Een filosoof die eerder verlamde dan inspireerde

De nalatenschap van Wittgenstein blijft een bron voor nieuwe publicaties. In 1995 kwam Brian McGuiness met een verzameling brieven van Wittgenstein aan vrienden in en om Cambridge. Daar bestaat ook een uitgebreidere versie van uit 2008, ’Wittgenstein in Cambridge, letters and documents 1911-1951’. Bangelijke zuinigheid weerhield mij ervan dit tweede boek te kopen omdat het honderd euro kost en omdat ik dacht dat het niet veel zou toevoegen. Dat was knap stom, want nu ik met enige schroom toch door de knieën ben gegaan, ben ik weer een ontmoeting rijker met Wittgenstein als mens en als denker.

Wittgenstein was een groot filosoof en hoewel hij te boek staat als een maniakale eenzelvige zonderling lees je in deze brieven de gretige vasthoudendheid waarmee hij contact zocht en wenste te behouden met leerlingen en geestgenoten die hem dierbaar waren. Hij was een drammerige, wispelturige maar wel heel trouwe vriend. Zijn lastigste eigenschap was dat hij beter dan jij zag wat goed voor je was als verdere levensvulling. Hij baseerde dit inzicht op zijn weging van jouw filosofische talent, of de afwezigheid daarvan. Dat leidde nogal eens tot rampzalige keuzes onder zijn discipelen.

Filosofisch werkte hij eerder verlammend dan inspirerend. Dat kwam omdat hij het beter deed dan al die anderen, die na ontmoeting met hem hun eigen gefrunnik moedeloos terzijde schoven. Dat gold ook voor filosofen die zelf allerminst frunnikten.

W.E. Johnson, die kort Wittgensteins tutor was en die een vermaarde geschiedenis van de logica schreef, bleef een toegewijde vriend, zij het dat hij in latere jaren toen Wittgenstein bij hem op bezoek dreigde te komen uitdrukkelijk stipuleerde: „Hij mag wel langskomen, maar ik wil het niet meer met hem over de grondslagen van de logica hebben, ik kan er niet langer tegenop dat Wittgenstein steeds mijn wortels opgraaft.” Russell zelf bekende aan Ottoline Morrell dat Wittgenstein hem filosofisch verlamd had en Moore kreeg te horen dat hij in zijn colleges niet zo veel moest praten over wat andere filosofen dachten, maar dat hij met zijn eigen gedachtes moest komen. Isaiah Berlin bezocht Cambridge en hield een voordracht over de mogelijkheid de geestelijke inhoud van anderen te kennen. Wittgenstein was er bij, zodat Berlin begon te lijken op de man die Rembrandt zijn aquarelletjes komt tonen. Wittgenstein wees Berlin zijn plaats, onder andere door een briljante impromptu opborrelende definitie van solipsisme: „We moeten niet filosofisch praten, maar zakelijk. In normale omstandigheden zeg ik tegen u: ’U ziet een klok. De wijzers zijn vastgespijkerd aan bepaalde cijfers. De wijzerplaat draait in zijn geheel rond, maar de tijd blijft hetzelfde. Toch? Dat is solipsisme.’” Berlin hield op zichzelf als een filosoof te beschouwen en stortte zich op ideeëngeschiedenis.

Er waren misschien maar twee mensen die zich uitdrukkelijk náást hem opstelden, Keynes en Sraffa. Na een ingewikkelde brief waarin Wittgenstein Keynes ervan verdacht dat hij Wittgenstein ervan verdacht op zijn geld uit te zijn (een rare verdenking trouwens) antwoordde Keynes: ’Dear Ludwig, what a maniac you are.’ Piero Sraffa was een Italiaanse econoom, door Keynes uit het Italië van Mussolini naar Cambridge gehaald. Hij en Wittgenstein ontmoetten elkaar wekelijks, waarbij hun beider buitenlanderschap de band versterkt zal hebben. Wittgenstein gebruikte Sraffa vele jaren als een sparringpartner voor filosofisch worstelen, waarbij Sraffa naast dankbaarheid ook veel kritiek te verstouwen kreeg. Wittgenstein was nooit te beroerd om hem per brief in scherp detail uit te leggen waar hij logisch of psychologisch niet, of niet meer, deugde. Sraffa liet zich niet wegzetten, getuige zijn opmerking: ’You are not going to bully me, Wittgenstein.

Leukere dingen zijn de Amerikaanse detectivemagazines die Malcolm hem zendt en waarover hij zegt: „Waarom mensen nog filosofische tijdschriften lezen terwijl er zoiets bestaat is mij een raadsel.” Omdat hij een esthetisch verantwoorde kerstkaart als een onmogelijkheid beschouwde, zakte hij welwillend een verdieping lager waar het appreciatie betreft en hij ontwikkelde een fijne smaak voor de vereiste kitsch in dergelijke wensen, als het even kon nog verzwaard door heerlijke kreupelrijmen. Vrienden kregen in dat kader over hun kerstkaart te horen dat die ’niet erg genoeg’ was.

Tegen Shah, een Indiase student die het geloof in het hiernamaals van zijn oorspronkelijke religie neerbuigend terzijde schoof, zei Wittgenstein: „Shah, jij denkt dat je de enige intelligente persoon bent in dat milieu! En al die mensen die deze dingen zeiden, die dachten helemaal nooit na? Heb je dit wel eens overwogen? Zo niet, praat daar dan niet zo makkelijk over.”

En tegen Rush Rhees, die vreselijk kon zeuren over zijn mislukkende leven: „Dat je geen briljant succes zult hebben is zeker; het zal in feite nogal mager zijn, dat zit er in. Alsjeblieft, als het enigszins mogelijk is, leg je daar bij neer en hou die baan vast. Begrijp me niet verkeerd. Ik probeer niet de wijze man uit te hangen. Ik ben net zo’n sukkel als jij. Maar dat maakt jou niet minder een sukkel.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden