Een Duitser in de familie Duitse verhalen waar niemand naar vroeg

De familieverhalen uit de Tweede Oorlog kende Trouw-redacteur Andrea Bosman alleen in flarden. Nu de oorlog met pensioen gaat, reist ze met haar Duitse moeder naar de bunker waar het oorlogsfront eens langskwam. Dan hervinden de flarden hun chronologie, hun tijd en plaats. „Er dringt een werkelijkheid door, zoals ik die niet eerder heb ervaren.”

„De troepen zwermden uit over de grenzen, het Rijnland in. Binnen een dag hadden ze bressen geslagen in de grote groene ’Drakentanden’ en in de massieve betonbunkers van de Siegfriedlinie. Ze stootten richting Oosten door, over de heuvels, die met varens bedekt waren. Ze trokken door kathedraalachtige bossen tot aan de eigenlijke poort van het Rijnland en de Keulse vlakte, die voor hen lag, en die doorkruist werd door brede snelwegen, die direct tot in de grootste steden van het noordelijk Rijnland leidden.”

Thomas R. Henry, oorlogsverslaggever van de Washington Evening Star

Het is heel fijn om een Duitser in de familie te hebben. Niet alleen een spreekwoordelijke, maar een echte. Vooral als het je moeder betreft die geneigd is de dingen nogal serieus te nemen. Dan kun je lachen en makkelijk scoren. Voetbal, gebrek aan humor, goed en fout, Kreislaufstörungen. Je hoeft maar: „ja, want júllie” te zeggen en je hebt haar op de kast. Het Nederlandse superioriteitsgevoel binnen handbereik.

Mijn vader komt uit Zandvoort, mijn moeder uit de grensstreek ter hoogte van Roermond. Ze woonde, om precies te zijn, in Granterath bij Erkelenz toen ze mijn vader leerde kennen. Het was begin jaren zestig en ze ging elk jaar met haar broers en zus kamperen in de duinen. Mijn moeder zag er een beetje uit als Audrey Hepburn; kort donker haar, bruine ogen, mooie benen. Op een feestje kwam ze der Henk tegen; een lange, knappe Hollander. Ze vonden elkaar leuk, gingen brieven schrijven, reden vele kilometers om elkaar te bezoeken, verloofden zich, trouwden. Mijn moeder leverde haar baan, haar paspoort en haar nationaliteit in. Ze werd onder voorwaarden gedoogd. Mijn vaders vader droeg mijn moeder op zo snel mogelijk accentloos Nederlands te leren, zodat niemand zou horen waar ze vandaan kwam. En zo geschiedde.

Dat van die nationaliteit, dat heeft haar altijd dwars gezeten. Het had helemaal niet gehoeven, maar de schoonfamilie vond het vanzelfsprekend. Een jaar of vijftien geleden heeft ze geprobeerd opnieuw Duitse te worden, zonder succes. Verloren tussen twee landen. Heimatslos. Het verweesde gevoel is nooit helemaal overgegaan.

In Zandvoort, dat ook in de beginjaren van hun huwelijk al dreef op Duits toerisme, heetten Duitsers bijna standaard ’mof’, onder kinderen was ’rotmof’ een gangbaar scheldwoord. Het goed-foutspectrum was volkomen duidelijk. Een Duitse moeder werkte daarin vertroebelend.

De sporen van de oorlog beleefden we als kleine kinderen vanuit Nederlands perspectief. ’Wij’ waren bezet geweest. De duinen waar we speelden stonden vol met bunkers. We woonden naast het huis waar mijn vader in de oorlog had gewoond. Er was destijds een granaatscherf in het dak geslagen die hij op zolder in een leeg stroopblik had bewaard. En ja hoor, toen de buren verhuisden en wij op de zolder mochten kijken: daar was het, het stroopblik, onder een loszittende vloerplank. Met de Duitse granaatscherf er nog in.

Mijn Zandvoortse oma had een porseleinen beeldengroepje op de piano staan. Het was niet van haar, zei ze, Joodse kennissen hadden gevraagd of zij het wilde bewaren. Misschien kwam er op een dag nog wel iemand langs om het op te halen.

Mijn moeder heeft in haar jeugd nooit veel gehoord over de verschrikkingen van de Holocaust, zegt ze, al waren ze door de geallieerden wel verplicht naar denazificatiefilms gestuurd. Toen zij eind jaren veertig naar het gymnasium ging kwam een aantal leraren, onder wie de geschiedenisleraar, net terug uit Russische krijgsgevangenschap; broodmagere, getraumatiseerde jongemannen. Er werd niets besproken dat met de oorlog te maken had. Elk jaar begonnen ze weer opnieuw bij de Egyptenaren. „En thuis werd alleen maar gewerkt.”

Jaren geleden bezochten we het Haus am Wannsee bij Berlijn, waar in januari 1942 tot de Endlösung der Judenfrage was besloten. Een foto-expositie; getto’s, treinen, barakken, lijken. Een kamer met portretten van de kopstukken die er destijds bij waren geweest, op die twintigste januari in de villa, voorzien van droge biografietjes.

Buiten brak mijn moeder in stukken en brokken, ontroostbaar. Alsof ze persoonlijk verantwoordelijk was voor alles wat er gebeurd was, maar nooit had geweten hoe verschrikkelijk het was, althans, dat was mijn interpretatie. Mijn geliefde was getroffen, ik alleen maar geïrriteerd. Dit wist ze toch? En waarom leek het ineens haar leed? Zij was toch niet Joods? Haar familie was toch niet vermoord? Of: niemand van de familie was toch kampbewaker geweest of had zich vrijwillig aangemeld bij de Waffen-SS?

Aan de andere kant: waar kwam mijn morele opwinding vandaan? Welk recht van spreken had ik überhaupt?

We lazen als tieners Heinrich Böll (’Wanderer, kommst du nach Spa...’), Wolfgang Borchert (’Draußen vor der Tür’) en waren onder de indruk. We volgden de tv-serie Heimat en vonden dat het zangerige dialect van de inwoners van Schabbach zo op dat van onze familie leek.

Ondertussen hadden we onze eigen Trümmerliteratur binnen handbereik.

Ik denk dat ik me nooit helemaal heb gerealiseerd hoe verwoestend de oorlog in de streek waar mijn moeder woonde – en in de levens van iedereen die daar probeerde te overleven – heeft huisgehouden.

Mijn moeder belt. Van Willi, een van haar oudere broers, heeft ze gehoord dat de bunker in Rheindalen waar zij tijdens de oorlog hebben geschuild, gekocht is door een neef. Dus nu kunnen ze, 65 jaar later, de bunker van binnen bekijken. Er is wat haast geboden want deze neef Simon, een dertiger met een gezin, wil de bunker tot woonhuis verbouwen en is al flink aan het breken in het kennelijk metersdikke beton.

Voor het eerst in mijn beleving openbaart zich iets heel concreets uit de vele verhalen van mijn moeder over toen, die tijd, daar, vlak over de grens, in al die dorpen en gehuchten met namen als Granterath, Gerderath, Golkrath, Matzerath, Hückelhoven, Wassenberg. Iets dat tastbaar is, te bezoeken, te bekijken.

Dat hadden we in al die jaren eigenlijk nooit gedaan: ergens naartoe. We gingen altijd gewoon op familiebezoek, vooral naar Granterath, waar mijn oma bij haar zoon Willi woonde. Willi was bakker. Op zondag waren er harde broodjes en Kaffee und Kuchen. Andere plaatsen waren alleen bedoeld om doorheen te rijden, waarbij de sport voor ons kinderen was om op die ongehoord stille Duitse zondagen ergens in zo’n karakterloos wederopbouwdorp een levende ziel te ontdekken.

In die chaotische oorlogsjaren had het gezin van mijn moeder (twee jongens, twee meisjes en een moeder – vader was kort voor de oorlog gestorven) her en der korter of langer gewoond, verbleven, gelogeerd, maar nooit had ik een duidelijk beeld welke verhalen bij welk oord hoorden en in welke tijd ze zich precies afspeelden. Rheindalen, het klonk altijd ver weg, over de Rijn en in een dal moest dat zijn, maar dat het hemelsbreed hooguit vijftien kilometer verderop was wist ik niet. En dat ze naar die bunker gingen op het moment dat het oorlogsfront over hun dorp heen trok, ik heb het me nooit zo gerealiseerd. Maar nu kan ik het gaan zien.

Toen ze in Rheindalen waren en de chaos op zijn hoogtepunt was – de geallieerden waren net gearriveerd en ze werden om de haverklap overvallen door vrijgelaten Poolse krijgsgevangenen, die uitgehongerd en bewapend de boerderijen in de omgeving afstroopten – stonden er plots Amerikanen op de binnenplaats en eisten een warm bad. Snel werd een tobbe heet water georganiseerd. Mijn moeder weet nog dat de soldaten zich ter plekke, op de binnenplaats uitkleedden en zonder gêne in de tobbe stapten. Toen ze vertrokken waren, bleken ze een stuk zeep te hebben achtergelaten. Een klomp goud in die dagen.

Zulke anekdotes waren er legio, maar ze kwamen altijd in flarden, momenten, en ver van een voorstelbare werkelijkheid. Geen idee precies waar en wanneer het was dat mijn moeders grootvader, een strenge herenboer, vond dat zijn kleinkinderen tijdens geallieerde bombardementen rustig konden doorgaan met de aardappeloogst want ’ze schieten toch niet op kinderen’. Of dat Onkel Joseph, een broer van mijn oma, van het front in Frankrijk deserteerde en vanaf Caen, dwars door Frankrijk in zijn eentje naar huis liep. Dat er een Brits vliegtuig bij het dorp neerstortte en de Ortskommandant aan toegesnelde dorpsgenoten verbood om de gewonde piloten te verzorgen. Of dat mijn moeder tyfus had en zes weken alleen en zonder bezoek in een ziekenhuis moest blijven , en hoe ze bij thuiskomst zo verschrikkelijk onder de luizen zat dat haar moeder en tante ze al van verre van haar hoofd af zagen springen. Of dat haar oudere broers, Willi en Franz Joseph, het waagden om te paard op zoek te gaan naar gesneuvelde soldaten, hen schoenen en wapens afnamen en aldus bewapend de kans liepen aangehouden en desnoods ter plekke geëxecuteerd te worden.

Zo losgeslagen kwamen die vaderloze jongens van twaalf, dertien, veertien jaar uit de oorlogsjaren, wilde ze maar zeggen. Wildwest, dat was het.

Er was een dode Serviër bij, vertelt Willi aan de keukentafel in Granterath, vlak voor we de bunker gaan bekijken. Die Serviër was door de Amerikanen neergeschoten, had een schone schotwond in zijn voorhoofd, in zijn ene hand een stuk brood, in de andere een harde worst. Met een mes sneden ze zijn schoenveters door. „Ik weet nog precies hoe hij heen en weer schudde’’, zegt Willi. Op die Servische soldatenlaarzen heeft een andere oom nog minstens vijf jaar rondgelopen. Dit was in februari 1945.

Ook mijn moeder heeft haar broer nodig voor de chronologie, het aaneenrijgen van de flarden. Ze was acht in dat laatste oorlogsjaar, Willi een paar jaar ouder. Vanaf december 1944 stond het front muurvast aan de Roer, enkele kilometers van Gerderath, waar het gezin op dat moment bij mijn moeders grootvader op de boerderij woonde. De beschietingen werden steeds heviger. Vlak na Kerst ontplofte een granaat op de binnenplaats van August, een broer van grootvader en timmerman. Hij en zijn zoon kwamen om, het hoofd van August lag er half af. August had kort daarvoor zijn eigen kist al getimmerd. „Je weet maar nooit’’, had hij tegen zijn vrouw gezegd.

Er dreigde evacuatie vanwege de oprukkende geallieerden, de Rijnlanders werden naar het oosten van Duitsland gestuurd, naar Thüringen, maar dat wilde moeder absoluut niet, zegt Willi. Tegelijkertijd werden hij en zijn broer, ondanks hun leeftijd, opgeroepen voor de Arbeitseinsatz, ze moesten anti-tankgraven maken maar werden daar door hun oom Joseph, de frontsoldaat die naar huis was gekomen, al vrij snel weer weggehaald.

In de loop van februari begonnen verschillende offensieven om het Rijnland en dreigde de evacuatie echt door te gaan. Toen werd besloten om naar Rheindalen te gaan, naar de boerderij van de oudste broer van mijn oma. Dat betekende dat midden in de winter de halve huisraad op diverse karren werd geladen, het vee werd verzameld, opa, oma, ongetrouwde tantes, iedereen ging mee.

In Rheindalen werden de familieleden door de Ortskommandant over verschillende gezinnen verdeeld, tot het front dusdanig opschoof dat iedereen de schuilkelder inmoest. Kelder, ja, ik stelde me steeds een kelder onder een boerderij voor, waar misschien veertig of vijftig mensen in konden.

Maar nu zijn we in Rheindalen en ik weet niet wat ik zie. Tegenover de voormalige boerderij van oma’s oudste broer staat een gigantisch grijs betonnen ding met twee verdiepingen met een reusachtig dak. Natuurlijk, we kennen de grote Hochbunker uit de Duitse steden wel, waar de burgerbevolking moest schuilen. Maar hier, aan de rand van een dorp met uitzicht over weilanden zijn de verhoudingen zoek. Het gebouw oogt modern, eerder een vreemde erfenis uit de Koude Oorlog dan een gebouw van bijna zeventig jaar oud. Het hoge puntdak moest vanuit de lucht de suggestie wekken dat het hier een grote boerenschuur betrof. De bunker had officieel plaats voor vijftienhonderd mensen, maar tijdens die februaridagen verdubbelde dat aantal al snel. Geen wonder dat mijn moeder zich voornamelijk de stank en de vuiligheid herinnert, dat ze tot aan de enkels in de stront stonden, en vooral de benauwdheid, het gebrek aan zuurstof omdat ze met zovelen op elkaar gepakt zaten. Dat ze heel veel op haar tenen heeft gestaan om met haar neus in de buurt van de luchtgaten te komen. Dat er smalle houten bankjes stonden om op te slapen, verder niets, geen dekens, kussens.

Neef Simon is al flink bezig geweest: aan de achterkant zit een gat van ongeveer drie bij twee meter in het anderhalve meter dikke beton, binnen is hij begonnen met de sloop van de cel-achtige kamertjes aan de lange, lage gangen waarin de raamloze ruimte is opgedeeld. We kunnen nu nog een blik werpen op wat een goed uitgerust schuilonderkomen lijkt te zijn geweest: met aparte toiletruimtes, kamertjes die over een eigen wasbak en wc beschikten. De cellen aan de binnenkant waren uiteraard het benauwdst, daar moest de lucht via een ingewikkeld pijpenstelsel naartoe. Mijn moeder en Willi proberen te reconstrueren waar zij zich bevonden in die dagen. De luchtkokers, die om de paar meter in de muren zijn aangebracht, vormen voor mijn moeder de duidelijkste aanknopingspunten.

Willi is maar sporadisch binnengeweest, toen. Hij en zijn broer bleven rondzwerven, en doken tijdens hevige beschietingen liever de kelder van de boerderij in, op het laatst met een demente opa en een verdwaalde Rus. Die Rus kon nog net verhinderen dat opa te vroeg uit de kelder kwam om de geallieerden van zijn erf af te jagen. Willi weet nog precies hoe ze vlak daarvoor, vanuit het huis, de Amerikanen aan hadden zien komen, over de velden. Eerst alleen maar ijzer, tanks en dergelijke, daarna soldaten, onder wie veel ’negers’, zegt Willi. „Daar waren we ook bang voor gemaakt, voor de negers uit de SingSinggevangenis.’’

De Amerikanen haalden ze uiteindelijk uit de kelder en ontdekten wonderlijk genoeg niet dat de jongens allebei een pistool in hun broekzak hadden.

In de loop van de dagen erna mochten de mensen geleidelijk de bunker uit, waarbij de evacués werden gescheiden van de dorpsbewoners. Opa nam mijn moeder mee om een Passierschein te krijgen om weer naar huis te gaan. „Waar hij het vandaan haalde weet ik niet, maar hij trok zijn mooiste pak aan, met hoed, vest en handschoenen en drong met mij meteen naar voren. Hij kreeg de Schein als een van de eersten.”

Daarmee moesten ze onmiddellijk vertrekken, al was het al middag. En dus werden huisraad en familieleden weer op twee huifkarren en een koets geladen en vertrokken ze, uiteindelijk pas tegen de avond, hoewel dat niet mocht. Daarom kozen ze een route via kleine binnenwegen.

Die route leggen we nu met de auto af, terug naar Gerderath, voor een deel door beschermd natuurgebied, een mooie bosweg door ontluikend groen.

De terugtocht was hels. De weg bestond hoofdzakelijk uit gaten vanwege de geallieerde bombardementen, deels dichtgestort met het puin van de opgeblazen kerk van Golkrath.

Op weg door het bos werd het gezelschap door twee Russen overvallen. Ze begonnen aan de kisten op de kar te sjorren, de broers sloegen hen er met zwepen af. Bijna thuis kwam een van de huifkarren vast te zitten in de modder. Franz Joseph werd te paard vooruitgestuurd naar het dorp om hulp te halen. Alle huizen leken leeg, tot hij in het huis van de pastoor een gezelschap van een man of tien aantrof, de enigen die nog over waren in het dorp, druk bezig rozenhoedjes te bidden.

Later werden Franz Joseph en zijn Onkel Fritz aangewezen om de doden uit de huizen te halen, mijn moeder herinnert zich nog dat ze met een kar vol lijken door het dorp reden.

Het is nog niet zo heel lang geleden dat ze dat voor het eerst vertelde.

Misschien is het naïef maar nu de flarden van deze verhalen een chronologie, een tijdsaanduiding en een geografie hebben gekregen, dringt een werkelijkheid door, zoals ik die niet eerder heb ervaren, en die de verhalen overstijgt. Alsof ik voor het eerst zie wat ze hebben meegemaakt.

Toch blijven het verhalen.

Het is een klein wonder, dat behalve August de timmerman en zijn zoon de hele familie redelijk ongeschonden door de oorlog is gekomen.

Mijn moeder heeft geen trauma's, zegt ze. „Misschien vanwege het collectieve, omdat het iedereen overkwam, omdat we altijd samen waren. We waren samen bang, we gingen samen ook weer verder. En er was ook niemand die er naar vroeg nadien, niet alsof we iets bijzonders hadden meegemaakt. Het was gewoon zo.”

En gaat verder met het volgende verhaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden