Een echte kiwi, op blote voeten

De 150000 Nederlanders in Nieuw-Zeeland vormen de derde bevolkingsgroep van het land. De nieuwe lichting Nederlanders heeft een andere instelling dan oudere emigranten en komt veelal voor de vrijheid en de rust.

Anya van Lit

De trein slingert zich een weg langs de baai om te stoppen in Redwood, net buiten Wellington, de hoofdstad van Nieuw-Zeeland.

Niet ver van het station staat het huis van Jan en Saskia Koops, een huis dat ooit in zijn geheel van het platteland werd overgebracht. Saskia zet de eigengemaakte gevulde speculaas op tafel en legt uit dat ze nog geen Nieuw-Zeelands paspoort heeft, maar dat wel snel gaat aanvragen. Ze is in 1983 naar Nieuw-Zeeland gekomen met haar ouders.

Het regent nu, maar destijds waren het weer, het avontuur en een betere toekomst de belangrijkste redenen om te emigreren. Eind jaren zestig en in de jaren zeventig was de stroom Nederlandse immigranten afgenomen; de naoorlogse economie liep op volle toeren en er was minder reden om het land te verlaten. Maar een nieuwe golf kwam op gang kort na de oliecrisis in de jaren tachtig. De nieuwe immigranten waren anders. Ze hadden scholing en universitaire opleidingen en spraken Engels.

Australië stond boven aan de verlanglijst van Saskia's ouders, maar door een toevallige loop van omstandigheden werd het Nieuw-Zeeland -een kennis had het land aanbevolen. Saskia was twaalf en vond het geweldig. Het was niet moeilijk om nieuwe vriendinnen te maken en als buitenlander stond ze enorm in de belangstelling.

Rond haar achttiende begon ze Nederland te missen, waar ze zo jong was weggegaan. Daar groeide het groenere gras aan de andere kant van de wereld. Ze besloot na haar middelbare school terug te reizen naar Europa, naar Spakenburg, waar haar familie oorspronkelijk vandaan kwam.

De geplande twee maanden in Spakenburg werden uiteindelijk vier jaar. Het gemis veranderde in een ander gevoel. Ze prees zichzelf gelukkig dat ze twee werelddelen kon meemaken. Ze omarmde de knusheid, de gezelligheid, vooral op de markt waar ze werkte, maar na vier jaar wilde ze naar huis, naar Nieuw-Zeeland.

Ondertussen had ze in Spakenburg Jan ontmoet, een echte Hollandse man, die nooit had gedacht het schildersbedrijf van zijn vader te zullen verlaten om te emigreren naar de andere kant van de wereld. Maar toen Saskia terug moest om een nieuwe stempel in haar paspoort te halen, wilde hij wel mee. Ze trouwden zodat hij een visum kon krijgen. De rekeningen van het verlovingsfeest en de ringen werden als bewijs opgestuurd naar de Nieuw-Zeelandse ambassade in Den Haag.

In Wellington vond hij binnen twee weken een baan als accountant, Saskia ging aan de slag als reisagent en na een halfjaar kochten ze hun eerste huis. Nu, acht jaar later, wil Jan niet meer weg. Hij voelt zich geaccepteerd door de Nieuw-Zeelanders, heeft baan en huis.

Maar Saskia wil wel naar Australië, naar Sydney, ze vindt Nieuw-Zeeland te klein en het weer te wisselvallig. De hete zomers en milde winters trekken haar veel meer aan. ,,In Australië kun je echt plannen voor een barbecue'', lacht ze.

Met verwondering vertelt Saskia over haar eigen ouders, die de laatste twintig jaar geen enkele keer naar Nederland zijn teruggegaan. Vader was automonteur, iets waar in Nieuw-Zeeland een tekort aan was. Hij kreeg snel een visum. Haar moeder vindt ze een echte immigrantenvrouw, werkend in tal van banen, als schoonmaakster, in een bakkerij, in winkels. Ze voelde zich nooit geïsoleerd en paste zich nog sneller aan dan haar vader, degene die in eerste instantie wilde immigreren.

Ze spreken allebei nog wel Nederlands. Met een schaterlach zegt Saskia: ,,Juist de generatie die hiernaartoe emigreerde in de jaren vijftig gaat wel elk jaar terug, maar spreekt bijna geen woord Nederlands. Nog minder heeft ze op met de viering van Koninginnedag, waar muziek wordt gespeeld van voor de hoempapa: ,,Muziek die ze speelden toen ze op de boot hiernaartoe kwamen''.

Bij aankomst in Wellington, nu zo'n 20 jaar geleden, zochten de ouders van Saskia aansluiting bij de gereformeerde kerk in Wellington. Ze logeerden de eerste twee maanden bij mensen van de kerk. In 1953 hadden Nederlandse immigranten de eerste gereformeerde kerk geopend, om dat in later jaren te doen in heel Nieuw-Zeeland.

Tegenwoordig gaan Jan en Saskia naar het Leger des Heils, the Salvation Army. Moderner, niet dat kerkelijke in een kerkbank, informeel, iets wat veel meer aansluit bij hun behoeftes. Jan bekent traditioneel te zijn ingesteld, maar hij volgt zijn vrouw; vanavond gaat hij naar de mannengroep. Beiden horen bij een groep, met wekenlijke samenkomsten en bijbelstudies.

Hagelslag, appelmoes en drop eten ze eigenlijk meer dan in Nederland. Bij het avondeten komt mayonaise van de Albert Heijn op tafel, gekocht in de Nederlandse winkel in Wellington, bij de patat met kip. ,,Bepaalde dingen hou je toch''. Toch vindt Saskia dat de Nederlanders zich het beste aanpassen. Anderen, zoals de Grieken en Italianen, hebben meer clubs en festivals. Ze kent mensen die na tientallen jaren probeerden zich weer in Nederland te vestigen, om toch weer terug te komen: ,,Ze hadden het zo gek nog niet in Nieuw-Zeeland''.

Manouk, de driejarige dochter, kijkt naar een Nederlandse video, beide ouders praten Nederlands tegen haar. De nieuwe generatie immigranten, waar zij deel van uitmaken, houdt veel meer, maar ook veel makkelijker vast aan de eigen cultuur en taal. Toch noemt Jan z'n dochter een echte 'kiwi' -de bijnaam voor Nieuw-Zeelanders- die altijd op blote voeten wil lopen.

De nieuwe baby wordt over vier weken verwacht, een aantal maanden later zal de hele familie voor de derde keer in acht jaar Nederland gaan bezoeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden