Een genie is joods óf protestant

JERUZALEM (ANP) - Stel: Albert Einstein had zijn gehele jeugd gesleten op een autoritaire rooms-katholieke school. Had hij dan ook de relativiteitstheorie ontdekt en in 1922 de Nobelprijs voor de natuurkunde in de wacht gesleept? Die kans was in ieder geval een stuk kleiner geweest, denkt de Amerikaanse econoom John Hulley.

Een joodse of protestantse omgeving werkt stimulerend op het ontluikende genie van een toekomstige briljante natuurwetenschapper, heeft de in Jeruzalem woonachtige Hulley ontdekt. Een rooms-katholieke, socialistische, islamitische of boeddhistische cultuur remt de ontwikkeling van een aanleg voor de bèta-vakken volgens hem alleen maar.

Voor Einstein zag het er dus gunstig uit. Als joodse jongen verruilde hij op zestienjarige leeftijd een Duitse rooms-katholieke school, waar hij de slechtste van de klas was, voor de protestantse Technische Hogeschool in Zürich. Een strak keurslijf maakte plaats voor een omgeving waarin zijn genialiteit tot ontplooiing kon komen.

Hulley kwam tot zijn frappante bevinding door de winnaars van de verschillende Nobelprijzen voor de natuurwetenschappen naar religie onder te verdelen. Maar liefst 64 procent van de winnaars tussen 1901 en 1990 bleek een protestantse achtergrond te hebben, 22 procent een joodse, 11 procent een rooms-katholieke en 3 procent een andere.

Het merendeel van de joodse winnaars en een enkele rooms-katholieke groeiden bovendien op in een protestantse omgeving. Geen van de protestantse wetenschappers kwam uit een grotendeels rooms-katholiek land. Sterker: iedere in meerderheid protestantse staat met meer dan drie miljoen inwoners heeft ooit een Nobelprijs voor de natuurwetenschappen in de wacht gesleept. Veel rooms-katholieke landen is die eer daarentegen nog niet te beurt gevallen. Wanneer de statistieken rekening houden met de omvang van de verschillende bevolkingsgroepen, wordt het plaatje nog opmerkelijker. Terwijl minder dan 1 procent van de wereldbevolking joods is, winnen joodse wetenschappers toch 22 procent van de bèta-Nobelprijzen. Dat maakt dat joodse onderzoekers vijf keer zo kansrijk zijn als hun protestantse collega's, die op hun beurt weer tien keer zoveel kans maken op het podium in Stockholm gelauwerd te worden als hun katholieke vakgenoten.

Hulley zoekt de verklaring voor zijn bevindingen in de aard van de verschillende godsdiensten. Het rooms-katholicisme is volgens hem een strak georganiseerde godsdienst waarin vroeger alleen de geestelijkheid de bijbel mocht lezen.

Zowel het jodendom als het protestantisme stellen juist het zelfstandig bestuderen van de religieuze teksten centraal. De kerk- en synagogeganger wordt hierdoor gestimuleerd een individuele mening te hebben, de waarheid te zoeken en met predikant of rabbijn van gedachten te wisselen.

Hulley onderstreept echter dat het niet om de religie van de wetenschapper gaat, maar om de aard van de maatschappij waarin hij opgroeit. De gemiddelde bèta-wetenschapper, zegt hij, is areligieus en zeer individualistisch. Hij gedijt niet goed in een overwegend katholieke, hiërarchisch georganiseerde maatschappij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden