Een geschiedenis van hoop en wanhoop

1948 Ik ben soldaat in een commando-eenheid van het leger, de Vossen van Samson. We vechten in Jeruzalem en aan het Egyptische front. Tegen het eind van de oorlog raak ik zwaargewond. Die oorlog van 1948 is een etnische oorlog, waarin beide zijden etnische zuiveringen plegen. Toen is de basis gelegd voor een strijd die generaties gaat duren.

1958 Het is twee jaar na die ongelukkige oorlog van 1956, waarin we zij aan zij streden met twee vuile koloniale mogendheden, Frankrijk en Engeland, tegen de Arabische nationale beweging in plaats van de nationale Arabische beweging de hand te reiken. In de Israëlische maatschappij ontvangen we massa’s immigranten uit Noord-Afrika en de Arabische wereld. Maar we nemen ze niet echt op en creëren zo een kloof die tot de dag van vandaag niet gedicht is. Ik ben hoofdredacteur van Ha’olam Haze (Deze Wereld), een blad dat door het hoofd van de Israëlische veiligheidsdienst wordt gedefinieerd als ’vijand nummer één van het regime’. Want we bestrijden het bewind van Ben Goerion (de premier, red.) op alle gebieden. Diens hele model deugt niet: zijn weigering vrede te sluiten met de Arabieren; zijn definitie van Israël als een Joodse staat; het gebrek aan scheiding tussen religie en staat; zijn houding jegens de Arabische minderheid; eigenlijk alles. Er vinden drie bomaanslagen op de redactie plaats en een aanslag op mijn leven.

1968 Ik zit in het parlement en ben nog altijd hoofdredacteur van Ha’olam Haze. Ik zet me in voor de oprichting van een Palestijnse staat, het is een strijd die ik nog op de vijfde dag van de Zesdaagse Oorlog van 1967 ben begonnen met een open brief aan de premier, en die ik als parlementslid en journalist dagelijks voortzet. In dat jaar staan we voor de historische keuze om onmiddellijk vrede te sluiten met het Palestijnse volk en het in staat te stellen een eigen onafhankelijk vrije staat op te richten in de gebieden die we hebben veroverd. In plaats daarvan beginnen we een koloniseringsproject dat tot de dag van vandaag de vrede verhindert.

1978 Het jaar daarvoor heeft het volk gekozen voor een regering van de Likoed. Het brengt een interne omwenteling teweeg, waarvan het eind niet in zicht is, zowel wat betreft de kolonisatie van de bezette gebieden, als de strijd tegen de Palestijnen. Menachem Begin sluit vrede met Egypte alleen maar om die oorlog tegen de Palestijnen te kunnen voortzetten. Het is ook het begin van de grote economische privatisering die een ondraaglijke kloof creëert in de samenleving. Ik voer campagne tegen de regering van de Likoed, maar ik steun het vredesproces met Egypte. Hoewel ik een fel tegenstander ben van Menachem Begin, stem ik voor het akkoord met Egypte.

1988 Ik reis naar Tunis om Jasser Arafat te bezoeken. Ik heb hem al in 1982 ontmoet tijdens de oorlog in Libanon. Ik was de eerste Israëliër ooit die Arafat heeft ontmoet. In dat jaar begint de alliantie tussen de Likoed en de Arbeiderspartij die het politieke stelsel in Israël ruïneert, zozeer dat er nu geen verschil meer is tussen de partijen. Die zijn veranderd in vakbonden van bobo’s.

1998 Ik ben actief in Goesj Sjalom (Vredesblok) dat ik samen met mijn vrienden in ’92 heb opgericht. We demonstreren voor het Oslo-akkoord met de Palestijnen nog tijdens de regering van Jitschak Rabin en ook daarna. En we leveren fel strijd tegen het beleid van Netanjahoe. Israël verandert in een land zonder doel, zonder visie, dat niet in staat is te kiezen tussen oorlog en vrede, met een falende regering, impotent op alle gebieden, terwijl een klein aantal kapitalisten zich in die periode in sneltreintempo meester maakt van de samenleving.

2008 We zijn nu in een gevecht gewikkeld om de Israëlische publieke opinie. Die willen we ervan overtuigen dat er een partner voor de vrede is en dat we vrede moeten sluiten met alle delen van het Palestijnse volk, inclusief Hamas. We ijveren tegen het beleg van Gaza en voor een bestand. Laten we hopen dat we dit jaar nog veranderen in een land dat vrede wil en zich bevrijdt van het juk van het kapitaal en het militaire conglomeraat.

2018 Hopelijk heeft Israëlische volk dan genoeg van alle oorlogen en heeft het voor een regering gekozen die bereid en in staat is vrede te sluiten met het Palestijnse volk en de gehele Arabische wereld. En ik hoop dat we dan veranderd zijn in het land dat we van het begin af aan hadden moeten zijn: seculier, democratisch en progressief.

1948 Ik ben vijf jaar. Voor het eerst hoor ik de geluiden van ontploffingen en mijn woordenschat verrijkt zich met termen als explosie, vluchteling en zionisten. Mijn vader werkt als kelner in Jaffa, maar bij het uitbreken van de oorlog keert hij natuurlijk naar huis, terug naar Bethlehem. Ik herinner me dat ik met mijn moeder op het grote plein sta. Het staat daar vol mensen, kamelen en ezels. De vluchtelingen staan daar in hun traditionele kleren en wij, de inwoners van Bethlehem, moslims en christenen, brengen ze voedsel.

1958 Dit jaar is voor mij en mijn generatie letterlijk de vuurdoop. De Israëliërs vallen het naburige dorp Hoesan aan en doden tientallen soldaten van het Jordaanse leger. Veertien van hen komen hier uit de buurt. De herinnering is zo levendig. Ik loop met mijn schoolkameraden naar Hoesan. We zien een Jordaanse tank nog na smeulen.

1968 Ik ben commandant van Palestijnse strijders bij de slag van Karameh. Samen met Jordaanse soldaten vechten we tegen het binnengevallen Israëlische leger. Het is voor het eerst dat de Israëliërs zich terugtrekken met achterlaten van tanks. Vier jaar daarvoor was ik in Caïro mijn studie literatuur begonnen. Maar na de oorlog van 1967 geef ik mijn studie op om me bij het verzet te voegen. Ik had me al in 1964 bij Fatah aangesloten. Ik ben te jong om tot de oprichters te behoren, maar maak wel al vroeg deel uit van het leiderschap.

1978 Ik zit in Libanon. In 1970 zijn we door koning Hoessein uit Jordanië verdreven. We zijn toen uitgeweken naar Libanon. Ik ben verantwoordelijk voor de Fatah-organisatie in Zuid-Libanon.

1988 Het is vier jaar na mijn vrijlating uit het Israëlische gevangenkamp. De Israëliërs hadden me bij hun inval in 1982 in Libanon opgepakt. Maar ik kom weer vrij door een repatriëringsovereenkomst. Ik ga naar Algerije, waar het Palestijnse leiderschap zit, en daarna naar Jordanië. Spijtig genoeg zet Jordanië me uit.

De enige plek waar ik een visum voor heb is de VS. Mijn echte naam is Asad Abdel Kadr. De Amerikanen wisten niet dat dit dezelfde persoon is als Salah Tamari. Salah staat voor Saladdien, het is mijn bijnaam – het is normaal in de Arabische wereld een tweede naam te hebben. Tamari is de naam van mijn stam. Arafat wilde dat ik naar Amerika ging om daar de scheuring binnen Fatah te helen. Ik steun daar vandaan de intifada. Ik richt er ook een jeugdbeweging op, Roots.

1998 Ik ben weer thuis op de Westoever. Na de Oslo-akkoorden van 1994 ben ik er teruggekeerd en er sindsdien amper meer weggeweest. Ik word in het Palestijnse parlement gekozen en fungeer als minister van jeugd en sport. Ik heb ’Oslo’ van het begin af aan gesteund, niet omdat het recht deed, maar omdat het het leed kon verminderen. Ik dacht dat het een ommekeer kon zijn, waarna we onze geschillen verder door overleg oplossen. Ik heb mijn leven lang in vrede en coëxistentie geloofd en gedacht dat vrede onvermijdelijk is, of wij, Israëliërs en Palestijnen, dat nu willen of niet. Ik hoopte dat we, in plaats van te zeggen dat we ertoe veroordeeld zijn, zouden zeggen dat we gezegend zijn samen te leven.

2008 Ik woon nu in Bethlehem, mijn geboorteplaats en ben districtsgouverneur. Ik houd van Bethlehem. Ik geloof nog steeds in vrede, ook al glipt die van tijd tot tijd weg. Ik heb een zoon van zes en een drieling van drie. Ik ben in 1970 getrouwd met Dina, acht jaar geleden trouwde ik met mijn tweede vrouw. Als moslim kan je twee keer trouwen zonder te scheiden.

2018 Met een openhartoperatie en alle spanningen, denk ik niet dat ik dat haal. Ik hoop van wel. Ik hoop dat we dan onze eigen staat hebben en dat we hand in hand met de Israëliërs de uitdagingen van de toekomst tegemoet gaan. En dat we dan verder zijn met het helen van de wonden uit het verleden. Het is mijn hoop. Soms kan hoop een stuk realistischer zijn dan de realiteit.

1948 Het is het jaar van mijn vlucht uit Irak. Ik ben lid van de communistische ondergrondse beweging en ze zijn me op het spoor. Ik moet vluchten en heb zelfs geen tijd om afscheid te nemen van mijn vriendin.

Ik vlucht naar Iran met een uitnodiging op zak om naar de Sovjet-Unie te komen. Ik arriveer in Masjad, bij de grens van Iran met de Sovjet-Unie. Daar is de toegang voor Joden verboden en op de een of andere manier bekruipt me het gevoel dat als ik verder ga, ik er misschien niet meer uitkom. Ik bedenk me en keer terug naar Teheran waar ik me aanmeld voor de emigratie naar Israël.

Bij aankomst in Israël stort mijn wereld in. Ik kom met de traditie van de vijand, de taal van de vijand, zelfs de kleur van de vijand. Van een man die tot de middenklasse behoorde, ben ik ineens iemand die bereid is de straat te vegen om aan een boterham te komen.

Ik ben 23 jaar oud en ik begin mijn leven opnieuw op te bouwen.

1958 Mijn twee kinderen zijn geboren. De belangrijkste gebeurtenis in die tijd, naast het stichten van mijn gezin, is het ineenstorten van het communisme, de onthullingen van alle gruwelen die begaan zijn door een regime waar ik en mijn generatiegenoten zo hard voor hebben geknokt. Sommigen van mijn vrienden in Irak zijn opgehangen, omdat we droomden van een paradijs op aarde, dat een nachtmerrie bleek te zijn.

Een jaar lang loop ik er ziek van rond.

1968 Het jaar wordt gekarakteriseerd door de Zesdaagse Oorlog van 1967. Israël is opgeblazen tot een imperium. We veranderen van een belegerd land in een land dat de grond van anderen ophapt.

Het is de periode waarin ik overga van het schrijven in het Arabisch naar het schrijven in het Hebreeuws.

1978 Het ego van het imperium dat is opgestaan in het Midden-Oosten en ’het Grote Land Israël’ heet, valt in de Jom Kippoeroorlog van 1973 in diggelen.

De bezetting waart als een ziekte door Israël, maar de overwinning van Egypte komt als een enorme verrassing voor de Israëlische samenleving.

Tegelijkertijd is dit het decennium waarin ik me definitief als schrijver vestig. Ik publiceer vier romans die tot mijn verrassing een geweldig succes zijn.

1988 Mijn zoon is opgegroeid. Hij, de jongen die ik heb opgevoed als een jongen van vrede en hoop, is een strijder die deelneemt aan oorlogen en het onderdrukken van de intifada. Het bezorgt me slapeloze nachten.

Ik leer de echte angst kennen die ik nooit eerder heb gevoeld. Ik heb in mijn leven veel risico’s genomen, maar als je eigen kind gevaar loopt en doelwit is van vliegtuigen, bommen en kogels... dat wens ik niemand toe.

1998 De ontnuchtering van Israël begint. De intifada schudt ons wakker. Onze samenleving is gewelddadiger aan het worden.

Zelf ben ik nu een gevestigd schrijver, en ik ontvang drie eredoctoraten. Ik ben zelfs zo succesvol dat ik me kan veroorloven mijn werk bij de hydrologische dienst op te geven en alleen van mijn schrijverschap te leven.

2008 We zijn in een bizarre situatie beland. Enerzijds zijn we een economische grootmacht, met fantastische landbouw, een fantastisch onderwijssysteem.

Anderzijds heerst het gevoel van onrust. Dat bejubelde leger dat misschien het sterkste leger in het Midden-Oosten is, blijkt niet in staat om milities als Hamas en Hezbollah te verslaan.

Het is een verontrustende realiteit dat ons bestaan geheel gebaseerd is op de kracht van een leger dat niet in staat is milities te verslaan. De wereld kijkt toe en lacht zich krom.

2018 Ik wil dat cliché niet herhalen over de profetie die voorbehouden is aan de dwazen. Ik kan wel extrapoleren vanuit de huidige situatie. Vandaag de dag is het Midden-Oosten de gevaarlijkste regio voor alle inwoners. Israël is veranderd in de gevaarlijkste plek voor een Jood om te verblijven.

Het is niet alleen de confrontatie tussen Israël en de Arabische wereld, het gehele Midden-Oosten staat in brand, met misschien wel als heftigste strijd die tussen de sjia en de soenna. Rondom is geweld en in ons midden is geweld.

Ik weet niet hoe de situatie in 2018 zal zijn, maar ik ruik het in de lucht. Ik ben opgegroeid met de opkomst van het nazisme en heb geleerd om vuur te ruiken via enkele moleculen rook.

1948 Mijn moeder is zestien en woont in New York. Drie jaar later zal ze naar Israël emigreren en trouwt ze met mijn vader, haar neef. Mijn vader leert op een jesjiwe, een religieuze school. Zijn grootouders kwamen aan het begin van de eeuw uit Oost-Europa. Die van mij groeien op in het oude Jeruzalem, maar in ’48 wonen ze al in Mea Sje’arim, een wijk buiten de oude stadsmuren, die werd gezien als een soort pioniersnederzetting. Wij zijn nog altijd een religieus-chassidische familie met een zionistische basis. Onafhankelijkheidsdag is voor ons een belangrijke joodse feestdag.

1958 Ik ben drie. De Israëlische kant van de familie is ultra-orthodox en anti-zionistisch. Mijn ouders zijn religieus vrijer, mijn vader heeft gestudeerd, is hoofdredacteur van een blad, en schrijft poëzie en proza. Mijn moeder is musicus en wordt later een leidend religieus feministe. Vanaf ons balkon zie je op een heldere dag de Dode Zee en de heuvels van Moab. Ik houd er van leunend tegen de spijlen mezelf verhalen te vertellen. Vrijdagavond zitten we aan de feestelijke dis, altijd met gasten. Op zaterdag horen we het gejoel in het voetbalstadion. Bij een doelpunt klinkt het gescandeer: ’God bestaat!, God bestaat’!

1968 We zijn uitgezonden naar New York door mijn vaders weekblad. Vlak na de Zesdaagse Oorlog, onderweg naar Amerika, zijn we kort in Nederland. Ik fiets in Den Haag en zal nooit vergeten dat ik tegen een oudere vrouw opbots. Ze foetert me uit. In het Engels zeg ik dat ik haar niet versta, dat ik uit Israël kom. Ze begint te stralen. ’Israël’, zegt ze en omhelst me.

1978 Ik ben getrouwd en moeder geworden. De familie van mijn schoonmoeder woont al zeven generaties in het land. Die van mijn schoonvader is voor de oorlog uit Duitsland gevlucht. Hij groeide in Israël op en werd opperrechter. Toen ik trouwde was ik negentien, mijn man een half jaar ouder. We wonen in een Golan-nederzetting . Het is er gevaarlijk, met Syrische bombardementen en infiltraties van terroristen. Ik werk als onderwijzeres en publiceer in kinderkranten en schoolbladen.

1988 We wonen in Beth El, Samaria. Mijn man leidt de hoge jesjiwe op de Olijfberg in Jeruzalem. Ik werk in het onderwijs, schrijf en zorg voor onze zes kinderen.

We zijn er in ’82 komen wonen, een relatief rustige periode, maar in ’87 breekt de onvermijdelijke intifada uit. Radicale Palestijnen proberen met terreuracties de Joodse staat te verdrijven, eerst uit Judea en Samaria, daarna uit de rest van het Land Israël. De Arabieren waren er immers altijd van overtuigd dat de Joden net zo zijn als de kruisvaarders, de Turken en de andere volkeren die hier hebben geheerst. Ik begrijp ze, hun wil dat het Midden-Oosten – en daarna de hele wereld – islamitisch wordt, maar ik vind dat wij geen andere keuze hebben dan vol overgave vast te houden aan ons land. De Arabieren hebben 22 landen, de Joden slechts één klein stukje grond in het universum, en de Arabieren hebben al bewezen dat ze dat niet met ons willen delen.

1998 Al die tijd schrijf ik, kinderboeken, verhalen en columns. In 2004 verschijnt mijn roman die speelt tegen de achtergrond van het leven hier – de verhoudingen tussen seculieren en gelovigen, de oorlogen, de oprichting van de nederzettingen – van de jaren ’50 tot de moord op Rabin in 1995.

2008 Mijn man heeft een initiatief gelanceerd om de Arabieren van Judea en Samaria tot burgers te maken van Jordanië, en eindelijk, na vier generaties van ellende, de miljoenen Palestijnse vluchtelingen uit die verschrikkelijke kampen te halen, van waaruit ze slechts proberen de zionistische entiteit uit te vlakken. Israël bevindt zich nog altijd in zijn oprichtingsfase, mijn hart klopt samen met de staat. Vijf van mijn kinderen zijn getrouwd, ze wonen verspreid over het land. Ik ben bezorgd: drie van mijn zonen en twee van mijn schoonzonen dienen in gevechtseenheden. Het thuisfront is nog altijd een gevaarlijke plaats voor Joden.

2018 vloeit voor mij voort uit het heden. Ik houd van dit land, van het volk dat hier woont, van zijn taal. Ik wil nergens anders leven. Hier heeft mijn leven speciale betekenis, ben ik deel van de verwezenlijking van het visioen van de bijbelse profeten, een onontbeerlijke schakel in een aaneenschakeling van wonderen.

1948 Ik ben negen jaar oud en we wonen in Nahalal. We hebben een boerderij. Vader is in de Hagana (de voorloper van het Israëlische leger, red). Hij is amper thuis, net als de meeste jongemannen in het dorp. Bij het uitbreken van de oorlog vervult hij al tal van functies als bevelhebber. We zijn geheel op de hoogte en betrokken bij alles wat zich afspeelt. De manier waarop we leven heeft al alles van een staat, nog voor de staat er is. Ik herinner me het uitroepen van de staat en alle feesten.

Maar er zijn ook de verliezen. Een van de eersten die sneuvelt is de broer van mijn vader, Zorik. De dood is dichtbij. Ook vrienden van mijn vader komen om.

1958 Ik zit ik in de laatste periode van mijn diensttijd. Ik heb de rang van officier en ben verantwoordelijk voor de training van de nieuwe immigranten vlakbij Jeruzalem. Alles staat in het teken van de immigranten en hun opvang. Ook mijn moeder is daar mee bezig en richt Maskit op, een bedrijf waar immigranten hun zelfgemaakte producten kunnen verkopen.

Mijn vader keert na zijn opperbevelhebberschap terug naar zijn studies en komt op politieke functies terecht. Ikzelf schrijf al, en in ’59 komt mijn eerste roman uit, ’Ik slaap met mijn geweer’.

1968 Het is eigenlijk in alle opzichten nog 1967, de Zesdaagse Oorlog. Ik werk bij de legerwoordvoering en ben gedetacheerd bij het hoofdkwartier van Ariël Sjaron. We zitten aan de grens met Egypte in het zuiden en zitten eigenlijk te wachten. Er heerst onrust, een wil om te vechten en een volledig vertrouwen dat we zullen winnen. De periode na de oorlog is nog vol enthousiasme over de mogelijkheden tot vrede, we leven met de gedachte dat dat de uitkomst van de oorlog is. Ik trouw dat jaar met Dov Sion die ik tijdens de oorlog aan het front heb ontmoet. Hij was de verbindingsofficier van Sjaron. Na de oorlog wordt Dov benoemd tot militair attaché in Frankrijk, België en Nederland. We gaan in Parijs wonen. Eind 1968 wordt onze zoon geboren.

1978 We zitten midden in de vredesgesprekken met Egypte. We zijn zeer betrokken. Door mijn vader, die een centrale rol speelt, op geheime missies gaat en die het vredesoverleg in Camp David voert. Maar ook via mijn man: Dov staat aan het hoofd van de commissie voor de betrekkingen met buitenlandse legers. Dat bevatte in het begin vooral Nederland en de Scandinavische landen, maar daarna ook de betrekkingen met de Egyptische strijdkrachten. Hij wordt hoofd van het Israëlisch-Egyptisch team dat verantwoordelijk is voor de uitvoeringen van het vredesverdrag met Egypte. We hebben dan al twee kinderen en wonen in Tel Aviv. Ons leven draait om de vrede met Egypte, en ook de eerste bezoeken aan dat land.

1988 Al die tijd is er natuurlijk het schrijven, zes romans en twee non-fictie boeken. Mijn vader is in ’81 overleden en ik schrijf het boek ’Mijn vader, zijn dochter’. Ik ben politiek actief, vooral in vredesgroeperingen.

1998 Ik zit in de Knesset, het parlement, voor de Arbeiderspartij. Ik zet me in voor de mensenrechten en in dat kader ook voor de rechten van de vrouw en de homolesbische gemeenschap. Ik dien enkele belangrijke wetsvoorstellen in: de wet tegen seksuele intimidatie, de wet voor gelijkheid van de vrouw, wetten tegen geweld binnen de familie.

2008 Ik ben op dit moment locoburgemeester van Tel Aviv-Jaffo en houd me de afgelopen maanden zeer intensief bezig met de opvang van de vluchtelingen uit Afrika, uit Soedan en Eritrea. Ik zet me in voor een humanitaire behandeling. En ik ben verantwoordelijk voor de sociale diensten in de gemeente. De situatie in Israël is ver van de hoop die ik tientallen jaren geleden koesterde. Maar het is nog niet verloren. Dat wat we jaren geleden predikten is nu doorgedrongen in het bewustzijn. Er wordt nu gepraat over een Palestijnse staat en het beëindigen van de bezetting en het ontruimen van de nederzettingen.

2018 Als er geen vrede komt, is dat een ramp. Als alles – al ver vóór 2018 – niet leidt tot het besef dat verzoening tussen ons en de Palestijnen en Syrië een noodzaak is, vallen we jaren terug. Dan moeten we alles opnieuw beginnen.

Anno 2008 telt Israël ruim zeven miljoen inwoners, van wie volgens het Israëlische CBS 75 procent Joden en twintig procent Arabieren. Daar zijn de ruim vierhonderdduizend Joden die in Oost-Jeruzalem en de nederzettingen wonen bij inbegrepen, maar niet de 1,5 miljoen Palestijnen in de belegerde Gazastrook en de 2,5 miljoen Palestijnen op de bezette Westoever.

De afgelopen zestig jaar zijn er drie miljoen Joodse immigranten gearriveerd, maar intussen is 69 procent van de bevolking in Israël geboren. Van de Israëliërs woont 92 procent in een stedelijke omgeving, minder dan 2 procent woont in een kibboets. In 1948 was dat 6 procent. De gemiddelde leeftijd is 28,2 jaar.

Jeruzalem is de armste stad van het land.

De afgelopen zestig jaar zijn er 31 regeringen geweest. Israël staat nummer vier op de lijst van wapenexporteurs, en nummer twee, na de VS, in registratie van patenten. De hightech floreert, maar de eens egalitaire samenleving is veranderd in een kapitalistische maatschappij met een grote economische en sociale kloof.

Israëliërs zijn fervente theaterbezoekers, gretige boekenlezers en kampioen barbecuen. Vandaag zal Tel Aviv dan ook gehuld zijn in een geurige walm.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden