Een gevaar voor de goede zeden

„Is het typisch islamitisch dat vrouwen thuis moeten zitten? Veel moslims denken van wel.” Maar volgens predikant Sam Janse sloot de islam gewoon aan bij de moraal die polytheïsten, Joden en christenen in de eeuwen vóór Mohammed uitdroegen. „Steeds is het de vrouw bij wie de oorzaak van seksuele ontsporingen wordt gelegd. De zonde van mannen is doorgaans hun zwakte.”

Volgens een in de islam niet onbekende visie hoort de vrouw thuis te zijn terwijl de man het openbare leven beheerst. In het onderzoeksrapport ’Emancipatie van de tweede generatie’ (2006) van Pels, De Gruyter en Linse, komt een allochtone vrouw aan het woord. „Weet je”, zegt ze, „ik heb een hele geschiedenis achter de rug, dat een vrouw eigenlijk helemaal niets mag in het verleden. Een vrouw is altijd thuis, die doet helemaal niets, dat heb ik eigenlijk meegekregen toen ik wat jonger was, waardoor ik me er tegen verzet eigenlijk. Ik heb het verbroken.”

Wat deze Marokkaanse vrouw zegt is representatief voor veel islamitische vrouwen in Europa: ze pikken niet meer wat de generatie vóór hen normaal vond. Ook al horen we nog steeds van vrouwen die ziek worden omdat ze altijd binnen zitten en geen zonlicht opvangen, we zien tegelijk succesvolle meiden van halal die proberen met behoud van hun islamitische geloof voluit te participeren in het openbare leven.

Is het typisch islamitisch dat vrouwen thuis moeten zitten? Veel moslims denken van wel. Wie via de vele Ask the Imam-sites de thematiek opspoort, komt dit inderdaad als de dominante visie tegen: de man werkt buiten de deur, de vrouw zorgt thuis voor het gezin. De internetimam kent uitzonderingen, bijvoorbeeld voor de weduwe die zelf in haar onderhoud moet voorzien. Nood breekt wetten, maar nood blijft nood en wetten blijven wetten.

Wat niet klopt, is dat deze voorschriften pas met de islam opgekomen zijn. De simpele visie van moslims en soms ook niet-moslims luidt dat pas met de komst van Mohammed het licht van de redelijkheid en de zedelijkheid in het Midden-Oosten opging. Nu valt er over te twisten of de opsluiting van de vrouw redelijk en zedelijk is, maar onbetwistbaar is dat de islam ook hier gewoon aansloot bij het morele patroon dat al eeuwen aanwezig was. Misschien kan dit hedendaagse moslims helpen te ontdekken dat ze op deze punten niet zozeer de islam van de zevende eeuw voortzetten, maar grotendeels de morele idealen van polytheïsten, Joden en christenen in de eeuwen vóór Mohammed uitdragen.

De vroege tradities van het Oude Testament verraden een relatief ontspannen omgang tussen de seksen. Als Jakob, gevlucht voor de woede van zijn broer, toevlucht zoekt bij zijn familie in Haran ontmoet hij ’bij toeval’ zijn nicht Rachel (Genesis 29). Hij kust haar en vertelt zijn wedervaren. Voor ons besef niets bijzonders, maar gemeten met de maatstaf van latere zedenmeesters hoogst ongewenst: mannen horen geen vreemde vrouwen aan te spreken en zeker niet te zoenen, ook al gaat het om hun nicht.

Tijdens en na de Babylonische ballingschap gaat het Joodse volk door een proces van zelfonderzoek dat leidt tot heroriëntatie. Waarom is het misgegaan? En als we weer terug mogen naar het beloofde land, op welke condities dan? De voorschriften rond de cultus en het dagelijks leven worden opnieuw geformuleerd. Voor vrouwen pakt dit niet onverdeeld gunstig uit. De seksuele moraal wordt aangescherpt en dat betekent in de praktijk dat de vrouw in haar bewegingsvrijheid belemmerd wordt.

De uitkomst van deze verstrakking is uitvoerig geboekstaafd in het werk van Jezus Sirach, een wijsheidsleraar rond 190 voor Chr. in Jeruzalem. In zijn spreuken gaat hij in op de zorgen van een vader om zijn dochter. Een van de ergste dingen is dat ze, nog wonend in het huis van haar vader en dus nog onder diens gezag, ongewenst zwanger wordt. De vader zal belachelijk worden gemaakt in de stad (42:9-11). Schaamte is een doorslaggevend argument voor een strenge aanpak van de dochter. Sirach roept dan ook op om haar goed te bewaken. Dat betekent, zoals nog blijken zal, dat het meisje het huis niet uitkomt. Niet voor niets gaat het hier om het huis van de vader als plaats waar de dochter bezwangerd wordt. Een andere mogelijkheid komt voor de schrijver überhaupt niet in het vizier.

Vaak trouwden jonge meisjes vóór hun eerste menstruatie. Voor een achttienjarige die nog ongetrouwd was ging de tijd dringen. Het huwelijk bood ook een voordeel: een getrouwde vrouw had doorgaans meer bewegingsvrijheid. Ze mocht zich onder duidelijke voorwaarden op straat vertonen, als ze maar dat niet te opvallend en te uitdagend deed. Dat deden alleen hoeren.

Toch zien de moraalridders ook met deze beperkingen allerlei gevaren. „Houd streng de wacht over een onhandelbare dochter; opdat ze zich niet, als ze de gelegenheid vindt, laat gebruiken”, zegt Sirach (26:10, in de vertaling van Pieter Oussoren). Sirachs beelden zijn niet gespeend van vulgariteit. „Zoals een dorstige reiziger zijn mond opent voor al het water dat hij maar kan vinden, zo gaat zij tegenover elke tentpaal zitten en opent ze haar koker voor de pijl” (26:12, in de Nieuwe Bijbelvertaling). Dat vraagt om gepaste afstand tussen de seksen. Sirach beperkt zijn adviezen niet tot ’onhandelbare dochters’. Meer in het algemeen raadt hij zijn lezers aan: „Wend je blik af van een mooie vrouw, kijk niet naar schoonheid die een ander toebehoort.” En iets verderop: „Ga nooit naast een getrouwde vrouw zitten, feest en drink niet samen met haar” (9:8-9, NBV).

Zo spreekt een wijsheidsleraar in de patriarchale samenleving van Jeruzalem, in het jaar 190 voor Chr. Is dit representatief voor het jodendom van deze tijd en wellicht ook nog voor dat van later tijden? Er zijn in elk geval geschriften bekend uit Alexandrië, het andere centrum van het jodendom van die tijd, die dezelfde geest ademen.

Philo, de grote Joodse filosoof die daar rond het begin van de jaartelling leeft, is niet positiever over vrouwen dan Sirach. In ’De specialibus legibus’ adviseert hij om vrouwen binnenshuis te houden en de ongetrouwde meisjes op hun beurt in het achterste deel daarvan op te sluiten. Een vrouw moet zich niet bemoeien met dingen buitenshuis, want die gaan haar niet aan. Op straat hoeft ze niet te komen, behalve als ze naar de tempel wil. Philo zal hier wel de synagoge bedoelen. Maar ook dan moet ze de drukte van de markt mijden.

Nu gaat het bij Jezus Sirach en Philo om voorschriften. Dat hoeft niet te betekenen dat de werkelijkheid daar helemaal mee strookte. Een voorschrift wijst doorgaans op een overtreding en een herhaald voorschrift op een herhaalde overtreding. Waarschijnlijk had een arm gezin überhaupt maar één vertrek tot zijn beschikking, waarin dan iedereen moest wonen en slapen.

Toch zijn er aanwijzingen dat de richtlijnen in de praktijk verregaand werden opgevolgd door wie zich een ruimere behuizing kon permitteren. Philo beschrijft in ’In Flaccum’ hoe soldaten bij een pogrom in de Joodse wijk van Alexandrië de vrouwenvertrekken betreden en hoe hun onbeschaamde blikken de vrouwen zien die nooit bij de buitendeur komen.

De boeken van de Makkabeeën hebben gelijksoortige verhalen over vijandelijke aanvallen die de Joodse gemeenschappen zo in verwarring brengen dat meisjes, die doorgaans nooit buiten kwamen, de straat op gaan. Het wordt verteld als het toppunt van consternatie en verbijstering. Een moeder, een martelares voor de goede zaak van de Makkabeeën, geeft een getuigenis van haar goed gedrag en vertelt dat ze als meisje nooit haar vaders huis verliet, ’maar de rib bewaakte’ waaruit vrouwen gemaakt zijn, hiermee refererend aan het scheppingsverhaal (4 Makkabeeën 18:7).

Er zijn dus rigoureuze maatregelen nodig, omdat vrouwen buitenshuis niet te vertrouwen zijn. Moderne lezers vragen zich wellicht af of deze literatuur geen waarschuwingen kent tegen seksueel ongeremde mannen. Dat is amper of niet het geval. Het is de vrouw bij wie de oorzaak van seksuele ontsporingen wordt gelegd. De zonde van mannen is doorgaans hun zwakte waardoor ze niet bestand zijn tegen de aanvallen van de vrouw.

De sterkste aantijgingen aan het adres van vrouwen zijn te vinden in ’Het testament van Ruben’, een in de kern Joods geschrift uit de tweede eeuw voor Chr., gegoten in de vorm van de laatste woorden van de aartsvader Ruben, de zoon van Jakob. „Vrouwen zijn slecht”, zegt de schrijver, „ze zijn meer dan de man vatbaar voor de geest van ontucht.” Daarom zijn ze ook gevaarlijker. Wat hen met fysieke kracht niet lukt, doen ze met list en verleiding. Hun blikken zijn als gif dat zijn uitwerking niet mist.

Deze visie op de vrouw trekt een diep spoor in de Joodse literatuur van deze tijd. Het is Eva die zich laat verleiden door de slang. Jezus Sirach onderbouwt zijn waarschuwingen voor de verleiding van de vrouw zo: „Bij de vrouw ligt de oorsprong van de zonde en vanwege haar sterven wij allen” (25:24).

De vrouw is niet alleen de oorzaak van de zondeval in Genesis 3, maar ook van die in Genesis 6. Daarin wordt beschreven dat ’de zonen Gods’ gemeenschap hadden met de ’dochters der mensen’. Hier schemert een voor-Israëlitische mythe door die vertelt over de vermenging van goden en mensen. In de Joodse traditie zijn deze goden geïnterpreteerd als engelen. De tekst heeft een geweldige impact gehad op de literatuur uit de eeuwen rond het begin van de jaartelling. De schrijver van het genoemde ’Testament van Ruben’ verduidelijkt aan de hand van dit verhaal de verdorvenheid van vrouwen: ze zijn zelfs in staat om met hun sexappeal bij de engelen de lust op te wekken. Met kosmische gevolgen want het leidt tot de val van de kwade engelen.

Wat hier gebeurt in de argumentatie is dat de man de moeite die hij heeft met zijn testosteron projecteert op de vrouw. Zij krijgt de schuld van de ontwaking van zijn mannelijke driften. De vrouw moet dan ook de rekening betalen: niet de man gaat achter de voordeur vanwege zijn onbeheersbare driften, maar de vrouw. Zij vormt een gevaar voor de goede zeden. Zij moet bewaakt worden.

Het rabbijnse jodendom geeft de vrouw niet veel meer speelruimte. Bava Batra, een traktaat van de Babylonische Talmoed, geeft toe dat de wereld mannen en vrouwen nodig heeft om voort te bestaan. Maar heil hem die zonen heeft en wee degene die dochters voortbrengt. Wel wordt de vrouw regelmatig de hemel in geprezen, maar dan betreft het zaken die tot het haar toegemeten domein behoren: de kinderen en de keuken. Er is immers in de vrouw geen wijsheid te vinden dan om met het spinrokken om te gaan, zegt een ander Talmoedtraktaat.

Het jodendom kent expliciete en uitvoerige regels voor het onderwijs aan de zonen, maar ten aanzien van de dochters ontbreekt dit ten enenmale. Dankzij de Schriftgeleerdheid die de Joodse huizen doortrok, was niet te voorkomen dat intelligente meisjes soms uitgroeiden tot geleerde vrouwen, maar zij bleven uitzonderingen. Léonie J. Archer laat in haar uitgebreide studie ’Her Price is Beyond Rubies’ (1990) zien dat het rabbijnse jodendom, als het gaat om de positie van de vrouw in het publieke leven, overwegend vrouwonvriendelijk is.

Nu bestaat er een zee aan rabbijnse literatuur, die moeilijk op één noemer te brengen is. Het is eenvoudig om een groot aantal citaten te geven dat wél vrouwvriendelijk is. Zo vinden we in de Babylonische Talmoed de uitspraak dat Israël uit Egypte is verlost vanwege de deugden van de rechtvaardige vrouwen. Maar naar huidige maatstaven is het rabbijnse jodendom vrouwonvriendelijk, vooral als het gaat om de intellectuele ontplooiing en de maatschappelijke participatie van de vrouw.

Uit de relevante teksten blijkt dat ongetrouwde meisje ook in de samenleving van de rabbijnse geschriften een leven van opsluiting leidden in kamers die van buitenaf ontoegankelijk waren, en alleen via de mannenvertrekken bereikbaar.

Voor de getrouwde vrouw was het vrouwenvertrek haar eigenlijke domein, maar ze mocht buitenshuis komen voor de nodige activiteiten. Ze mocht bruiloften en begrafenissen bijwonen en haar ouders opzoeken. Bezoek aan badhuis en synagoge was eveneens gepermitteerd. Werk op het land en in de handel was ook toegestaan, maar bleef gevaarlijk omdat contact met mannen daarbij onvermijdelijk was.

Volgens de Misjna is het tegen de Joodse zede als een vrouw met loshangend haar de straat op gaat of spint in de straat of spreekt met een man (Ketoebot 7.6). Het traktaat Kidoesjin (81a) van de Babylonische Talmoed vertelt over vrouwen in een bovenvertrek waarvan de ladder is weggenomen uit angst dat ze ten prooi zouden vallen aan ongewenste mannenblikken of nog verder gaande avances.

Onnodig contact tussen de seksen blijft bedenkelijk en verboden. Mannen wordt afgeraden om veel met vrouwen te spreken. Een man die op straat een vrouw vóór zich ziet lopen, kan twee dingen doen: rechtsomkeert maken of haar inhalen. Per slot van rekening, om het weer met de Talmoed te zeggen, kun je beter achter een leeuw dan achter een vrouw lopen.

Als de getrouwde vrouw veel uitgaat, laadt ze de verdenking op zich dat ze een naphkath bara is, letterlijk: zij die uitgaat. In het Aramees is dit de term voor prostituee geworden. Een vrouw is toch ook niet gemaakt uit de voeten, maar uit de rib van Adam, zegt de al genoemde midrasj op Genesis. De rib is een kuis lichaamsdeel: als de man naakt is, is de rib nog bedekt. Het jodendom, kortom, zoals de rabbijnen het tekenen, schetst een samenleving waar de Saoedische zedelijkheidspolitie jaloers op kan zijn.

In een midrasj op Genesis 34 wordt het verhaal van Dina, de dochter van Jakob, naverteld en geactualiseerd. Genesis 34 vertelt hoe Dina buiten de deur komt en gezien wordt door Sichem, die meteen verliefd op haar wordt, haar verkracht en met haar wil trouwen. De broers van Jakob zijn woedend en wreken de eer van hun zuster. Ze vermoorden Sichem en zijn volksgenoten.

Dat Sichem model staat voor niet-Joden speelt in de rabbijnse verwerking van dit bijbelverhaal natuurlijk een grote rol. Gemengde huwelijken zijn in het jodendom sowieso onacceptabel. Het gevaar van een huwelijk met een niet-Joodse partner moet voor Joden altijd op de loer hebben gelegen, zeker in de diaspora. Het zal een reden temeer zijn geweest om de dochters thuis te houden. In de midrasjim wordt Dina dan ook doorgaans zwaar berispt. In de rabbijnse exegese worden de kwalijke praktijken van de voorouders vaak goedgepraat, maar in dit geval niet. Daaruit blijkt de ernst van het vergrijp. Een meisje dat alleen het huis uitgaat, vraagt om moeilijkheden en is medeverantwoordelijk voor de slechte afloop. Om het met een van de oude Joodse commentatoren te zeggen: wie op de markt loopt met een stuk vlees in zijn hand moet niet vreemd opkijken als de eerste de beste hond erin bijt. Ook hier is de les duidelijk: vaders, laat je dochters thuis.

De vraag is of in de Oudheid de positie van vrouwen buiten het jodendom zoveel anders was. Hier is alleen een genuanceerd antwoord mogelijk In Griekenland gaf Sparta de vrouw meer ruimte dan Athene. In het Romeinse Keizerrijk had de vrouw meer vrijheid dan in de daaraan voorafgaande Republiek. Althans, voor de Romeinse patriciërsvrouw was de situatie tamelijk gunstig. Als meisje mocht ze naar school en als getrouwde vrouw kon ze deelnemen aan het publieke leven. Niettemin had ook zij geen stemrecht en kon ze geen publieke ambten vervullen. Haar invloed was dan ook vaak indirect als ’echtgenote van’ of ’minnares van’.

Seneca schrijft in een verhandeling aan zijn moeder over haar zuster. Als voorbeeldige echtgenote van de gouverneur van Egypte had zij zich zestien jaar lang niet in het openbare leven vertoond. Maar ook voor deze filosoof is duidelijk dat dit zedelijke niveau zelden bereikt wordt.

Het meest vrouwvriendelijke land in de Oudheid is, ondanks Seneca’s mededeling, wellicht toch Egypte. Papyri laten zien dat vrouwen in talrijke beroepen actief waren en ook inzake huwelijk en scheiding een sterkere positie hadden dan hun seksegenoten elders in het Romeinse Rijk. Wie de koningslijsten van het Ptolemeïsche, vóór-Romeinse Egypte bekijkt, ziet opvallend veel koninginnen, met als bekendste de legendarische Cleopatra. De dynastieke opvolging was in Egypte zo geregeld dat als het oudste koningskind een dochter was, zij de troon mocht bezetten, ook al kwamen er nog zonen na haar. In het imperiale Rome was dat ondenkbaar: de keizerin gold daar als niet meer dan de vrouw van de keizer. Werkt hier de verering van de populaire godin Isis door, of speelt hier een nieuwe variant van het kip-en-eiprobleem?

Als Philo, de Joodse filosoof uit Alexandrië, de positie van de vrouwen beperkt, dan zit daar in elk geval geen Egyptische invloed achter. Hij put uit de Joodse traditie. Wellicht zet hij zich af tegen de in zijn ogen ontoelaatbare vrijheden van de Egyptische vrouwen.

Hoe ligt dit bij de religieuze nieuwkomer van de Oudheid, het christendom? In de eerste eeuw speelt deze godsdienst nog amper een rol in het Romeinse Rijk, maar vanaf de tweede eeuw zal het in toenemende mate het lot van het Imperium bepalen. Wat er verder ook over gezegd kan worden, bij Jezus vinden we in elk geval een opvallende openheid tegenover vrouwen. Het moet in zijn tijd als ongepast hebben gegolden.

Jezus kiest weliswaar twaalf mannen tot zijn discipelen, maar hij omringt zich ook met vrouwen. Zij volgen hem, luisteren naar hem, en dienen hem. Daarbij gaat het luisteren boven het dienen: in het verhaal van Marta en Maria wordt de luisterende, lerende Maria ten voorbeeld gesteld aan de dienende, zorgende Marta (Lucas 10:38-42). Verder laat Jezus zich door een vrouw zalven met olie en laat zich dus door haar aanraken. En rond kruis en opstanding spelen vrouwen de hoofdrol, niet mannen. Vrouwen die voor de rechtbank niet als getuigen mochten optreden, worden tot verkondigers van Jezus’ opstanding gemaakt.

Dit alles komt uit Matteüs, Marcus en Lucas, de synoptische evangeliën. Maar het vierde evangelie, Johannes, bevestigt dit beeld. In hoofdstuk 4 spreekt Jezus met een Samaritaanse, hoewel het hoogst ongebruikelijk en ongewenst is om een gesprek met een vrouw aan te knopen. Aan het slot van dit evangelie is Maria Magdalena de apostola apostolorum, de apostel der apostelen, zij die de boodschap van Jezus’ opstanding aan de apostelen moet vertellen. Dit gegeven moet in die tijd schokkender geweest zijn dan een eventueel huwelijk van Jezus met Maria Magdalena.

In de eerste christengemeenten bood de charismatische setting vrouwen vele mogelijkheden. In de gemeente van Korinte voerden ze het woord bij het gebed en bij profetische uitingen. We krijgen geen scherp beeld van Paulus’ houding in deze kwestie. In 1 Korintiërs 11:5 schijnt hij deze vrouwelijke participatie in de samenkomst te accepteren, in 14:34 wijst hij het resoluut af.

Toch blijkt uit tal van gegevens dat vrouwen een belangrijke rol speelden in het zendingswerk en bij de organisatie van de eerste christelijke gemeenten. Paulus’ brieven bieden vaak lijsten van medewerkers en personen die gegroet moeten worden en daar zijn relatief veel vrouwen bij. Zie bijvoorbeeld Febe, die een functie had in de gemeente van de Kenchreeën (Romeinen 16:1).

Deze inzet heeft de kerk niet vastgehouden. De derde-eeuwse kerkvaders Tertullianus en Origenes laten weinig ruimte voor vrouwen in het kerkelijk en godsdienstig leven. De kerk groeit van plaatselijk georganiseerde, charismatische gemeenschappen naar een strak en centraal hiërarchisch geleid geheel waarin de (mannelijke) bisschop het laatste woord heeft. Als in de tweede eeuw de tegenbeweging van het montanisme opkomt, waarin het profetisme weer een duidelijke plaats krijgt, is het niet toevallig dat twee prominente figuren daarbinnen vrouwen zijn: de profetessen Priscilla en Maximilla.

In de gevestigde kerk was geen ruimte voor extatische profetessen, maar wel voor geleerde vrouwen die de Schriften bestudeerden, correspondeerden en zelfs boeken schreven. Aan het eind van de vierde eeuw verzamelde Hiëronymus in Rome een kring vrouwen om zich heen. Hij kreeg zelfs het verwijt dat hij in zijn correspondentie de voorkeur gaf aan vrouwen boven mannen. Ter verdediging stelde hij dat hij nu eenmaal meer vragen van vrouwen dan van mannen kreeg. De kring van Marcella bestond uit geletterde vrouwen die regelmatig bij elkaar kwamen en aan wie deze geleerde monnik zijn kennis kwijt kon. Ook uit de vierde eeuw stamt het reisverslag van Egeria, een non die haar pelgrimage naar het Heilige Land op papier zette.

Er was wel een eis: die van de maagdelijkheid. Hiëronymus was eigenlijk een vrouwenhater, die het huwelijk ternauwernood accepteerde, en dan alleen omdat het maagden kon voortbrengen. Het jodendom kent het ideaal van de maagdelijkheid niet. Het eerste gebod van de Schrift is immers om vruchtbaar te zijn, en de vrouw komt juist tot haar recht als echtgenote en moeder. Dat maakt het haar moeilijk, zo niet onmogelijk om haar intellectuele vermogens te ontwikkelen en in het openbare leven te participeren.

Voor de vrouw binnen de kerk van de eerste eeuwen ligt dat gunstiger. Maar het zou nog eeuwen duren eer mannen zouden accepteren dat geletterdheid en vrouwelijkheid elkaar niet per se uitsluiten.

Ik verwees boven naar Nederlandse moslimvrouwen van de tweede generatie die het niet langer accepteren dat het huis als hun eigenlijke plaats wordt gezien. Het is wat voorbarig om hen als representatief te beschouwen voor moslimvrouwen in de hele islamitische wereld.

Uit het boek ’Wie luidt de doodsklok over de Arabieren’ van Marcel Kurpershoek (2001) blijkt de hardnekkigheid van de ideeën die de moslimvrouw in haar tweederangspositie moeten houden. Kurpershoek haalt sjeik Djalaali aan die stelt dat de vrouw, vergeleken met de man, „over sterkere middelen beschikt om de gruwel van de ontucht uit te lokken”. Zo ongeveer zei ’Het testament van Ruben’ het tweeduizend jaar geleden al.

Ondanks alle mooie woorden, zeker van de islamitische apologeten in het Westen, komt het er volgens Kurpershoek nog steeds op neer dat de vrouw onder de man en in het huis hoort. En dat zei Philo van Alexandrië twee millennia geleden ook al. De nog steeds gezaghebbende en geciteerde moslimtheoloog Al-Ghazaali herhaalde in de elfde eeuw wat een aantal eeuwen eerder de Talmoed zei: de vrouw hoort thuis, bij het spinnewiel.

Moslims zouden nog eens kunnen overwegen of het wel zo gelukkig is juist op dit punt bij het talmoedische jodendom aan te sluiten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden