Een economisch ongevalletje

Stel nu dat Van Oldebarnevelt had afgezien van de Republiek der Nederlanden omdat Drenthe een financiële puinhoop was? Ondenkbaar, vindt historicus Frank Ankersmit. Maar het is exact wat nu dreigt te gebeuren met de Europese Unie en Griekenland.

In de tachtig jaar vanaf 1568 tot 1648 bevochten onze voorouders onze onafhankelijkheid van Spanje. Het was een lange en moeizame strijd op drie fronten: politiek-theoretisch, staatkundig en financieel-economisch.

Politiek-theoretisch was het in de zestiende eeuw volstrekt ongehoord om tegen de heersende vorst in opstand te komen. De opstand tegen Filips II vereiste dus een intellectuele legitimatie. Dat werd de theorie dat onze verplichtingen jegens God uiteindelijk het zwaarst wegen. Maakt de vorst de uitoefening van de ware godsdienst onmogelijk dan is opstand gerechtvaardigd. Deze 'monarchomachische' leer (ter 'bestrijding van de vorst') is opgenomen in de Acte van Verlaetinghe van 26 juli 1581, gewoonlijk gezien als de geboorteakte van de Nederlandse Staat. Daarin staat met zoveel woorden dat er vorsten zijn voor de onderdanen en niet omgekeerd, en dat een volk de vorst af mag zweren die dat anders ziet.

In de tweede plaats was er de staatkundige uitdaging. De provincies die in opstand kwamen tegen Filips II waren zelfstandige staatjes op een oppervlakte met ruwweg de omtrek van het huidige Nederland en België, staatjes die vooralsnog ieder gevoel van saamhorigheid misten. Tot nog halverwege de zestiende eeuw beoorloogden zij elkaar enthousiast. Zo hadden de Geldersen nog in 1528 Den Haag platgebrand en onder leiding van Maarten van Rossem plunderden zij in 1542 Brabant en Amersfoort. Een Groninger van toen voelde even weinig verwantschap met een Vlaming als een Nederlander nu met een Griek (als Wilders gelijk heeft). Maar de nood der tijden dwong tot samenwerking. Zoals Benjamin Franklin het tijdens de Amerikaanse Revolutie zo mooi uitdrukte: either we hang together, or we'll hang separately (ofwel we hangen samen, ofwel we worden allemaal naast elkaar opgeknoopt).

Dan was er in de derde plaats het financieel-economische front. Oorlogsvoering is het duurste bedrijf dat de mens ooit uitvond. En ja, wat dacht dat bonte samenraapsel van piepkleine staatjes aan de monden van Rijn, Maas en Schelde nu helemaal uit te kunnen richten tegen het machtigste rijk van die tijd, waarin de zon nooit onderging en dat kon beschikken over al het goud en zilver van de Spaanse koloniën? Maar dat bleek anders te liggen. Het financiële kapitalisme - waar we sinds 2008 zoveel narigheden mee beleefden - werd hier in die tijd uitgevonden. En dat kapitalisme wist door een wonderbaarlijke geldvermeerdering een economisch potentieel op te bouwen waar het Spaanse imperium met al zijn goud en zilver op kapot liep.

Stel nu dat tijdens die Tachtigjarige Oorlog het minste der gewesten, laten we zeggen 'het landschap Drenthe', in ernstige financiële problemen was geraakt door onvoorstelbaar wanbeheer. Stel dat Van Oldenbarnevelt dan zijn knopen was gaan tellen en had gezegd dat als Drenthe die problemen niet zelf op kon lossen, dat we dan maar moesten afzien van die Nederlandse Staat. Want die zou ons dan veel te veel geld gaan kosten. Volstrekt ondenkbaar.

Maar zoiets doet zich nu wel voor in de Europese Unie. Een lidmaat van de EU met slechts drie procent van het bruto nationaal product van de hele Unie raakte in financiële problemen en alles wat sinds het verdrag van Maastricht (1992) is opgebouwd staat nu op instorten. Waarom struikelt de EU mogelijk wel over Griekenland en is de Nederlandse Republiek nooit over Drenthe gestruikeld? Waar liggen de verschillen tussen toen en nu?

Zoals ons land in die vroege jaren van de opstand op weg was om een eenheid te smeden uit wat voordien zelfstandige provincies waren, zo hopen nu velen dat iets soortgelijks ook met de EU zal lukken. Daar ligt de overeenkomst. Het verschil: het ontbreekt nu veel meer aan de wil en bereidheid om die eenheid te realiseren. Velen berusten daarin en erkennen dat mede daarom een 'normale' parlementaire democratie als die van de lidstaten zelf op het niveau van de EU vooralsnog volstrekt onhaalbaar is.

Wel kunnen experts (economen, juristen, fiscalisten, wetenschappers) in opdracht van de EU voorstellen doen hoe je allerlei zaken op het beleidsterrein van de EU het beste zou kunnen 'regelen'. Giandomenico Majone (1932, een even scherpzinnig als invloedrijk Italiaans bestuurskundige en op dit moment de interessantste 'ideoloog' van de EU) noemt dat een regulatory democracy. Opvallend is dat hij hier niet van een technocratie spreekt, zoals je zou verwachten, maar wel degelijk van een democratie. Reden is dat die 'regulatory democracy' haar voorstellen ontwikkelt in opdracht van democratisch gekozen organen en dat over het succes van die voorstellen ook democratisch verantwoording wordt afgelegd. Kortom, al zit er een flinke dosis elitairisme in die 'regulatory democracy', er bestaat toch voldoende democratische controle om het afglijden naar autocratisch bestuur te voorkomen. De 'regulatory democracy' ligt dus in het verlengde van wat wij onder democratie verstaan, maar verschillen zijn er wel.

Het belangrijkste onderscheid is dat de 'regulatory democracy' de legitimiteit mist voor beslissingen die ons diep raken. Stel dat alle economische experts het erover eens zijn dat een ingrijpende herverdeling van inkomens voorwaarde is voor toekomstige economische groei. Dan is het maar de vraag of het electoraat dit voldoende steunt. Anders dan binnen een 'normale' parlementaire democratie zijn herverdelingsvraagstukken met die 'regulatory democracy' niet op te lossen. En ja, daar draait het nu juist om in Europa: gaat het Noorden voor het Zuiden betalen, of niet? En is het Zuiden bereid te geven wat het Noorden daarvoor terugverlangt?

Dat is een interessant gegeven. Want het betekent dat de huidige problemen in de EU niet zozeer te maken hebben met dat veel besproken 'democratisch deficiet', dus met een gebrek aan invloed van de Europese burger op de politieke besluitvorming in de EU. Probleem is veeleer het grote verschil tussen de legitimiteit van de nationale wetgeving en die van de EU.

Ik zie drie verschillende reacties op de 'regulatory democracy'. Guy Verhofstadt, voorzitter van de Europese liberalen (waaronder de VVD), meent dat ze niet voldoet aan wat wij ons voorstellen bij democratie en wil haar dus afschaffen. Europa moet een democratisch bestuurde federatieve bondsstaat worden. Als ik het goed zie, willen mensen als Lubbers en Kok dat ook.

Maar je kunt ook redeneren dat de democratie zelf (zoals alles in de wereld) onderhevig is aan een historische ontwikkeling en dat die, of we dat nu leuk vinden of niet, onvermijdelijk gaat in de richting van die 'regulatory democracy'. Kortom, wat we nu al hebben in de EU, krijgen we binnenkort ook bij de lidstaten zelf.

Daar zijn goede argumenten voor. Politiek-theoretici hebben tegenwoordig de mond vol van 'governance': een nieuwe vorm van democratie met kwalitatief en op expertise gebaseerd openbaar bestuur dat niet alleen naar de kiezer luistert, maar dat wel voortdurend aan de burger verantwoording aflegt over zijn doen en laten. Dat sluit uiteraard heel goed aan bij die 'regulatory democracy' van Majone. Als we die ook op nationaal niveau invoeren, dan nemen we daarmee dat legitimiteitsverschil weg tussen nationale en supranationale wetgeving. Dan zal de EU in staat zijn om de beslissingen te nemen die nu nodig zijn.

De minst ambitieuze derde optie is om voor geen van beide alternatieven te kiezen en alles te laten zoals het is. De legitimiteitskloof tussen de EU en de lidstaten blijft bestaan, een bepaalde categorie beslissingen kan niet meer genomen worden en de EU stoot op de grenzen van wat zij vermag. Meer van de EU verlangen dan dat, is als van je hond verwachten dat hij gaat miauwen.

Iedereen die de afgelopen weken de kranten las, weet dat het EU-establishment voorlopig koos voor de derde optie. De impasse is en blijft dan onvermijdelijk en het kan zomaar gebeuren dat de EMU over een Europees 'Drenthe' struikelt. Dat heeft niets te maken met een gebrek aan besluitvaardigheid van 'Merkozy', maar met die asymmetrie tussen nationale en EU-besluitvorming. Zolang die bestaat, kan zelfs een De Gaulle of een Napoleon hier niets uitrichten.

Ik begon met overeenkomsten tussen de EU en onze opstand tegen Spanje. Er is één groot verschil. In het geval van de opstand was er een overduidelijke gemeenschappelijke vijand die tot een gezamenlijke strijd verplichtte. Maar die heeft Europa niet meer sinds 1989. Nu er geen Sovjet-Unie en de dreiging van een allesvernietigende atoomoorlog meer zijn, denken we wat al te snel dat ons helemaal niets meer kan overkomen. Maar ik ben bang dat dat een vals gevoel van veiligheid is. Voor de betrekkelijk voorspelbare unipolaire, door de VS beheerste wereldorde kwam een zeer onvoorspelbare multipolaire orde in de plaats, waarin allen met allen zullen moeten concurreren.

Er is niet langer een VS die optreedt als de politieman van deze wereld die voor onze veiligheid zorgde. Europa - en zeker de Europese burger - zou zich daarom veel meer en beter bewust moeten zijn van het (gedeelde) Europese politiek belang en van het feit dat je daar offers, soms zelfs grote offers voor moet brengen. De politieke werkelijkheid was altijd een harde werkelijkheid en zal dat ook in de toekomst zijn. Eerst de erkenning daarvan kan Europeanen het besef van lotsverbondenheid geven dat noodzakelijk is, wil Europa in de toekomst het hoofd boven water houden in de multipolaire wereldorde van de komende decennia. Noch China, noch de overige BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India), noch de VS zullen ons helpen bij de realisering van ons 'raison d'état'. Meer nog, het zou in strijd zijn met de aard van die multipolaire wereldorde om dat van hen te verwachten. In die multipolaire orde moet iedereen zijn eigen boontjes doppen; en van degene die ze zelf niet dopt, worden ze rücksichtslos afgepakt. Wil Europa zijn zo aanbevelingswaardige opvattingen over wat een fatsoenlijke samenleving is voor de toekomst veiligstellen, dan geldt dus andermaal het 'either we hang together, or we hang separately'. Staatkundig gezien staat Europa daarom nu dichter bij ons land rond 1580 dan ooit het geval was sinds de Tweede Wereldoorlog.

Ten slotte de financieel-economische dimensie. De opstand tegen Spanje werd ingegeven door religieuze en politieke overwegingen; de economie maakte die weliswaar mogelijk, maar speelde er geen rol in. De Europese eenwording diende daarentegen vooral economische doelen met op de achtergrond ook zeker de wens om nooit meer oorlog in Europa te hebben. Dat laatste is nu ondenkbaar, waardoor alleen het financieel-economische motief overbleef.

Dat heeft een praktisch en een theoretisch nadeel. Het praktische nadeel is dat het bestaansrecht van de EU direct twijfelachtig wordt, wanneer daar geen evidente economische voordelen van te verwachten zijn. Een E(M)U die geld kost levert niet wat beloofd was. Het theoretische nadeel is dat door die focus op de economie de politieke merites van de Europese eenwording niet, of maar moeilijk bespreekbaar zijn. Dat is ernstig omdat de economie nu een keer per definitie aan de politiek ondergeschikt is. Economische overwegingen kunnen en moeten een belangrijke rol spelen in de politieke besluitvorming - helemaal waar! - maar zij zijn nooit meer dan slechts een ingrediënt daarin.

Het is mogelijk om onder omstandigheden voor een politiek te besluiten die economisch nadelig is, maar nooit voor een economie die politiek nadelig is. De keuze voor de economie als basis voor politieke besluitvorming is zelf weer een politieke keuze. Je kunt ook kiezen voor macht, rechtvaardigheid, democratie, veiligheid. Kortom: de keuze voor de economie is maar één keuze uit een rij van politieke keuzes. Politics trumps economics.

De paradox van de hedendaagse EU is daarom dat die van de economie politiek probeert te maken: binnen de logica van de EU is A pas een politiek doel als A de economie dient. Dat is een manier van politiek bedrijven waar weinig heil van te verwachten valt. Dat blijkt ook al meteen daaruit dat economische lange termijndoelen onvermijdelijk een politieke dimensie krijgen en waardoor de wetenschap van de economie met lege handen komt te staan. Bijvoorbeeld, hoe verdelen we de pijn als we armer worden of de rijkdom als het meezit? Wat kan en mag de rol van de staat en van de EU daarbij zijn? We hebben zo langzamerhand voldoende ervaring opgedaan met het neo-liberalisme om te weten dat het economische debat het politieke debat nooit zal kunnen vervangen. We zullen altijd de politieke dieren blijven die Aristoteles in ons ontwaarde.

Concordia res parvae crescunt: door eendracht komt uit het kleine iets groots voort, of ook: eendracht maakt macht. Dat was de wapenspreuk van onze Republiek en zo is het haar gegaan. In haar geschiedenis liggen daarom belangrijke lessen voor ieder streven om kleinere staatkundige eenheden binnen een groter federatief verband samen te smeden. Zoals de Amerikaanse opstandelingen van 1776 ook heel goed wisten. De belangrijkste les is dat zo'n federatief verband nooit wat wordt wanneer er alleen oog is voor de economie en de economie boven de politiek wordt geplaatst. Een economisch ongevalletje - zoals de Griekse tekorten - kan dan heel de broze constructie doen instorten.

Maar de echte vragen over de Europese eenwording zijn politieke vragen. Allereerst, willen we de toekomst in met een verdeeld Europa waar de grootmachten van de toekomstige multipolaire wereldorde makkelijk misbruik van kunnen maken? Of willen we zelf zo'n grootmacht worden? Indien ja, dan zal dat linksom of rechtsom veel geld kosten ¿ ook aan u en mij. Geen grootmacht kreeg in de geschiedenis zijn status en positie ooit gratis en voor niets. Maar wordt Europa een eenheid, dan heeft dat zeker weer economische voordelen. En op de langere termijn zijn die waarschijnlijk groter dan in een verdeeld Europa.

Volgende politieke vraag: hoe moet dat verenigde Europa eruit zien, als we ervoor kiezen? De huidige Poolse Landdag, met een Europees Parlement (van 736 volksvertegenwoordigers die bijna geen enkele Europeaan kent), een Europese Raad (de regeringsleiders van de 27 lidstaten), de Raad van de Europese Unie (de vakministers van de lidstaten voor afzonderlijke aangelegenheden), een Europese Commissie (die uitvoert, controleert, maar ook het recht van initiatief heeft) plus recentelijk nog een voorzitter ('President') van de Europese Raadmet vaak een heel eigen agenda. En daarnaast is er nog een Hoge Vertegenwoordigster voor het buitenlands beleid, die helemaal geen agenda blijkt te hebben. Dan is er nog de onafhankelijke president van de ECB die in een politieke rol gedwongen wordt zodra het moeilijk wordt.

Leggen we deze eigenaardige constructie langs de maatlat van Montesquieu's Trias Politica dan valt daar weinig chocola van te maken. Het lijkt op een mix van machten die min of meer gelijkelijk over al die instanties verspreid zijn. Ik geef het direct toe: zolang er geen helderheid is over de vraag of de souvereiniteit bij de lidstaten of de Unie ligt, zijn dit soort bizarre staatkundige constructies onvermijdelijk. Maar dat maakt de bestuurlijke hulpeloosheid van Europa er niet minder op ¿ helaas.

Of kiezen we voor Europese souvereiniteit en voor een Europese constitutie die staatsrechtelijk klinkt als een klok en waar we de toekomst mee in kunnen?

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden