Een eeuw van gevechten in de concertzaal

Jacqueline Oskamp zet de ontwikkeling van de Nederlandse klassieke muziek in perspectief

Da's tobben: Nederlandse klassieke muziek. Onbekend, onbemind, onbegrepen. En je kunt bijna eindeloos woorden blijven verzinnen waar dat voorvoegsel on- voor past om de treurigheid op dit gebied te schetsen. Er is in de vaderlandse muziek maar weinig on-Nederlands, en dus van internationale allure te ontwaren. Of toch niet?

Recensent en journalist Jacqueline Oskamp schreef het boek 'Een behoorlijk kabaal', waarin honderd jaar Nederlandse klassieke muziek uit de doeken wordt gedaan. Beginnend in 1914, als zowel Claude Debussy als Arnold Schönberg het Concertgebouw in Amsterdam bezoekt, en eindigend in het heden.

In het jaar dat die twee muzikale nieuwlichters Amsterdam aandoen begint de Eerste Wereldoorlog, waarin Nederland neutraal blijft. Dat heeft gevolgen voor de ontwikkeling van de kunsten: die blijft achter bij die in de ons omringende landen die wél oorlogvoeren.

Op het podium van het Concertgebouw begint volgens Oskamp in die tijd een strijd tussen progressieve en conservatieve krachten die gedurende een eeuw steeds weer opflakkert. Met als terugkerende thema's de tegenstelling tussen Duitse en Franse muziek, de geringe status van de Nederlandse muziek, de onwil om te vernieuwen, de argwaan jegens jazz en popmuziek en de wrijving tussen generaties als het om invloed en (subsidie-)geld gaat.

Criticus Jan Mulder schrijft over de 'Fünf Orchesterstücke' van Schönberg die in 1914 in Amsterdam worden uitgevoerd en die door het publiek op hoongelach onthaald worden: "Ik zie evenveel kans om een redevoering in het Sanskriet of Hottentotsch te beschrijven als deze barbaarse geluiden en klankeffecten." Er volgen in die honderd jaar meer van dit soort sappige kritieken en Oskamp weet ze in de archieven feilloos te vinden.

'Een behoorlijk kabaal' is in relatief korte tijd de zoveelste studie over een deel van de twintigste-eeuwse muziek in en van Nederland. We lazen recent al het gedetailleerde 'Composing Dissent' (Robert Adlington), de biografie van Reinbert de Leeuw (Thea Derks), het eerste deel van Peter Schats biografie (Bas van Putten), en 'Man en Mythe' (Roland de Beer) over Pierre Audi, dat ook al deels het roerige Nederlandse muziekleven behandelt, maar dan vanuit de operakant bezien.

Oskamp probeert in haar boek iets meer te doen. Ze zet de muziek af tegen andere kunstvormen in Nederland en daarbuiten, en probeert de noten te verklaren vanuit de verschillende maatschappelijke, sociale en politieke ontwikkelingen. Niet dat die muziek daar per se beter van wordt, maar die bredere blik levert vaak een passend panorama op, waardoor sommige muzikale ontwikkelingen beter te begrijpen zijn - zeker ook voor hen die niet zo ingevoerd zijn in de moderne klassieke muziek.

Je zou de titel van het boek ironisch kunnen interpreteren: veel geschreeuw, weinig wol. Of je zou de titel kunnen betrekken op de loeiharde, oorpijngrens-overtredende muziek van iemand als Louis Andriessen. Maar Oskamp ontleent haar titel aan een project van Misha Mengelberg en Wim T. Schippers dat in 1975 een week lang in het Amsterdamse Mickerytheater te zien was. Onnavolgbaar muziektheater waar Andriessen bij betrokken is, alsmede journalist Max Pam en de al dan niet naakte actrice Belinda Meuldijk. Door voor zo'n titel te kiezen geeft Oskamp precies de mooie reikwijdte van haar studie aan, al was het misschien beter geweest om niet een slordige 300 pagina's te wachten om dat te onthullen.

Oskamp doet nog iets leuks. Ze kiest een hoofdpersoon, die op belangrijke momenten in haar betoog terugkeert. Geen voor de hand liggend personage, maar de componist Daniël Ruyneman, van wie weinigen zullen weten wie hij is. Hij past niet helemaal in de eeuw die Oskamp beschrijft - hij overlijdt al in 1963 - maar de schrijfster brengt hem op het eind toch mooi terug in haar verhaal.

Wie was deze Ruyneman? Nee, we gaan daarvoor niet naar Wikipedia maar slaan de 'Nederlandse Encyclopedie van de Muziek' open, eind jaren vijftig uitgegeven door Elsevier, onder redactie van toenmalige muzikale grootheden die bijna allemaal ook figureren in Oskamps boek. Bij het lemma Ruyneman staat te lezen: 'Nederlands componist (Amsterdam 8.8.1886 -). Sterk aangetrokken door het Franse impressionisme vertonen zijn eerste werken daarvan duidelijk de invloed. Niettemin is in deze stukken een streven merkbaar naar het ontwikkelen van een eigen klankidioom (...) Ruyneman behoort tot de generatie van componisten die ca. 1920 pionierswerk verrichtten met het bekend maken van de Nederlandse muziek buiten de landsgrenzen.'

Dit was in 1959 geschreven, en Ruyneman had nog vier jaar te leven. De jonge componist duikt in hoofdstuk twee op als hij in 1914 op Debussy in Amsterdam afstapt om hem zijn composities te laten zien. Tientallen jaren later richt hij de Vereniging voor Hedendaagsche Muziek op en blijft zich inzetten voor het op de kaart zetten van Nederlandse muziek in het buitenland.

Maar in het eerste hoofdstuk van haar boek moet Oskamp al constateren: 'Nederlandse muziek heeft domweg weinig aanzien'. Het klinkt als een verongelijkte verzuchting en hoewel de schrijfster verder geen zeurderige toon aanslaat, blijft dit gegeven wel als een soort mantra door haar studie heen klinken.

Grappig om in de eveneens net verschenen biografie van Willem Mengelberg van Frits Zwart (uitgeverij Prometheus) te lezen wat buitenlandse critici dan wel van die Nederlandse muziek vonden. Toen Mengelberg in de jaren twintig van de vorige eeuw in New York muziek introduceerde van Wagenaar, Diepenbrock, Dopper en Van Goudoever werd die daar afgedaan als mislukt en saai, met als uitsmijter dat de Nederlandse muziek de veelgehoorde bewering onderuit haalde dat Amerikanen de slechtste muziek ter wereld schrijven.

Het is nu wel iets beter gesteld, hoewel Oskamp na honderd jaar opnieuw koopmansgeest en muzikale kneuterigheid ziet, in vol neoliberaal ornaat, nu met massavermaak als doel. Maar dat de Nederlandse muziek opnieuw in de marge terechtkomt, zoals zij vreest? De muziek van Louis Andriessen is bijzonder populair in Amerika, en ook werk van zijn leerling Michel van der Aa gaat met groot succes de wereld over. Oskamp stipt dat slechts aan in haar verder zeer lezenswaardige boek. Politiek en geld zijn belangrijk, zoals Oskamp steeds weer aantoont, maar het draait in laatste instantie om de noten. Vormen die een meesterwerk of niet?

Jacqueline Oskamp: Een behoorlijk kabaal - Een cultuurgeschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw Ambo | Anthos; 416 blz. euro 34,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden