezondheidsrisico van die resten bestrijdingsmiddelen natuurlijk vele malen kleiner is dan van roken.''

Volgen Frans van Knapen, hoogleraar Veterinaire Volksgezondheid en Levensmiddelenhygiëne aan de Universiteit Utrecht, wordt het verschil tussen feitelijk en ervaren risico mede gevoed door de starre regelgeving. Als voorbeeld noemt hij de partij Chinese garnalen waarin enkele jaren geleden spoortjes chlooramfenicol werden aangetroffen. Chlooramfenicol is een antibioticum dat in Azië als ontsmettingsmiddel wordt gebruikt. Van Knapen: ,,De concentratie was zo laag dat je jarenlang dagelijks vele kilo's van die garnalen zou moeten eten, wilde het effect hebben. Toch mochten de garnalen Europa niet in, want we hebben nu eenmaal vastgesteld dat er geen chlooramfenicol in garnalen of in andere levensmiddelen mag zitten. Terugsturen naar China mag ook niet; dat staat de Europese regelgeving niet toe. De partij garnalen werd daarom vernietigd. Tot grote woede van de Chinezen overigens, die vervolgens chlooramfenicol en andere ongerechtigheden aantroffen in Nederlandse producten.''

Het verschil tussen feitelijk en ervaren risico en de bijbehorende fixatie op zogenaamde chemische stoffen in de voeding, heeft volgens Van Knapen tot gevolg dat mensen in verwarring zijn geraakt over wat nu wel en niet gezond is. ,,Ze eisen voortaan 'natuurlijke' voedingsmiddelen, bij voorkeur zonder kleur- en smaakstoffen en zonder conserveringsmiddelen. Met name dat laatste is riskant, want daardoor groeit de kans op bacteriële besmetting van voedingsmiddelen. Berucht zijn salmonella en campylobacter, die gezamenlijk voor naar schatting één miljoen ziektegevallen per jaar zorgen, waarvan enkele tientallen met dodelijke afloop. Doorstralen of het vlees met melkzuur behandelen, mag niet vanwege het veronderstelde risico van het ontstaan van schadelijke nevenproducten. De kans daarop is overigens buitengewoon klein. Ook de slager die nitriet gebruikt, wordt met een scheef oog aangekeken, maar nitriet is ooit ingevoerd om botulisme ofwel worstvergiftiging tegen te gaan. Van nitriet wordt al jaren gezegd dat het kankerverwekkend is, maar bij mensen is dat nooit aangetoond. Botulisme daarentegen heeft, zeker in het verleden, vele tientallen slachtoffers geëist.''

Volgens Kees de Gooijer, tot voor kort directeur van het RIKILT Instituut voor Voedselveiligheid, zal de stroom berichten over kwalijke stoffen in de voeding en hun eventuele bijwerkingen de komende jaren alleen maar omvangrijker worden. ,,We kunnen steeds kleinere hoeveelheden meten'', zegt hij. ,,Tien jaar geleden konden we stofjes meten in een concentratie van één deeltje op één miljoen (ppm, part per million). Tegenwoordig meten we stoffen in een concentratie van één op één miljard (ppb, parts per billion). Dat komt overeen met het vinden van één Chinees onder alle Chinezen op aarde. We kunnen niet alleen nauwkeuriger meten, we kunnen ook meer stofjes meten en we meten steeds sneller. Kortom, we meten meer stoffen, in lagere concentraties in meer voedingsmiddelen en in grotere aantallen.''

De dag is dus niet ver meer dat we in ieder monster wel iets vinden dat er niet in thuishoort. Een recent voorbeeld van een stofje dat in delen per miljard in, nota bene babyvoeding is gevonden, is semicarbazide. Op 28 juli kondigde de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) aan dat het stofje, dat misschien kankerverwekkend is, in minuscule concentraties was gevonden in potten en flessen, afgesloten met een metalen deksel. Half oktober was men er ook achter waar de stof vandaan kwam. Het blijkt een afbraakproduct te zijn van het blaasmiddel waarmee de kunststof aan de binnenkant van het dekseltje wordt geschuimd. Dat schuimen is nodig om ervoor te zorgen dat de potjes luchtdicht worden afgesloten.

Volgens de EFSA kunnen voedingsmiddelen in potjes en flessen maximaal circa 25 ppb semicarbazide bevatten. Een baby van zes maanden die ruim twee potjes per dag eet, zou maximaal 2 microgram per kilo lichaamsgewicht binnenkrijgen. Een microgram is één miljoenste gram. Dat is dus bijna niets, maar goed, voor een stof die kankerverwekkend is, kan twee microgram nog te veel zijn. De vraag is alleen of semicarbazide ook kankerverwekkend is. De aanwijzingen daarvoor zijn erg mager. Alleen bij vrouwelijke muizen werd een licht kankerverwekkend effect gemeten, maar daarvoor moesten ze wel een hoeveelheid nuttigen die 50000 maal hoger was (100 milligram per kilo lichaamsgewicht) dan mensen via potjesvoeding binnen krijgen.

Waar maken we ons druk over? ,,Inderdaad'', zegt Rietjens, die deel uitmaakt van het wetenschappelijk panel van de EFSA dat dit soort stoffen beoordeelt, ,,de risico's voor de gezondheid zijn uiterst gering, niet alleen voor volwassenen, maar ook voor baby's. Onze conclusie is dan ook dat je rustig door kunt gaan met potjesvoeding. De voedselveiligheid is volstrekt niet in het geding. Wel stellen we voor om met de industrie af te spreken dat er naar alternatieven voor het blaasmiddel wordt gezocht.'

Rietjens vindt wel dat je ook dit soort bevindingen openbaar moet maken. ,,We hebben tenslotte iets gevonden dat een risico inhoudt, hoe klein dat risico ook is. Het is niet meer dan eerlijk om dat te vertellen. Als wij het niet zouden doen en een journalist of iemand van de milieubeweging komt er achter, dan ontstaat er pas echt een schandaal en de bijbehorende paniek. Door het zelf naar buiten te brengen, kun je het in ieder geval nog in perspectief plaatsen.'' Van Knapen is het daar niet mee eens. ,,Natuurlijk moet je eerlijk zijn tegenover de consument, zeker als voedsel- en warenautoriteit. Waar ik problemen mee heb is, dat de EFSA er überhaupt aandacht aan besteedt. Het gaat namelijk helemaal nergens over. De aanwijzingen dat semicarbazide kankerverwekkend zou zijn, zijn uiterst zwak. Bovendien moet je er dan grammen van eten. In zo'n situatie zou ik zeggen, laat maar zitten en laten we ons met echte problemen bezighouden. Het enige wat je nu doet is bedrijven op kosten en ouders op stang jagen, zonder dat de gezondheid ook maar iets verbetert.''

Volgens Rietjens moet de Europese voedsel- en warenautoriteit er wel aandacht aan besteden, omdat het om een stof gaat die mogelijk kankerverwekkend is. Daarvoor geldt dat er geen veilige grens is voor zo'n stof. Zelfs de kleinste hoeveelheid kan schadelijk zijn en dus moet je er iets aan doen. Voor stoffen die alleen maar giftig zijn geldt wel een drempelwaarde, waar beneden de stof niet schadelijk wordt geacht. Die drempelwaarde wordt meestal vastgesteld door proefdieren bloot te stellen aan een hoge dosis van de betreffende stof. Veel hoger dan in het dagelijks leven voorkomt, omdat het anders te veel tijd of te veel proefdieren zou kosten. Vervolgens wordt vastgesteld bij welke concentratie geen effect meer optreedt, het No Effect Level ofwel NOEL. Die waarde wordt met een factor tien verlaagd, omdat mensen geen ratten zijn en nog eens met een factor tien vanwege individuele verschillen tussen mensen. Het resultaat is een Acceptabele Dagelijkse Inname (ADI) op basis waarvan vervolgens vastgesteld wordt hoeveel van die stof er in een voedingsmiddel mag zitten.

Tamelijk eenduidig en rechtlijnig, zo lijkt het. Ware het niet dat er steeds meer aanwijzingen zijn, dat stoffen die in hoge concentraties schadelijk zijn, in de lage concentraties waarover we het hier hebben juist de gezondheid bevorderen. Het effect staat bekend onder de naam 'hormesis'. In een overzichtsartikel, begin dit jaar gepubliceerd in de Annual Review of Pharmacology and Toxicology, illustreert de Amerikaanse toxicoloog Edward J. Calabrese van de Universiteit van Massachusetts het verschijnsel aan de hand van tientallen voorbeelden. Zo blijkt een geringe dosis penicilline de groei van bacteriën te stimuleren; blijkt de fotosynthese van cyanobacteriën te worden gestimuleerd door een beetje ruwe olie, neemt de levensduur van fruitvliegjes toe als ze worden blootgesteld aan kleine doses van het giftige methanol en zorgen geringe concentraties dioxine en kleine beetje radioactieve straling voor een vermindering van het aantal tumoren bij ratten.

Volgens Calabrese heeft het fenomeen te maken met het vermogen van organismen om zich op moleculair niveau aan te passen aan stressfactoren uit de omgeving. Een mechanisme om te overleven dat dateert uit de tijd waarin het leven nog niet meer was dan een klompje cellen. In onze tijd vertaalt zich dat in het algemeen aanvaarde uitgangspunt dat een klein beetje stress gezond is en je helpt om beter te functioneren. Als hormesis werkelijk bestaat - Kees de Gooijer drukt zich voorzichtig uit - dan betekent dat een revolutie voor de manier waarop we met giftige en kankerverwekkende stoffen omgaan. ,,De huidige normen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de effecten recht evenredig zijn met de dosis. Hoe meer je van een stof binnenkrijgt, hoe groter het effect. En omgekeerd, hoe minder je binnenkrijgt, hoe kleiner het negatieve effect. Het hormesis-effect haalt die veronderstelling onderuit. Bij de concentraties waarover we praten, hebben die stoffen juist een gunstig effect. Dat zou effect kunnen hebben op normstelling en regelgeving.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden