Review

Eén geloof, één wet, één koning

Hoe benauwend het klimaat kan zijn in een samenleving die de tolerantie heeft uitgeroepen tot absolute waarde, ondervond de columnist Gerry van der List nadat hij zich afkeurend had uitgelaten over het exhibitionisme van homo's in de gay-parade door de Amsterdamse grachten.

De teneur in de verontwaardiging over de spotlustige column in de Volkskrant was dat Van der List zich schuldig had gemaakt aan onvergeeflijke intolerantie jegens een kwetsbare groep. Opvallend was dat deze verontwaardiging zich uitte in intolerantie jegens de columnist. Lezers riepen de hoofdredactie op hem de toegang tot de kolommen te verbieden. Het Meldpunt discriminatie, de instantie die toezicht houdt op de naleving van de anti-discriminatiewet, verzocht Justitie om een onderzoek naar de strafbaarheid van Van der List wegens discriminatie. Tijdens dat onderzoek ontbood de politie hem op het bureau voor een verhoor.

Het Meldpunt wekte met zijn actie de indruk Van der List te willen muilkorven. Elke onbevangen lezer kon van meet af aan weten dat van discriminatie hoegenaamd geen sprake was. Hoewel Van der List het wellicht wat al te beeldend had opgeschreven met zijn fantasieën over het grote blote hoofd van Pim Fortuyn tussen een paar behaarde billen, kon er geen misverstand over bestaan dat zijn grief alleen het gedrag van de homo's in de grachtenparade betrof, niet hun aard.

Tolerantie is de maatstaf geworden waarmee de intolerantie van anderen kan worden geïdentificeerd èn gebrandmerkt. De bejegening die Van der List ten deel viel, is volgens de Franse filosoof Alain Finkielkraut typerend voor de verborgen 'gewelddadigheid' van mensen die menen de waarheid omtrent menselijke relaties in pacht te hebben. Dezelfde gewelddadigheid bespeurt hij in een uitspraak van de Franse Europarlementariër Daniel Cohn-Bendit, destijds één van de leiders van de Parijse revolte van 1968, over het politieke debat over het homohuwelijk. ,,Dat hele debat slaat nergens op'', zei Cohn-Bendit. ,,Onze afgevaardigden worden niet betaald om zich druk te maken over flauwekul. Het is ronduit bespottelijk tegen het homohuwelijk te zijn.''

Op de ploertige wijze die volgens Finkielkraut tekenend is voor het cynisme van deze tijd, verklaart de groene politicus hier met één streek al zijn opponenten buiten de politieke orde. Finkielkraut hekelde deze vorm van arrogantie enige tijd geleden in een lezing voor de Rotterdamse Kunststichting over de 'terreur van de tolerantie'. Ook hij beschreef daarin de verrassende paradox hoe een onverdraagzame sfeer kan ontstaan in een samenleving die verdraagzaamheid tot absolute waarde heeft uitgeroepen.

De tolerantie dankt die hoge status aan het streven naar een maatschappij waarin iedereen gelijkwaardig moet kunnen samenleven. Daardoor laden mensen die nog wèl onderscheid maken, zoals de tegenstanders van het homohuwelijk, de verdenking van intolerantie op zich. Zo is onder invloed van dat op zichzelf loffelijke streven naar gelijkwaardigheid, volgens Finkielkraut een benauwend en conformistisch discussieklimaat ontstaan, beheerst door de angst voor 'homofoob', vrouw-onvriendelijk, racistisch of intolerant door te gaan. Finkielkraut: ,,Op de brandstapel met alle vrouwenhaat, homofobie, xenofobie en racisme! Dat is het devies van onze tijd en niemand durft er iets tegenin te brengen. De universele verdraagzaamheid verdraagt alleen zichzelf.''

Finkielkrauts collega-filosoof Theo de Wit spreekt van 'de geslotenheid en zelfgenoegzaamheid' van de politieke correctheid. In zo'n klimaat worden tegenstanders van het homohuwelijk ogenblikkelijk als homofoob gediskwalificeerd, ontstaat de agressieve vijandigheid die Cohn-Bendit toonde en wordt ook elke blijk van afkeuring tussen burgers als discriminatie veroordeeld, zoals Gerry van der List ondervond.

De breekbaarheid van tolerantie in een samenleving waarin iedereen de vrijheid heet te hebben om zijn leven naar eigen goeddunken in te richten, werd ook in september 1992 in de Alblasserwaard zichtbaar. In het dorpje Streefkerk, met overwegend orthodox-gereformeerde inwoners, deed zich één geval van polio voor. Ogenblikkelijk zien de Streefkerkers zich geconfronteerd met een massale, agressief-vijandige publieke opinie. Verslaggevers overspoelen het dorp en slaan verwonderd de vreemde wereld van de 'zwaren' gade. De Telegraaf belt aan bij het huis van het slachtoffer en noteert: ,,Achter het raam vertoont zich een onschuldig, blond meisje met een paardenstaart dat lacht en nog van niets weet.''

De roep om gedwongen inenting van alle kinderen met weigerachtige ouders is niet van de lucht. De voorstanders van dwang voeren aan dat de bescherming van het kind van een hogere orde is dan de eerbiediging van de religieuze overtuiging van de ouders.

Dat argument strookt met de hoofdregel in de heersende, liberale opvatting over de grenzen van de persoonlijke vrijheid. Die regel luidt dat iedereen vrij is te doen en te laten wat hij wil, zolang hij geen schade toebrengt aan anderen. In dit geval is een beknotting van de religieuze vrijheid van ouders gerechtvaardigd. Ze hebben hun nageslacht en medeburgers blootgesteld aan het risico van lichamelijke schade, door hun kinderen bescherming tegen het poliovirus te onthouden.

Op het eerste gezicht is dat een logische redenering. Toch valt er iets op af te dingen. Uit het gezichtspunt van de ouders zèlf hebben zij hun kinderen juist schade bespaard door ze niet te laten inenten. Vaccinatie is ten diepste in strijd met de religieuze overtuiging waarin zij hun kinderen willen opvoeden. Niet alleen is de mens hoovaardig als hij probeert invloed uit te oefenen op Gods voorbeschikking, ook gaat het niet aan om het eigen lichaam met ziektekiemen te besmetten. Zij zien een parallel tussen inenting en 'ingrepen in de voorzienigheid' als abortus en euthanasie. De overeenkomst is dat alle drie daden zijn waarmee mensen autonomie tegenover God nastreven, in hun ogen een grote zonde.

Voorstanders van gedwongen vaccinatie gaan eraan voorbij dat de orthodox gereformeerden deze dwang ervaren als vergaande intolerantie jegens de levensovertuiging die het fundament vormt onder hun bestaan en dat van hun kinderen. In het publieke debat rond polio valt bij de aanhangers van dwangmaatregelen de volkomen desinteresse voor de zeden en gewoonten van de orthodox gereformeerden op. ,,Geen dialoog, geen open gesprek, maar een neerbuigende bejegening'', schrijft prof. dr. P. F. Maas in het boekje Parlement & polio over de minachting die hen ten deel viel.

Maas, hoogleraar parlementaire geschiedenis in Nijmegen, staat als katholieke sociaal-democraat ver af van de leefwereld van de orthodoxen. Toch krijgt hij tijdens zijn onderzoek naar de omgang van de politiek met polio gaandeweg begrip voor de anti-moderne, gesloten subcultuur van 'Staphorst' en haar klederdracht, traditie van volksgerichten en zwarte-kousenkerken die wezensvreemd zijn aan de rationaliteit van de geseculariseerde samenleving. Hij concludeert: ,,Een democratie is pas haar naam waardig als zij ruimte laat voor de subculturen van minderheden.''

Kars Veling, Eerste-Kamerlid voor het GPV, meent dat hoewel gereformeerden en islamieten tegengestelde uitersten in het geloof vertegenwoordigen, hun lot in één opzicht is verknoopt. Beide groepen ondervinden wat het betekent om als religieuze minderheid te verkeren in een cultuur die haaks staat op de eigen zeden en gewoonten. Ofschoon zij wegens hun behoudende, absolute opvattingen over moraal als 'intolerant' te boek staan, wordt hun vermogen tot tolerantie dagelijks beproefd in een omgeving die aanstoot geeft.

Veling: ,,Wie buiten de hoofdstroom staat ervaart dag in, dag uit dat tolerantie een pijnlijk kantje heeft. Het behoort tot het wezen van verdraagzaamheid dat je iets van een ander accepteert, óók als het strijdig is met jouw overtuiging.'' Tolerantie is gemakkelijk voor wie behoort tot de culturele meerderheid, meent Veling. ,,Hij vindt immers wat de meesten vinden. Hij staat voorop een schip en constateert tevreden dat hij keurig tussen de beide helften van de boeggolf doorvaart.''

Verdraagzaamheid die iemand daadwerkelijk op de proef stelt, zegt de GPV-senator, wordt gevergd van degene die hecht aan zijn afwijkende levensstijl en niettemin loyaal wil zijn aan de Nederlandse publieke orde. Ook de Utrechtse filosoof Theo de Wit meent dat het vermogen tot een terughoudende omgang met de eigen overtuiging in de relatie tot anderen, hèt kenmerk van de ware tolerantie is. De Wit, docent aan de Katholieke Theologische Universiteit in Utrecht, betoogt dat in het een dezer dagen te verschijnen boek Het einde nabij?

De Wit beschrijft aan de hand van de 'tolerantiecurve' van zijn Franse collega Paul Ricoeur hoe de verdraagzaamheid zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld, om te beginnen met het Edict van Nantes (1598). Dat verdrag, waarin de katholieke koning Hendrik IV de protestantse hugenoten godsdienstvrijheid verleende, markeert de historische breuk met het beginsel 'één geloof, één wet, één koning'.

De twee christelijke confessies die onder het regime van het edict samenleefden in één politiek verband, deden dat tegen hun zin en met wederzijdse verkettering. De acceptatie van het pluralisme is de volgende, beslissende stap die in de ontwikkeling van verdraagzaamheid wordt gezet. Hoewel in deze fase niemand eraan twijfelt de waarheid in pacht te hebben, erkent hij niettemin het recht van de ander overeenkomstig diens eigen waarheid te leven.

De verdraagzaamheid bereikt haar climax, in de redenering van De Wit, als mensen zichzelf toestaan te twijfelen aan hun eigen waarheidspretenties en rekening houden met de mogelijkheid dat de ànder de waarheid aan zijn kant heeft. Deze levenshouding stelt hen in staat tot de relativering van de eigen overtuiging die de ware tolerantie vereist.

Het keerpunt dat we volgens De Wit in deze tijd beleven, is dat tolerantie omslaat naar onverschilligheid, onder het motto: ,,Ik keur alle levenswijzen goed, mits ik er geen last van heb. Leve het verschil!'' Eén kenmerk van deze omslag is dat tolerantie niet langer een persoonlijke deugd is of een ascetische houding tegenover de eigen overtuiging. Een tweede kenmerk is dat waarheid een relatief begrip is geworden. Er ìs geen waarheid meer, nu ieder voor zich bepaalt wat waar is. Gedeelde waarden verdwijnen in zo'n samenleving, om plaats te maken voor subjectieve, individuele voorkeuren.

In zo'n sfeer van waardenrelativisme is verdraagzaamheid volgens De Wit teruggebracht tot een technische regeling voor het zo ongestoord naast elkaar bestaan van narcistische individuen. En geldt een programma als Sex voor de Buch als de hoogste vorm van tolerantie. Ook Herman de Dijn, hoogleraar filosofie in Leuven, meent dat met de onverschilligheid die de plaats van verdraagzaamheid heeft ingenomen, de seksuele ethiek in het niets is opgelost.

Volgens De Dijn dreigt elke ethiek taboe te worden in het privédomein, voor zover daar althans nog sprake van is in een culturele atmosfeer waarin mensen hun intiemste seksuele verlangens op tv met miljoenen kijkers delen. Elke beperking van de individuele willekeur wordt als ondraaglijk aangevoeld. ,,Wat er binnen het privéleven gebeurt is strikt zaak van het eigen goeddunken van het individu. Vandaar dat sommigen zelfgewilde euthanasie bijvoorbeeld niet langer kunnen begrijpen als een ethisch probleem'', schrijft hij. ,,En vandaar het onbegrip bij velen voor het behoud van wettelijke beperkingen van blasfemie, pornografie en zelfs abortus.''

De onverschilligheid komt volgens hem vaak tot uitdrukking in een hautaine, cynische distantie. ,,Dit cynisme uit zich zowel in een wantrouwen tegenover alles wat nog een bepaald appèl uitoefent en tegenover iedereen die nog iets vertegenwoordigt of voorstaat, als in een spotten met de stupiditeit van de massa.''

Zonder types als Paul de Leeuw, Theo van Gogh of Youp van 't Hek overigens te noemen, constateert hij dat de cynicus die altijd wel een manier vindt om alles en iedereen te demystificeren, in onze samenleving ongekend populair is en zelfs bewondering opwekt. Achter dat cynisme gaat ontevredenheid met zichzelf schuil, meent De Dijn. ,,De cynicus merkt niet de blinde vlek in de eigen hautaine, vernietigende blik: zij getuigt van de onbekwaamheid in te zien dat het eigen cynisme slechts een nieuwe, steriele versie is van een soort verlangen naar (zelf)beheersing en veiligheid dat alleen maar tot diepe frustratie kan leiden.''

Jos de Beus, hoogleraar politieke wetenschappen in Amsterdam, ontwaart de onverschilligheid die voor verdraagzaamheid doorgaat in de minderhedenpolitiek die Nederland voert. Ook die politiek komt volgens hem neer op een technische regeling voor het ongestoord naast elkaar bestaan van een toevallige verzameling monoculturen, en niet op de totstandkoming van een waarlijk multiculturele samenleving.

De Beus weet Anil Ramdas aan zijn zijde. Deze publicist heeft een en andermaal gewezen op de afwezigheid van menselijke, rijke en onconventionele beelden van de migrant annex vreemdeling in de Nederlandse literatuur. Er bestaat volgens Ramdas geen grote multiculturele roman en evenmin een echt plurale, hoge cultuur in andere kunsten, in de wetenschap of in de publieke opinie. Ook multiculturele vriendschappen, huwelijken, bedrijfsbesturen en verenigingen blijven een uitzondering.

De 'cultus van vermijding' gaat volgens De Beus samen met een desinteresse in de wezenlijke, wellicht onoverbrugbare verschillen tussen de etnische culturen. Ook GPV-senator Veling meent dat tolerantie nogal eens wordt verward met onverschilligheid voor cultuurverschillen. Typerend vindt Veling het herhaaldelijk geopperde idee om tweede paas- of pinksterdag uit te roepen tot een multiculturele feestdag. Hoe ruimdenkend dat idee ook overkomt, niet-christelijke gelovigen zullen het als beledigend ervaren. ,,Zij vragen vrije dagen voor hun eigen religie, zij krijgen een multiculturele feestdag'', spot Veling.

Door de cultus van vermijding is het èchte probleem van tolerantie uit beeld geraakt. Wat moet er gebeuren als groepen of individuen met elkaar samenleven die radicaal tegengestelde waarden aanhangen?

Als alternatief voor vermijding bepleit De Beus daarom een 'confrontatiepolitiek' waarin de dragers van de culturen in de Nederlandse samenleving interesse voor elkaar tonen, met elkaar in debat gaan, ook wederzijds hun verschillen accepteren èn veroordelen als zij dat nodig vinden. Zij moeten volgens De Beus onderkennen dat een waarlijk multiculturele samenleving niet het 'fleurige boeket' is waarvoor zij in de romantische beeldvorming wordt gehouden.

,,Mijn intuïtie zegt dat dit bloemstuk ofwel helemaal niet bestaat ofwel niet bereikbaar is zonder innerlijke en uiterlijke worsteling. In mijn confrontatievisie is de multiculturele samenleving een bron van verrijking en prestatie die officieel geprezen mag worden. Maar zij is ook ingewikkeld, kwetsbaar en permanent omstreden'', schrijft De Beus. ,,Men moet aan de ene kant toenadering zoeken tot vreemdelingen om te kunnen samenleven en aan de andere kant afstand scheppen om zichzelf te kunnen blijven.''

Hoe ingewikkeld de multiculturele samenleving kan zijn, blijkt bij een nadere beschouwing van De Wits pleidooi om aan de hand van de maatstaf van het 'onduldbare' grenzen te stellen aan de tolerantie. Tot het onduldbare rekent De Wit schade die aan anderen wordt toegebracht, in het bijzonder kwetsbare anderen zoals kinderen. De verwijdering van de clitoris bij jonge meisjes om religieuze redenen lijkt onherroepelijk tot deze categorie te behoren. Niettemin liet het voorbeeld van de inenting tegen polio zien dat het morele dilemma daarmee nog niet één, twee, drie is opgelost.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden