Review

Een filosoof die concreet en dicht bij menselijke vragen bleef

'Filosofie had voor Bernard Delfgaauw alleen betekenis, als ze ingaat op vragen die voor ons onontkoombaar zijn. Vragen als: wat is de zin van mijn bestaan? Wie ben ik? Is er iets absoluut of is alles relatief?' Jan Boelens, filosoof, socioloog en dichter, herdenkt de eind vorige week overleden 'nestor van de Nederlandse filosofie'. Jan Boelens publiceerde onder andere 'Filosoferen met Bernard Delfgaauw' (Kok Agora, Kampen, 1992).

Naarmate er meer jaren verstreken, werd hij door sommigen 'de grijze eminentie van de Nederlandse filosofen-wereld' en door de jongeren de 'nestor van de Nederlandse filosofie' genoemd. Zelf gaf Delfgaauw niet zoveel om die termen. Hij was een realistisch denker die de vergankelijkheid doorleefde.

Als filosoof en publicist heeft Bernard Delfgaauw, met zijn innemende eruditie, een belangrijk stempel gedrukt op de filosofiebeoefening in Nederland. Wanneer we zijn publikaties overzien - 19 boeken, 322 bijdragen in tijdschriften, 1 000 columns Varia Philosophica en vele dagbladartikelen - dan is zijn veelzijdigheid opvallend.

Zonder filosofisch jargon belichtte hij verschillende existentie-filosofen, maar ook het marxisme en Marx, het christendom en andere thema's zoals wetenschapsfilosofie, de geschiedenis van het denken, de taalfilosofie, het neo-thomisme, het personalisme en - onlangs nog - de rechten van de mens. Vele jaren was hij redacteur van De Maand (Leuven) en Kultuurleven (Antwerpen); vanaf de oprichting in 1970 behoorde hij tot de redactie van Wijsgerig Perspectief op maatschappij en wetenschap. Bovendien was Delfgaauw een groot kenner van Kierkegaard, die hij uit het Deens vertaalde. Daarnaast toonde hij zich een uitstekend docent, universitair bestuurder en bovenal een mens met een enorme betrokkenheid bij de samenleving.

Delfgaauw was een kritische intellectueel, die zijn betoog meestal met solide argumenten onderbouwde. In zijn afscheidsrede in 1982 sprak hij over een vreemde ziekte die binnen de universiteiten was uitgebroken.

Deze ziekte, zei hij, uitte zich in een 'onstuitbare behoefte aan wetten, regels en verordeningen' en bovendien in een 'onstilbare behoefte' aan papier, ook wel papiritis geheten. Ironisch voegde hij eraan toe: 'De tijdgenoten zagen in de verschijnselen geen ziekte, maar een vorm van wetenschap. Zij spraken niet van papiritis, maar van papirologie.' De bureaucreatie zag hij als een ernstige bedreiging voor de maatschappij en de universiteiten. Want bureaucratie is een vorm van ontmenselijking.

In het denken en doen van Bernard Delfgaauw is een lijn te ontdekken die zijn inspiratie bij Socrates en Plato vond en via de middeleeuwse wijsbegeerte belangrijke aanrakingspunten zocht in het Europese denken van de twintigste eeuw. De belangrijkste continuiteit in de geschiedenis van het denken was voor Delfgaauw de continuiteit van fundamentele ideeen.

Voor hem was vanaf Socrates de waarde van het mens-zijn de fundamentele vraag in de filosofie. Dat is een regelmatig terugkerend thema.

Bijvoorbeeld in zijn essays over Sartre, Heidegger, Marcel en Jaspers, maar ook in zijn 'Geschiedenis van de Vooruitgang' (1961-1964), in 'Filosofie van de Grammatica' (1984-1987) en in zijn belangrijke debat met Frits Staal, 'Filosofie als drijfzand' (1987). Met verbijstering merkte hij 'dat er filosofen zijn, docenten en studenten, die deze vraag niet belangrijk vinden'. Hij vroeg zich dan ook af hoe het met de zelfbezinning gesteld is, die immers de kern van het wijsgerige denken is.

In zijn essay 'Wat is filosoferen' (in: 'Filosoferen met Bernard Delfgaauw', 1992) zegt hij met nadruk dat filosofie alleen betekenis heeft als zij ingaat op vragen die voor ons onontkoombaar zijn. Het zijn de vragen van een ieder die volgens hem aan de wortel van de filosofie liggen. Vragen als: wat is de zin van mijn bestaan?, wie ben ik?, wat is denken?, wat is vrijheid?, is er iets absoluut of is alles relatief?

Delfgaauw vond dat ook in de wetenschappen deze vragen belangrijk zijn.

Men kan weliswaar proberen de zinvraag af te wijzen, maar het gevaar bestaat dat daarmee het eigen leven inhoudsloos wordt. Op dit terrein is hij fors in debat gegaan met die aanhangers van het neopositivisme die vinden dat het stellen van 'levensvragen' in de filosofie tot irrationalisme voert. Hij zag dit als een misverstand.

Hij maakte onderscheid tussen irrationeel denken en denken over het irrationele. Het irrationele speelt in mens en samenleving een grote rol en moet daarom juist doordacht worden, wil men niet het slachtoffer worden van gevoelens. Weigert men het irrationele als opgave voor het denken, dan loopt men juist de kans erdoor overweldigd te worden. Men moet het irrationele binnen mens en samenleving weten te plaatsen en vervolgens niet trachten dit te verdringen of, omgekeerd, ongeremd zijn gang laten gaan.

Deze twee mogelijkheden zijn volgens hem de grote gevaren van het neopositivisme, dat niet in staat is het irrationele zijn plaats te wijzen, omdat een a priori wordt afgewezen. Er zijn vele irrationele denkrichtingen in de hedendaagse wereld. Die worden door het neopositivisme afgewezen, maar kunnen tegelijkertijd ongeremd hun gang gaan.

Voor Delfgaauw is denken altijd rationeel - een functie van de ratio.

Hij wees erop dat denken en voelen in het dagelijks leven nauw met elkaar verbonden zijn: zij begeleiden elkaar als het ware. In zijn beschouwingen hierover klinken de bewoordingen na van Soren Kierkegaard, die onomwonden vaststelde: zonder hartstocht geen denken. Waarmee deze Deense filosoof eigenlijk zei dat denken emoties nodig heeft. Anders gezegd: filosoferen is een persoonlijke aangelegenheid.

Maar dan rijst ook de vraag hoe filosofie, als zij een persoonlijke aangelegenheid is, mededeelbaar kan zijn. Met die vraagstelling wijst Delfgaauw er met Karl Jaspers op, dat een filosoof als het ware een appel, een oproep, richt tot zijn eventuele lezers. Hij legt zijn gedachten aan hen voor met de vraag: heeft deze uitspraak van mij u iets te zeggen? Geeft zij u een inzicht? Roept zij een gevoel op? Kan zij samengaan met andere gedachten, die zich reeds gevormd hebben?

Filosofie is voor Delfgaauw niet: denken zoals men denkt, maar: denken zoals ik denk. Het gaat er immers niet om een ander na te praten maar persoonlijk te filosoferen. Er is vooral sprake van filosoferen, wanneer men niet blijft staan bij wat reeds gezegd of geschreven is, maar wanneer het reeds gezegde aanleiding geeft tot nieuwe vragen. Hij wees erop dat voor het duidelijk stellen van nieuwe vragen eveneens een vernieuwde terminologie nodig is.

Het zal de lezer niet verbazen dat voor Delfgaauw het reflecteren over taal belangrijk was. In zijn driedelige 'Filosofie van de Grammatica' gaat hij onder meer uit van de paradox dat de filosofie reeds lang voor de filosofie bestond! Dit voorbestaan van de filosofie toont zich in de grammatica en de grammatica toont zich in de taal. Hij noemt het een grote verdienste van de analytische filosofie dat ze de nadruk legt op een eenvoudig maar helder taalgebruik. Naast deze waardering wijst hij ook op haar beperkingen: haar aanhangers zijn vaak niet in staat de ban van de taal te doorbreken en met de buiten-talige werkelijkheid in contact te treden.

Voor Delfgaauw is filosoferen nooit een academisch onderonsje geweest.

Bij veel 'vakfilosofen' is het geen levendige aangelegenheid. Volgens hem is de moderne filosofie in de laatste dertig jaar in toenemende mate vervreemd van de werkelijkheid. Vervreemding was voor hem zo'n belangrijk thema dat hij er een vierdelig werk aan wijdde: 'Filosofie van de Vervreemding als Vervreemding van de filosofie' (1986-1990).

De laatste eeuwen heeft de ontwikkeling van de wijsbegeerte ertoe bijgedragen dat de filosofie vervreemd is van het menselijk bestaan. Aan de oorsprong van die ontsporing staan Descartes, Locke, Hume en Kant.

Vooral de existentiefilosofen slaagden erin, de filosofie ook buiten de studeerkamer tot leven te brengen.

Een van de kernvragen was voor Delfgaauw, of het mogelijk is filosofie tot leven te wekken. Blijkbaar is de moderne filosofie afgedreven naar een randgebied waarin een abstract filosofisch taalspel wordt opgevoerd.

Ze heeft het contact met de kern van ons bestaan verloren, aldus Delfgaauws diagnose.

Vervreemding is echter geen uitvinding van de twintigste eeuw. Reeds de Griekse dichter Pindarus verwoordde het verschijnsel door te zeggen: 'Word wie je bent'. Vervreemding is primair zelf-vervreemding. Maar omdat wij in de wereld leven, is zij tegelijk vervreemding van de wereld.

In zijn slotbeschouwing aan het eind van het vierde deel komt Delfgaauw tot de conclusie: waar filosofie te kort schiet, heerst vervreemding.

Maar ook zegt hij dat het algemeen menselijk is, innerlijk verdeeld te zijn - ja, deze vreemdheid is 'een wezenlijke trek in ons bestaan', een 'blindheid die wij niet kunnen genezen'. Door meditatie echter kan onze innerlijke vervreemding beter belicht en doorschouwd worden, en zo althans voor een deel worden opgeheven.

Is de mens, om met Heidegger te spreken, ein Wesen der Ferne? Het is Delfgaauws grote verdienste dat hij concreet en dicht bij de menselijke problemen bleef. Hij vond dat filosofie vooral in beweging moest blijven. Met pasklare antwoorden kon hij weinig beginnen. Geen wonder dat hij zich afkeerde van de vrouw-onvriendelijke en verstarde geloofsleer van de rooms-katholieke kerk.

Hij behoorde tot geen enkele stroming. Zelfs het neo-thomisme was voor hem 'een onmogelijke onderneming', omdat de gedachte van de absolute waarheid de mogelijkheid suggereerde van rechtstreekse toegang tot een middeleeuws denker, in dit geval Thomas van Aquino. Er is, stelde hij, slechts een toegang: die via de studie van de middeleeuwse geschiedenis.

De grote moeilijkheid in het bestuderen van een filosoof ligt volgens Delfgaauw in het tot zich laten spreken van het eigen zicht van die filosoof - of dit nu Aristoteles is, Siger van Brabant of Karl Popper.

Het is hetzelfde probleem als oog zien te krijgen voor een bepaalde schilder, of een gehoor voor een bepaalde componist.

Delfgaauws oeuvre past perfect binnen de Europese intellectuele traditie waarvan de kritische rede zo'n waardevol kenmerk is. Opvallend is tevens dat zijn filosoferen, waar dit nodig was, een onderzoek inhield naar de vooronderstellingen in de wetenschapsbeoefening, de levens- en wereldbeschouwing en de religie.

Enkele maanden geleden verscheen zijn laatste boekje, 'De mens en zijn Rechten', bij Kok Agora, de uitgeverij waaraan hij sinds 1985 als adviseur verbonden was. In deze bondige uiteenzetting stelt hij dat het ideaal van de broederschap berust op de fundamentele idee van de menselijke waardigheid. De grondrechten van alle mensen zijn gelijk, schreef hij, en het absolute ligt niet binnen de menselijke mogelijkheden.

Delfgaauw was in leven en werk doordrongen van de eindigheid van het bestaan. De mens had in zijn ogen een dubbele taak: zich voor te bereiden op de dood en op het leven. Wie zich alleen op de dood voorbereidt, verspilt een deel van zijn leven. En wie zich alleen op het leven voorbereidt - voegde hij eraan toe -, leeft als iemand die de werkelijkheid van zijn eindigheid niet onder ogen durft te zien.

Zo heeft deze innemende filosoof afscheid van ons genomen. Het is goed om met hernieuwde aandacht kennis te nemen van zijn werk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden