Een gedicht valt je toe

,,Ziet u niet dat ik op mijn twintigste en halverwege mijn dertigste en nu steeds hetzelfde heb proberen op te vangen? Een omgehakte boom zegt toch ook niet dat zijn binnenste ring minder boom is dan zijn buitenste?'' De dichter Willem Jan Otten wil van slechter of beter niet weten; zijn vroege werk is anders.

'Nee, ik heb in mijn poëzie niet veel geleerd.'' Met deze woorden begint de dichter, essayist en romancier Willem Jan Otten het gesprek over zelfkritiek.

Een lastig begin, we hebben afgesproken aan de hand van de pas verschenen bundel 'Op de hoge' te spreken over zijn nieuwe gedichten, over zijn ontwikkeling als dichter, over zelfkritiek, maar telkens als er eventuele verbeteringen ter sprake komen, stokt het gesprek. ,,Ik vind mijzelf niet vooruitgegaan. Sterker nog, ik vind het gevaarlijk om in termen van vooruitgang over mijzelf te denken.''

Waarom? Heeft Otten geen kritiek? Die gedachte is te eenvoudig. Hij geeft volmondig toe schatplichtig te zijn aan Chris J. van Geel. ,,Mijn vroege gedichten kwamen nog niet uit mijn eigen keel. Pas met de vierde bundel 'Ik zoek het hier' uit 1980 heb ik het idee dat mijn poëzie echt eigen geworden is.''

,,Maar is mijn huidige poëzie daarom beter? Voor alle duidelijkheid: ik ben niet bescheiden. Als u over zo'n nieuw gedicht zegt dat het mooier is, dieper, dat het meer openbaart dan mijn oude gedichten, vervult dat mij met trots. Ik geef u heimelijk gelijk. Ik hoor graag dat ik drommels diepzinnig ben en dat er in mijn poëzie een hoop aan de oppervlakte kan worden gebracht. Alleen, is die poëzie daarom beter geworden?''

,,Nu ik zo terugblader - dat doe ik zelden - zie ik dat ik dertig jaar geleden ervaringen probeerde te vangen die ik nog steeds heb. Neem een van mijn eerste strandgedichten:

Een zandstraal wind in de rug,

ergens tussen de badweg en Het Hon

het strand een aftelrijm van palen.

Waar de zee nog dun is als een pink

rollen strandlopertjes als biljartballen

over het laken van het water,

overrompeld soms door zeeschuim.

En waar het duin verzandt

Ontstaan om wrakhout, flessen, banden,

nieuwe duinen, niet hoger dan mijn hiel,

en tussen duin en water: wij,

onze stappen ongeteld, het is de wind

die ons doet lopen.

Uit: Willem Jan Otten: 'Een zwaluw vol zaagsel' (1973)

,,In Nederland hebben we weinig grenzen, gebieden waar wij eindigen en iets anders begint. Voor mij is vooral de grens tussen land en zee belangrijk, ik ben in mijn landschap verankerd. Lopen op de rand van het land, waar 'het duin verzandt' en bijna niets meer is, heeft iets van een spel: wij zwermen zo graag over verlate stranden omdat we ons alleen op zo'n grensgebied kunnen inbeelden dat we ooit niet meer bestaan, in een gebied terechtkomen waar niks meer is. Maar ondertussen zijn we juist hartstikke bestaand, want alleen bestaand kunnen we ons op zo'n grens begeven.''

,,Zo'n uitleg zou ik in '71, toen ik het gedicht maakte, nooit gegeven hebben. Ik stierf liever dan dat ik grote woorden zou gebruiken als 'verlatenheid', 'afhankelijkheid', 'onbestaand'. Er bestond een taboe op gevoelswoorden, want die maken je zintuigen overbodig, waardoor je lui wordt. Een gedicht moest frapperen, zichtbaar zijn. De lezer moest kunnen zien wat ik gezien had. Het beeld van een strandlopertje, dat als laatste vertegenwoordiger van het leven op de rand van het water nog iets voor elkaar krijgt, is objectief te controleren. Mijn gedichten waren ansichtkaarten van aantoonbare beelden.''

Moet een gedicht niet wat meer zijn dan een ansichtkaart?

,,Als ik dit gedicht zo lees, ben ik eerst even teleurgesteld dat er alleen maar lijkt te staan wat er staat. Maar dan zie ik dat het weldegelijk dezelfde grenservaring bevat die ik sindsdien regelmatig ben blijven vertolken. En met de opvattingen die ik toen koesterde, kón ik deze ervaring alleen maar zo verwoorden. Dit gedicht omvat wat ik op mijn twintigste aan poëzie op te brengen had. Ik beschouw mijn eigen werk als een vertolking van poëtische ervaringen die eigenlijk niet veranderen, en die bij mij steeds opnieuw poëzie veroorzaken.''

Begrijp ik het goed dat u geen poëzie maakt, maar dat er in u poëzie gemaakt wordt?

,,Gedichten zijn niet het resultaat van wat ik mij voorneem te schrijven. Een gedicht komt in mij op, zoals een afbeelding aan het licht wordt gebracht in een donkere kamer. Om nog een vergelijking te gebruiken: een vrouw heeft een eindig aantal eicellen, en elke eisprong kan een kind worden. Zo heb ik een aantal poëtische momenten toegemeten gekregen, en een van de zonden die ik heb begaan, is dat ik geregeld met mijn rug naar die momenten ben gaan staan.''

Is het te tonen dat u zo'n poëtisch moment heeft laten liggen?

,,Natuurlijk niet. Ben ik met mijn rug naar zo'n moment gaan staan, dan leverde dat dus geen gedicht op. Er zijn jaren geweest dat ik weinig poëzie schreef. Ik beschouw de jaren met poëzie als de gebenedijde jaren, jaren waarin ik kansen kreeg.''

Die vermaledijde jaren, heeft u daar kritiek op?

,,Nee. Ik kan alleen maar Borges citeren: 'Ik beken dat ik de grootste zonde heb begaan: ik ben niet gelukkig geweest'. Ik heb de neiging anti-poëtisch te leven. Als ik te veel nadenk over mijn naam en faam als schrijver, te veel aan het netwerken ben om mijn beroemdheid in stand te houden, mij zorgen maak over prijzen die ik niet gekregen heb, lijstjes waarop ik al dan niet voorkom, ja, dan komt er geheid geen gedicht.''

Daarom heeft u op een gegeven moment besloten niet meer mee te dingen naar literaire prijzen.

,,Dat was een poging te ontsnappen aan de blik van het publiek, om niet zozeer door hun ogen naar mijzelf te kijken. Zo probeerde ik van binnenuit mijn ontvankelijkheid te dienen. Maar het werkte niet, ik dacht alleen aan hoe hoogstaand het van me was niet mee te dingen.''

Het is dus niet zo dat u met de jaren betere poëzie schrijft, maar het is wel zo dat je beter kunt leven, opdat er poëzie ontstaat?

,,Het wordt steeds moeilijker om voor de poëzie te leven. Je kunt proberen onverstoorbaar te leven, als een monnik. In goede periodes ben ik moeiteloos tevreden met discipline, dan leef ik zo dat ik het gevoel krijg dat er door mij heen gewild wordt.''

,,Laat ik een vergelijking maken met de mystiek, als dat geoorloofd is voor een a-mystisch iemand als ik. Het erfprobleem van de mystiek is dat van de ontvankelijkheid, van de genade. De hele pedagogiek van het geloof draait erom dat je moet loslaten om te krijgen, sterven om te leven, derven om te beërven. Bij poëzie is het net zo: van mijn essays of romans ben ik vrijwel alles vergeten maar van elk gedicht dat ik geschreven heb, herinner ik mij dat ze een uitdrukking waren van een zekere ontvankelijkheid. Het niet te kopen ding van de poëzie is ontvankelijkheid; eigenlijk valt een gedicht je alleen toe als je niet aan poëzie denkt.''

Terug naar de poëzie. Zeventien jaar na zijn debuutbundel publiceerde Willem Jan Otten 'Paviljoenen'. Poëzie uit de gebenedijde jaren tachtig: ,,Misschien bevat die bundel wel mijn beste werk. Een vlinder zou kunnen zeggen dat hij als pop op z'n best was.''

Otten pakt de verzamelbundel 'Eerdere gedichten' van tafel, waarin 'Paviljoenen' is opgenomen. Hij zoekt een gedicht, bladert, heeft het gevonden. Het is een kort gedicht over dezelfde strandervaring:

Op vereffend worden staat verstuiven,

langs de vloedlijn enkels striemen,

zoeken naar het haakst geplante

haagje riet, de niet te troosten

linker-adidas, de stilste flesseziel

om tegen neer te slaan tot korrel

Ithaka.

Uit: Willem Jan Otten: 'Paviljoenen' (1991)

,,In die bundel had ik de mythe van Odysseus en Penelope net ontdekt, het verhaal van de man die eindeloos lang onderweg is, en de vrouw die tijdens het eindeloze wachten op haar man nauwelijks in staat is de vrijers van zich af te slaan. Die mythe was het doek waarop ik mijn verbeelding projecteerde. Maar omdat ik zo hartstikke Nederlander ben, situeerde ik die gedichten weer langs de Nederlandse kust.''

Is dit gedicht ook een ansichtkaart?

,,U wilt weten wat er anders is, ik ben verrast door de continuïteit. Mijn gedichten zijn pogingen - telkens weer die ene poging - om een en dezelfde ervaring te vertolken, of, om met de Australische dichter Les Murray te spreken: op te vangen.''

,,Maar goed, nee, dit gedicht is geen ansichtkaart, het woord 'Ithaka' maakt er een inwendige belevenis van. Het probeert de zielstoestand van Odysseus te vangen. Het gedicht is de gedachtegang van de man die thuis moet komen.''

,,In mijn poëzie zijn grote woorden nog altijd een probleem, ik heb in mijn gedichten ook nog nooit de woorden 'God', 'lijden', of 'liefde' gebruikt. Maar toen ik dit gedicht schreef, verhield ik me toch al anders tot die grote woorden. Zo zou ik 'troosten' uit de vierde regel eerder nooit hebben gebruikt. In dit gedicht wel, hoewel ik het wegmoffel, er staat dat die linker-adidas niet te troosten is.''

U durft zo'n woord nu te gebruiken?

,,Als ik dat zou zeggen, zou het lijken alsof ik het destijds niet zou hebben gedurfd. Het punt is dat ik het best durf maar niet mag, het paste en past eenvoudigweg niet in mijn opvatting over poëzie. Die opvatting is met de jaren versoepeld maar ik blijf huiverig grote woorden te gebruiken. Kijk naar regel vijf: 'flessenziel' is een bestaand woord, het is de opstaande rand onder in de fles, waartegen de droesem zich ophoopt. Ik ben uiterst huiverig het woord 'ziel' in de mond te nemen, maar ik wil het kennelijk wel gebruiken, anders zou ik niet op zoek gaan naar zo'n moffelwoord. Het lukt hier de taal om de onderkant van de fles te zijn, en tegelijkertijd iets aanwezig te stellen wat zogenaamd niet zou bestaan: de ziel.''

,,Een groot verschil met de vroegere poëzie is dat ik in 'Paviljoenen' de woorden zelf ben gaan zien als beelden. Je kunt die strandlopertjes uit het eerste gedicht zo beschrijven dat een lezer ze voor zich ziet. Maar je kunt ook woorden gebruiken die zelf al beelden zijn of oproepen. Neem een woord als 'vereffenen' uit de eerste regel: 'Op vereffend worden staat verstuiven.' Wat betekent 'vereffenen'? Het betekent onder andere 'glad maken'. Maar wie op een strand glad wordt gemaakt, is aan het einde van zijn bestaan. Die zal onder het zand bedolven raken en uiteindelijk door de wind worden meegenomen, 'verstuiven' dus. Die ervaring wordt nu niet getoond aan de hand van strandlopertjes, maar aan de hand van woorden, die zelf niet nader omschreven beelden oproepen.''

,,Niemand wil verstoven raken, en dus zoeken we naar iets dat weerstand biedt tegen de verdwijning. Dat is 'het haakst geplante haagje riet' - dit is weer een zo precies mogelijk beschreven beeld dat ik vroeger ook gebruikt zou kunnen hebben. We willen iets vinden om tegen neer te slaan, dat kan het riet zijn, de schoen, de flessenziel, als er maar iets is om tegen neer te slaan, zodat we niet geheel verstuiven.''

En dan volgt het laatste woord: Ithaka

,,Ja, dat is het spel met de mythe dat ik me veroorloof. Want met dat woord probeer ik de geestestoestand van Odysseus te vatten, die tijdens zijn eindeloze omzwervingen doodsbang moet zijn geweest om vereffend te raken, en te verstuiven.''

Nu zijn we weer ruim tien jaar verder. In de bundel 'Op de hoge' speelt een andere mythe een grote rol: het christendom.

,,Het christendom is geen mythe.''

Waarom niet?

,,Het offer van God betekent alleen iets als zijn zoon echt historisch geëxecuteerd is. Je kunt niet zeggen: Ik doe alsof Jezus voor mij gestorven is. Odysseus is daarentegen continu bij wijze van spreken.''

Toch speelt bijvoorbeeld in het volgende gedicht de paasmythe of het paasverhaal een belangrijke rol:

,,Eens veegt zich voor je ogen leeg de zee.

We schrijven stille zaterdag, in weer

een eeuw. Vaargeul rukkend aan zijn boeienrij.

Gisteravond zocht de laatste Urker boot

zijn dodevissenheen. De kwart voor vijf

vertrekt niet meer. Nooit meer slapen

en toch schiet je morgen stompend wakker

uit je droom van onder duin bedolven zijn.

Het eiland zweeg. De wind liet af. De zee,

de zee, zij is met al haar golven mee.

Uit: Willem Jan Otten: 'Op de hoge' (2003)

Otten: ,,Ja. Het gedicht is gemaakt in de paastijd. Ik stelde mij voor dat het stille zaterdag was, de echtste zaterdag van het jaar, als God morsdood en begraven is.

Het gedicht is weer - ja, ik zou bijna zeggen: gewoon een verwoording van op je plaats gesteld worden aan zee, op de rand van water en land tussen twee werelden in hangen. Het waait er, maar ook dat is niet uitzonderlijk, in die eerdere gedichten waaide het ook hard.''

,,'We schrijven stille zaterdag'. Vroeger dateerde ik zelden een gebeurtenis, een gedicht in het kerkelijk jaar. Nu maakt het voor mij veel uit wanneer in het kerkelijk jaar een gedicht zich aandient. Door het gedicht te situeren op de zaterdag na de kruisiging en de dag voorafgaande aan de opstanding kan de lezer deze ervaring verbinden met zijn eigen paaservaring.''

Aanvankelijk gebruikte u dus beelden om een ervaring te beschrijven. Toen kwamen er gedichten met beeldrijke woorden. En nu gebruikt u christelijke symbolen om diezelfde ervaring op te roepen.

Twijfelend: ,,Dat klinkt te bedoelerig, die symbolen zijn mijn ervaring geworden en komen dus in mijn gedichten. Wat lezen mensen die geen weet hebben van stille zaterdag in dit gedicht? Wat zou er gebeurd zijn als ik geschreven had: 'We schrijven zaterdag de veertiende in weer/ een eeuw'? Dat had gekund. Ook het vervolg is mogelijk: 'Vaargeul rukkend aan zijn boeienrij' - daar duikt de storm op. De Urker boot is evenmin vreemd: zijn dodevissenheen bevat een verwijzing naar Christus en Goede Vrijdag, maar de boot kan ook met de dode vissen naar Urk varen. En 'de kwart voor vijf' is de veerboot die bij harde wind in de haven blijft liggen.''

,,Dan loopt het spaak. Zonder de datering 'stille zaterdag' zou ik nooit op de volgende regel gekomen zijn: 'nooit meer slapen/ en toch schiet je morgen stompend wakker'. Dit verwijst rechtstreeks naar de Olijfberg, waar Christus zijn leerlingen aan spoort een kwartiertje wakker te blijven. Maar, menselijk als ze zijn, vallen ze in slaap. Op paasochtend worden ze stompend wakker, in de vaste overtuiging dat Jezus God niet was. Zonder de christelijke symboliek zou dit gedicht over de angsten van een depressieve dichter gaan, die droomt dat hij onder het duin bedolven ligt. En nu staat er wat anders.''

Het eerste, oude strandgedicht is een poging een strandervaring te beschrijven. Dit gedicht beschrijft diezelfde ervaring maar doet tegelijkertijd meer. Dat lijkt mij toch op een vooruitgang te duiden?

,,U bent hardleers. Ziet u niet dat ik op mijn twintigste en halverwege mijn dertigste en nu steeds hetzelfde heb proberen op te vangen? Hoe ouder ik word, hoe beter dat te zien is. Een omgehakte boom zegt toch ook niet dat zijn binnenste ring minder boom is dan zijn buitenste? Het enige dat ik ervan begrijp is dat de laatste ring de meest godvruchtige is. Logisch, het leven wordt steeds moeilijker, ik begin mijn plaats te kennen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden