Een gevoel van straffeloosheid

Het is onrustig in de wieg van de Arabische Lente. Tunesië verkeert in een politieke crisis sinds de moord op een seculier politicus van de oppositie. Extremistische groeperingen, zoals de salafisten, laten zich gelden. En niet altijd op een vreedzame manier.

Alcohol? De restaurantmedewerker maakt een afwerend gebaar. "Dat serveren we hier al maanden niet meer", zegt hij. Nergens in Sidi Bouzid blijkt een glas te krijgen. Het laatste biertje werd begin september vorig jaar getapt in de bar van hotel Horchani.

Daags ervoor hadden zich enkele onverwachte gasten gemeld aan het buffet. Salafisten, gemakkelijk te herkennen aan hun lange gewaden en volle baarden. Alcohol is 'haram', hielden ze de barman voor. Onrein. Het moest over en uit zijn en wel snel. Personeel en stamgasten besteedden er verder weinig aandacht aan en hervatten hun dominospel.

Maar een paar dagen later kwamen de salafisten terug, nu met z'n tienen. Allemaal jong en agressief. De spanning liep op, slechts met moeite wisten de kelners, geholpen door de gasten, hen naar buiten te werken. "De dag erop waren het er tachtig", zegt Mohammed Ali, een van de hotelmedewerkers die er de bewuste dag bij was. "Voor ons was er geen beginnen aan."

Van praten was geen sprake meer. De salafisten sloegen er direct op. En daarbij beperkten ze zich niet tot de drankvoorraad. Terwijl het personeel en de clientèle machteloos toekeken, gingen de salafisten met ijzeren staven van vertrek naar vertrek. Systematisch werd de boel in elkaar geslagen.

Sidi Bouzid, een stoffig stadje in het binnenland van Tunesië, staat bekend als de wieg van de revolutie die begin 2011 de val inluidde van het repressieve regime van president Zine El Abidine Ben Ali en daarmee een golf van opstanden door de hele Arabische wereld ontketende. Hier stak de groente- en fruitverkoper Mohammed Bouazizi zich in brand.

Nu is het een bolwerk van salafisten, een fundamentalistische stroming binnen de islam, die zich inspireert op de eerste drie generaties moslims - de zogeheten 'salaf' (voorvaderen). De populariteit van de salafisten in Sidi Bouzid is niet toevallig. Hun discours van gelijkheid en morele zuiverheid is krachtig en simpel. Het spreekt aan na jaren van overheidscorruptie. Vooral bij arme jongeren die teleurgesteld zijn in de hoge verwachtingen van de revolutie. De afgelopen twee jaar is de werkloosheid verder gestegen.

Het hotel is dicht. Drieëntwintig man personeel staat op straat. "Heel ernstig", zegt Ali (57). "Een uitkering krijgen we niet en we hebben allemaal een familie te onderhouden." De politie kwam pas toen de salafisten waren verdwenen. Een serieuze poging de daders op te sporen is volgens Ali nooit ondernomen. "Een imam uit een naburig dorp verklaarde in een lokale krant dat hij het brein achter de actie was. Hij is niet eens ondervraagd!" Zelf reist Ali nu op en neer naar Tunis, vier uur rijden met de louage, de goedkope groepstaxi. Als hij geluk heeft vindt hij er een klus van een paar weken.

Sidi Bouzid is niet de enige plaats in Tunesië waar de salafisten zich doen gelden. Je vindt ze in Jendouba, in Kasserine, in Gabès en andere verwaarloosde stadjes in het Tunesische achterland. Maar ook in en rond de hoofdstad manifesteren ze zich, vaak op gewelddadige wijze. Zo was de letterenfaculteit van de Manoeba-universiteit vorig jaar maandenlang het toneel van hevige rellen. Salafisten eisten dat vrouwelijke studenten een gezichtsbedekkende sluier moesten dragen tijdens college. In La Marsa, een rijke voorstad van Tunis, moest een schilderijenexpositie het ontgelden. Sommige kunstwerken zouden 'beledigend' zijn voor de islam.

In hun streven om alles wat niet conform hun visie van de islam is uit te roeien lijken sommige salafisten voor niets terug te schrikken. In de naar hem vernoemde kustplaats werd onlangs brand gesticht in het praalgraf van Sidi Bou Said, een prominente soefiheilige. De puriteinse salafisten beschouwen heiligenverering als een verwerpelijke vorm van afgoderij, aangezien volgens hen niets God-de-Enige vervangen kan. Sinds afgelopen zomer werden er in Tunesië zo'n veertig mausolea van soefiheiligen verwoest, sommigen vele eeuwen oud.

De meest spectaculaire actie tot dusver was de bestorming van de Amerikaanse ambassade in september vorig jaar. Dat gebeurde in de nasleep van het tumult rond de anti-islamfilm 'Innocence of moslims'. Er werd brand gesticht en de nabijgelegen Amerikaanse school werd geplunderd.

Onder druk van de Amerikaanse autoriteiten liet de Tunesische regering honderden salafisten oppakken. Het was voor het eerst dat er met harde hand tegen de salafisten werd opgetreden. Tot die tijd gaf regeringspartij Ennahda de voorkeur aan de dialoog. Het islamitische Ennahda is de dominante factor in een coalitieregering van twee linkse middenpartijen, die dit weekeinde uiteenviel na het opstappen van een van de twee seculiere partnerpartijen. Het protest tegen het slappe optreden van Ennahda tegen de salafisten neemt toe, zeker sinds de moord vorige week op de oppositionele politicus Belaid.

De partij had zo haar eigen redenen om niet hard op te willen treden tegen de salafisten meent Alaya Allani, als historicus verbonden aan de Manoeba-universiteit. "Tijdens het regime van Ben Ali werden salafisten, maar óók de leden van Ennahda keihard vervolgd. Daarom wilden de leiders na de revolutie liever niet direct naar de politieknuppel grijpen. Een deel van de Ennahda sympathiseert bovendien met het ideeëngoed van de salafisten. Dat electoraat wil het partijbestuur liever niet tegen de haren instrijken."

Achterliggend idee was de salafisten via de dialoog bij het politieke spel te betrekken en hen zo te neutraliseren. Afgelopen zomer verkregen drie salafistische partijen een officiële licentie. Maar volgens Allani vertegenwoordigden deze nog geen tien procent van de naar schatting 90.000 Tunesische salafisten. Met deze groep lijkt de dialoog bij voorbaat gedoemd.

"Ennahda? Die vertegenwoordigen niet de ware islam", zegt Lotfi Zoubaier (22) te midden van een groepje vrienden. Wat schuchter wachten ze voor het huis van Al Khatib Al Idrissi in het stadje Sidi Ali Ben Aoun ¿ diep verscholen in het Tunesische binnenland. De nagenoeg blinde sjeik geldt als een prominente, maar ook als een van de meest radicale salafistenleiders van Tunesië. De jongens zijn naar hem toegekomen voor 'religieus advies'. Al Khatib Al Idrissi zelf staat geen journalisten te woord, naar blijkt. Maar zijn discipelen doen dat wel.

"Ennahda streeft niet langer naar de invoering van de sharia", zegt Zoubaier, die een ingenieursopleiding volgt. "Hoe kun je je dan nog moslim noemen?" Hij benadrukt dat hij en zijn vrienden tot de quietistische stroming binnen het salafisme horen; niet tot de jihadistische (zie kader). Zoubaier wijst het geweld dat de jihadisten propageren af, maar heeft voor de salafisten die zich politiek organiseren evenmin goede woorden over. "Die spelen het democratische spel mee", zegt hij. "Dat is niet goed. Democratie ketters".

"We hebben te lang gedacht dat we de salafisten via de dialoog in het gareel konden krijgen", erkent Ajmi Loerimi op het Ennahda hoofdkwartier in Tunis. De jeugdig ogende Lourimi is verantwoordelijk voor de portefeuille onderwijs en cultuur en geldt als een van de rijzende sterren binnen de partij. Hij spreekt van een 'complex probleem' dat vraagt om een 'complex antwoord'. Maar wat dat precies omhelst blijft vaag.

Hoewel sommigen in het ingrijpen na de bestorming van de Amerikaanse ambassade een omslag zien, heeft Ennahda in de publieke opinie een zware prijs betaald voor haar getalm. De veelal uit Saoedi-Arabië geïmporteerde opvattingen van de salafisten staan mijlenver van de tolerante islam van de Zitoena-universiteit in Tunis. De doorsnee Tunesiër gruwt van de gewelddadigheid die de salafisten aan de dag leggen, voelt zich onveilig en eist dat de regering ingrijpt. De oppositie buit dit handig uit en laat geen kans voorbij gaan om te benadrukken dat Ennahda met de salafisten onder één hoedje speelt.

Vast onderdeel van het bewijsmateriaal is een filmpje dat onlangs opdook en dateert uit begin 2012. Rond deze tijd maakte de partij definitief bekend om geen verwijzing naar de sharia, de islamitische wet, in de nieuwe grondwet te zullen opnemen. Te zien is Ennahda leider Rached Ghannoechi in gesprek met enkele prominente salafistenleiders. "Het staatsapparaat is nog altijd in handen van de vijand", zegt hij. Ghannoechi houdt zijn gesprekspartners voor dat zij 'geduld' moeten hebben. Aanhangers zeggen dat er met het filmpje is geknoeid en dat zijn uitspraken uit de context zijn gehaald. Tegenstanders zagen er het bewijs in dat hij het met de salafisten op een akkoordje heeft gegooid.

Volgens Allani geeft de affaire tevens aan hoezeer de salafisten speelbal zijn van een groter politiek spel. "Zowel Ennahda als de oppositie probeert ze voor eigen doeleinden te in te zetten. Ennahda mikt op de gunst van de met de salafisten sympathiserende kiezer; de oppositie gebruikt ze als stok om Ennahda mee te slaan".

In de berichtgeving zijn de excessen van de salafisten al maanden beeldbepalend. Maar volgens William Lawrence vormen die niet het voornaamste probleem waarmee postrevolutionair Tunesië heeft te kampen. Lawrence is directeur van de Noord-Afrika divisie van International Crisis Group, een non-gouvernementele organisatie die regeringen adviseert op het gebied van conflictbeheersing. "De situatie in Sidi Bouzid is illustratief voor de vertekening in de beeldvorming", zegt hij vanuit zijn Marokkaanse standplaats Rabat. "Het meest nijpende probleem is niet dat er geen alcohol meer is te krijgen, maar dat er geen werk is".

Hoewel daar in de media veel minder aandacht voor is, weegt de slechte economische situatie volgens Lawrence zwaarder dan het salafistenprobleem. Hij schat de verhouding 90 tot 10. Ook Allani is van mening dat het salafistenprobleem door de buitenlandse media wordt opgeblazen. Hij wijst op een veelbesproken documentaire die onlangs werd uitgezonden door 'Envoyé Spécial', een programma op de Franse televisie. De uitzending ('De salafistendreiging in Tunesie') wekte de woede van duizenden Tunesiërs die hun land er in het geheel niet in herkenden.

"De salafisten zijn met te weinig om een serieuze bedreiging voor de bestaande maatschappelijke en politieke orde te vormen", benadrukt Allani. Volgens Lawrence komt de grootste dreiging niet zozeer van de salafisten zelf, maar van de polariserende werking die zij hebben op gevestigde Tunesische politiek. De recente gebeurtenissen lijken zijn punt te illustreren. "De salafisten trekken Ennahda naar rechts. Daarmee komt de verhouding met de linkse coalitiepartners verder onder druk te staan, waardoor het land onbestuurbaar dreigt te worden. Een politieke crisis is het laatste wat het land momenteel kan gebruiken, maar daar zitten we nu middenin."

Omdat er steeds niet tegen ze is opgetreden, heerst er volgens Lawrence onder de salafisten een sentiment van straffeloosheid, het idee dat ze overal mee weg komen. "Daarom is het belangrijk dat de instituties die de salafisten normaal gesproken in bedwang houden (politieapparaat, rechtspraak) zo snel mogelijk weer op poten worden gezet zodat de burgers zich weer veilig voelen. Maar de overheid kan dat niet alleen. Ook op buurtniveau zal er het nodige moeten gebeuren."

Lawrence wijst erop dat jonge salafisten na de bestorming van de Amerikaanse ambassade op sommige plaatsen uit hun buurt zijn verjaagd door verontwaardigde bewoners die schoon genoeg hadden van de intimidatie en geweld. Allani verwacht dat de deelname van salafistische partijen het nodige zal bijdragen aan de verankering van de salafisten in de Tunesische samenleving - zelfs als die slechts een kleine minderheid vertegenwoordigen. Tegelijk houdt hij zijn hart vast voor het moment dat de Tunesische jihadisten, die momenteel vechten in Afghanistan, Syrië en Noord-Mali, naar hun moederland terugkeren. Allani, zelf net terug uit Mali, schat hun aantal op vele honderden.

Salafisten streven naar een islamitische staat ¿ en geweld is toegestaan
Hij geldt als staatsvijand nummer één: Abu Iyad, de leider van het salafistisch jihadisme in Tunesië. Hij wordt verdacht van het organiseren van de bestorming van de Amerikaanse ambassade in Tunis, in september vorig jaar. Iyad, wiens echte naam Seif Allah Ibn Hussein luidt, vocht in Afghanistan en kruiste hier tevens het pad van Osama Bin Laden. Hij werd gearresteerd, naar Tunesië getransporteerd en in 2003 tot 43 jaar gevangenisstraf veroordeeld vanwege zijn banden met Al Kaida. Na de revolutie van 2011 profiteerde hij van een amnestieregeling voor politieke gevangenen. Alle salafisten streven naar een islamitische staat. Maar anders dan 'quietisten' of 'politieke salafisten' zijn jihadisten bereid om geweld te gebruiken om hun doelen te bereiken. Volgens schattingen van het Tunesische ministerie van binnenlandse zaken bevinden zich zo'n 5000 salafistische jihadisten op Tunesische bodem. Volgens onbevestigde berichten zou een aantal van hen trainen in kampen in de bergen bij de Algerijnse grens. Tunesische jihadisten zijn ook actief in de internationale jihad. Tunesiërs waren in 2001 verantwoordelijk voor de aanslag op de beroemde Afghaanse commandant Ahmed Shah Massoud ¿ 'de leeuw van de Panshirvallei'. Een relatief groot aantal Tunesiërs was actief in Irak tijdens de Amerikaanse bezetting van dat land. Geschat wordt dat enkele honderden Tunesische jihadisten in Syrië meevechten tegen het regime van Bashar al Assad. Onder de gijzelnemers van de recente gijzeling in het Algerijnse In Amenas bevonden zich tien Tunesiërs.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden