Een eeuw Chinezen in Nederland: van stoker tot restauranthouder

Hoeveel Chinezen er in Nederland wonen, weet niemand. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt het voor 2009 op 50.000, maar dat zijn slechts degenen met een Chinees paspoort. Met de groepen uit andere Aziatische landen en Suriname meegeteld, plus degenen die de Nederlandse nationaliteit hebben of hier illegaal verblijven, zouden het er wel 100.000 kunnen zijn.

En hoewel dit jaar gevierd wordt dat honderd jaar geleden de eerste Chinezen naar Nederland kwamen, is zelfs die datum onzeker. Zo meent het Inspraakorgaan Chinezen dat er al eind negentiende eeuw Chinezen in Nederland aanmeerden. Zij kwamen als stoker, kolentremmer (die op reis steeds dieper in de kolenbunker moesten graven) matroos of kok. Volgens de Nederlandse reders konden de Chinezen goed tegen de grote hitte in de stookkamer. Maar belangrijker was dat zij voor veel minder geld, zonder te klagen, zwaar en ongezond werk deden.

Regisseur en schrijver Karina Meeuwse publiceerde in 2000 een boek over die eerste groep Chinese mannen die naar Nederland kwam, getiteld ’Het huis van Han’. In 1911 werd een groep Chinezen ingezet als stakingsbreker in de haven. In Rotterdam (Katendrecht) en Amsterdam (Binnenbantammerstraat) woonden zij tussen het werk op zee door in armoedige logementen, die standaard een opiumkit in de kelder hadden. Aan boord waren velen al verslaafd geraakt, wat hen passief en willoos maakte. ’Dat kwam de reders niet slecht uit, want het sloot gevaar voor relletjes aan boord uit’, stelt Meeuwse. Verder waren er in deze ’Chinatowns’ eethuisjes, winkeltjes, kappers en wasserijen. In Amsterdam ontstond in 1927 het eerste restaurant ’Kong Hing’ doordat een huisarts om thuismaaltijden vroeg. Door de crisis in de scheepvaart liep het aantal logementbewoners gestaag op. In 1929 telde Katendrecht er 500, in 1931 waren het er 1300.

In de jaren dertig ontstond als reactie op de werkloosheid het verschijnsel ’pindachinees’, straatverkopers die pindakoekjes verkochten. Voor Hollanders een romantische herinnering, aldus Meeuwse, maar voor de pindamannen zelf betekende deze tijd vooral armoede, honger en toch een soort van bedelen.

Ook toen al waren Chinezen vlijtige kopieerders van succes: in 1933 telde Amsterdam 200 pindachinezen, Eindhoven 50, Den Haag 64. In de logementen leefde men in de crisistijd van slechte rijst en visafval. De concurrentie dwong de mannen door heel Nederland te trekken; het beroep trok ook Chinezen uit Duitsland en Frankrijk aan, waar die handel verboden was.

Maar door de crisis hadden burgers minder te besteden, de politie nam trommels in beslag, venten werd in Den Haag verboden. De hoofdcommissaris van Utrecht stelde voor de pindachinezen in een interneringskamp te verzamelen.

De helft van de stokers was inmiddels veertig-plus en vormde door het zware beroep een gezondheidsrisico. Want wie moest voor die zieke, oude mannen gaan betalen? De per 1 januari 1934 aangetreden hoofdcommissaris Einthoven van Rotterdam was de fanatiekste uit de politiekorpsen. Hij bedacht een repatriëringsplan om van zieken en ouderen af te komen. Toen Japan in 1937 China was binnengevallen, zag hij geen bezwaar om vier arme stokers van vijftig-plus terug te sturen. Meeuwse: ’Mede door zijn fanatieke deportatiedrift werd Nederland tot aan de Tweede Wereldoorlog ruim tweeduizend Chinezen armer’.

In het naoorlogse Nederland arriveerde nieuwe groepen Chinese immigranten, bijvoorbeeld uit Indonesië, die snel integreerden. Ook voor inwoners van Hongkong was het dankzij hun Britse paspoort makkelijk om naar Nederland te komen.

In de jaren zestig groeide de welvaart en werden Chinees-Indische restaurants populair. Zo populair dat familie kon overkomen om mee te werken, hetgeen in de jaren zeventig leidde tot hoge migratie door gezinshereniging. Na een inzinking in de jaren tachtig zijn er nu zo’n 2500 Chinese restaurants.

Opvallend is dat in die eerste groep Chinezen behoorlijk wat gemengde huwelijken voorkwamen, natuurlijk ook omdat er geen Chinese vrouwen waren. Auteur Meeuwse portretteert diverse van die families. Chinese mannen maakten de schoonfamilie het hof, zoals in China gebruik is, en dat was hier een doorslaand succes.

Toch hadden deze eerste gemengde stellen het niet makkelijk. ’Mijn grootmoeder raakte daarom haar staatsburgerschap kwijt’, vertelde David Zee uit Rotterdam tegen de Wereldomroep. Nog steeds is hij daarom ook Chinees staatsburger. Over de Chinese integratie anno 2010 bestaat geen eenduidig beeld. Chinezen zijn in 2004 officieel erkend als ’minderheid’. Daarop had de gemeenschap zelf aangedrongen, vanwege verborgen werkloosheid, taalproblemen en een toenemende generatiekloof.

De jongere groep (30-50 jaar) van de eerste generatie is nog te afhankelijk van de horeca, en kent relatief veel gokverslaafden. De tweede generatie is goed opgeleid en krijgt minder vaak bijstand dan autochtonen. Zij werken vaker in dienstverlening, management en wetenschap. Chinese leerlingen worden getypeerd als gedisciplineerd, leergierig en (iets te) bescheiden. Sommigen moeten nog te vaak bijspringen in het (horeca)bedrijf thuis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden