Een duivels wapen

Fritz Haber, de uitvinder van de gasoorlog, noemde chemische wapens humanitair, omdat er minder doden door vielen. Maar de gevolgen van een aanval konden gruwelijk zijn.

Het was een mooie, zonnige lentedag, die 22ste april 1915 in Ieper in het zuidwesten van Vlaanderen, vlak tegen de grens met Frankrijk. Maar de sfeer was gespannen. Tegenover elkaar lagen Duitse en geallieerde soldaten: Britten, Fransen, Algerijnen, Belgen en Canadezen. Die zagen iets na vijf uur 's middags een geelgroene nevel uit de Duitse loopgraven opstijgen en naar zich toekomen, een wolk van wel vijf, zes kilometer breed. Een blinde paniek maakte zich van hen meester, velen sloegen op de vlucht.

Het was het lugubere begin van de eerste chemische oorlogvoering in de geschiedenis. Er waren wel eens eerder experimenten op dit gebied geweest, met traangas bijvoorbeeld. Maar deze aanval van de Duitsers, die bij de voor hen gunstige wind een kleine zesduizend cilinders hadden geopend waaruit zo'n 150 ton chloorgas ontsnapte, was de eerste serieuze.

Vooral de Franse en Algerijnse soldaten werden het slachtoffer. Eerst voelden ze een branderig gevoel in hun ogen, neus en keel, ze werden misselijk en duizelig, daarna kregen ze het benauwd door slijmvorming en vocht in hun longen. Volgens de overlevering zouden vijfduizend van hen zijn gestikt, het is een getal dat in veel boeken en artikelen terugkomt. Twee dagen later zouden nog eens vijfduizend Canadezen door een volgende Duitse gasaanval zijn omgekomen.

Deskundigen trekken die cijfers ernstig in twijfel, zonder iets af te willen doen aan de verwoestende werking van het gif. Eric Wils schrijft op de website wereldoorlog1418.nl dat de Brits/Franse propagandamachine erbij gebaat was het aantal slachtoffers zo hoog mogelijk te leggen. Uitgebreide recente studies komen op duizend tot twaalfhonderd doden op 22 april, en vijftienhonderd gewonden. Twee dagen later zouden 'ten hoogste enkele honderden' Canadezen het leven hebben gelaten.

Feit blijft dat de Duitsers de bedenkelijke primeur hebben gehad van de inzet van chemische wapens in de Eerste Wereldoorlog. Hun reputatie, die al een flinke deuk had opgelopen door het geweld waarmee zij in de zomer bij de inval in België de burgerbevolking tegemoet traden, raakte er verder door beschadigd.

Dodenmaskers

Maar de Britse historicus David Stevenson schrijft in zijn boek '1914-1918' dat de geallieerden het waarschijnlijk ook als eerste zouden hebben gebruikt, als zij daartoe de mogelijkheden hadden gehad; zo netjes waren zij in hun oorlogvoering nou ook weer niet. In het verdere verloop van de Eerste Wereldoorlog hebben zij ruwweg net zo uitbundig gifgas gebruikt als de Duitsers, de hoeveelheden houden elkaar ongeveer in evenwicht.

Net als de loopgraven is het gifgas (eerst chloor, daarna fosgeen en vanaf 1917 het nog giftiger mosterdgas) symbool geworden voor de Grote Oorlog. Vooral foto's van soldaten die zich met gasmaskers, een soort dodenmasker, probeerden te beschermen, hebben een diepe indruk gemaakt op de publieke opinie. Gas werd gezien als een duivels wapen, een volgende stap in de barbarij van de oorlog. Gas ontmenselijkte de oorlog.

De gevolgen van een chemische aanval konden gruwelijk zijn. Soldaten raakten blind, al was het soms 'slechts' tijdelijk - berucht is de foto van Britse soldaten die met witte lappen voor hun ogen en de hand op elkaars schouders over het slagveld wankelen. Vaak liepen ze derdegraads brandwonden op, of stierven een afzichtelijke verstikkingsdood. Velen kregen een zogeheten shellshock, weliswaar vernoemd naar het Engelse woord voor granaat, maar de inzet van gifgas kon eveneens de aanleiding zijn.

Toch zijn de effecten van de chemische wapens in de oorlog '14-'18 relatief beperkt gebleven. Naar schatting is een procent van het totale aantal slachtoffers (zeventien miljoen doden, van wie de helft militair) toe te schrijven aan het gebruik van gifgas. Gewonden herstelden ook veel vaker en vlugger dan soldaten die door granaten of geweervuur waren getroffen.

Dat het aantal slachtoffers meeviel, was onder andere te danken aan de snelheid waarmee gasmaskers werden ontwikkeld. Het was eigenlijk een continue strijd tussen wetenschappers die nieuw en dodelijker mengvormen van gas ontwikkelden en ingenieuze ontstekingsmechanismes, en uitvinders van effectieve maskers daartegen. Die wetenschappers waren op ruime schaal aanwezig: zowel in Groot-Brittannië, Frankrijk als in Duitsland werkten de universiteiten vrolijk mee, net als de industrie trouwens. Er waren in de oorlogsjaren nauwelijks ethische discussies in de academische wereld in de oorlogvoerende landen. Voor wetenschappers stond de loyaliteit jegens het vaderland voorop.

Ook in het neutrale Nederland zijn in de Eerste Wereldoorlog gaswapens en gasmaskers ontwikkeld, zegt militair historicus Wim Klinkert. "En net als in de ons omringende landen deden ook de universiteiten en de industrie daar aan mee." Twee kleine chemische bedrijven, in Zwijndrecht en Rotterdam, gingen daadwerkelijk over tot de productie van gassen, sloegen die op en oefenden ermee.

Foto's van die oefeningen verschenen in de loop van 1917 in de pers. "Dat had twee doelen", zegt Klinkert. "De oorlogvoerende landen kregen de boodschap dat ze ons niet moesten aanvallen, want ook wij hadden chemische wapens. En het moreel van de Nederlandse soldaten kreeg er een opsteker door. Die waren bang dat ze met lege handen zouden staan als Nederland in de oorlog zou worden betrokken."

Humanitair wapen

Vanuit militair oogpunt kleefden er veel nadelen aan gas, zegt Klinkert: "Het kon verwaaien en terugslaan op je eigen manschappen, zeker in het begin met het chloorgas. Het was daardoor een onvoorspelbaar wapen. En later, bij de klevende gassen als mosterdgas, was het terrein dat het oprukkende leger had bestookt onbegaanbaar geworden, en dat voor langere tijd. Als je daar als soldaat ging zitten, brandde het gif door je uniform heen, je lichaam in."

Toch waren er militaire experts en wetenschappers die chemische wapens humanitair durfden te noemen, bijvoorbeeld de Duitse scheikundige Fritz Haber, de man die in feite de gasoorlog heeft uitgevonden - zie het kader hiernaast. Er ging een afschrikwekkende werking vanuit, zoals later ook bij kernwapens. Je kon je er bovendien goed tegen beschermen, waardoor per saldo het aantal slachtoffers gering was. In en na de oorlog verschenen in binnen- en buitenlandse vakbladen statistieken waaruit bleek dat gifgas, afgezet tegen welk wapen ook, minder dodelijk was.

Maar de reputatie is door de jaren heen ronduit slecht geweest. Het gebruik van gifgas was opmerkelijk genoeg al in 1899 verboden verklaard op de internationale vredesconferentie in Den Haag. Toen was al duidelijk dat dat wapen er ooit aan zou komen. Het bezit was niet verboden, en bij een aanval mocht een land zich er wel mee verdedigen.

Na de Eerste Wereldoorlog groeide de weerzin, zeker in pacifistische kringen, maar ook daarbuiten. Er ontstond angst voor de mogelijkheid dat gifgas ook tegen burgers zou worden ingezet, in combinatie met vliegtuigen. Dat gebeurde ook in 1926 toen Spanje mosterdgas gebruikte tegen inwoners van de stad Al Hoceima in Spaans-Marokko. Een jaar eerder had een reeks landen al het zogeheten Protocol van Genève ondertekend waarin het gebruik van chemische (en ook biologische) wapens werd verboden. Maar de productie werd niet aan banden gelegd.

Het Verdrag Chemische Wapens, in 1993 eveneens in Genève ondertekend en vier jaar later van kracht geworden, gaat een stap verder en verbiedt wél het bezit van deze wapens. Vrijwel alle landen in de wereld hebben het verdrag inmiddels geratificeerd. De organisatie die toeziet op de uitvoering van het verdrag, de OPCW, heeft vorig jaar de Nobelprijs voor de vrede gekregen 'wegens haar enorme inzet voor het afschaffen van chemische wapens'.

Zegen en gevaar

Een van de getuigen van de aanval met chloorgas in Ieper in april 1915 was de Duitse scheikundige Fritz Haber. Hij was de ontwerper ervan. Zijn gevleugelde uitspraak was: 'In vredestijd dien ik de mensheid, in oorlogstijd het vaderland.' Ruim drie jaar later werd hem de Nobelprijs voor scheikunde toegekend, niet voor de ontwikkeling van het gifgas, maar voor de synthese van ammoniak uit luchtstikstof en waterstof. Een uitvinding van doorslaggevende betekenis voor de productie van kunstmest.

De gepensioneerde Groningse scheikundeleraar Chrétien Schouteten schreef het toneelstuk 'De scheikundige' over de Duitse chemicus, dat drie jaar geleden is opgevoerd op het Fritz Haber Institut in Berlijn. "In mijn lessen heb ik mijn leerlingen steeds weer gewezen op de ethische kant van een bètawetenschap als scheikunde. Ze kan een zegen zijn voor de mensheid, maar ook een gevaar. Dat zie je terug in de persoon van Haber."

In het toneelstuk komt een knetterende ruzie voor tussen Haber en zijn eerste vrouw Clara - eveneens scheikundige, maar met een pacifistische inslag -, een week na de gifgasaanval in Ieper. Hij zegt dat je met chemische wapens een oorlog kunt bekorten. Clara schreeuwt hem toe: 'Jouw bijdrage is gewetenloos, gruwelijk en barbaars. Pervers is het!' Nog geen 24 uur later pleegt ze zelfmoord.

Het Groningse amateurgezelschap Theaterwerkplaats brengt het toneelstuk in november op de planken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden