Een duel tussen broer en zus

Hoe ontstaat een boek? In deze maandelijkse interviewserie vertellen schrijvers hoe zij werken, schuren en morrelen aan hun manuscript. In aflevering 4: Doeschka (56) en Geerten Meijsing (54). Broer en zus werken voor het eerst van hun leven aan een autobiografisch duoboek, 'Moord & Doodslag'. Doeschka: ,,Ik ben puur gelukkig als ik schrijf.'' Haar broer: ,,Ik vind schrijven een gruwel, ik zou het niemand aanraden.''

Zijn schrijfproces is geheim, zegt Geerten Meijsing. ,,Daar moet je niet te veel over vragen.'' Hij wappert in zijn kleine, ouderwets gemeubileerde, etagewoning met volgeschreven schriften en dikke mappen met genummerde knipsels en foto's. Kijken mag, maar aanraken is verboden: ,,Ik doe graag een beetje geheimzinnig, je mag er niet in lezen.''

De schrijver zwoegt hier, op zijn Amsterdamse pied-à-terre, op de laatste hoofdstukken van 'Doodslag', dat deels gebaseerd is op een geruchtmakende Italiaanse moordzaak. Eigenlijk had het manuscript al af moeten zijn, de deadlines zijn verstreken. Maar Meijsing trekt zich niets aan van 'al die idiote data', en hij negeert ook 'de hete adem' van zijn zus zoveel mogelijk: ,,Het boek heeft z'n eigen tijd nodig, het moet goed worden.''

Voor het eerst in hun lange schrijfcarrières (die begonnen in 1974 (Doeschka) en 1975 (Geerten)) maken broer en zus Meijsing samen een dubbelroman: twee boeken in één band die 'Moord & Doodslag' gaat heten. Al is 'samen' bij de Meijsings een relatief begrip: ze mogen geen letter van elkaars manuscripten lezen, ze overleggen nauwelijks en ze willen ook niet samen worden geïnterviewd.

,,Ik voel me niet op mijn gemak met Doeschka erbij'', zegt Geerten. ,,We gaan interne grapjes maken'', zegt Doeschka. En dus vertellen ze ieder apart over hun boek in wording en hun experimentele samenwerking, die veel weg heeft van een schrijversduel. ,,We hebben het nu expliciet gemaakt'', zegt Doeschka: ,,Dit is een competitieboek.''

Op de onderdelen 'snelheid' en 'discipline' heeft Doeschka haar broer nu al verslagen. In haar stijlvol ingerichte benedenwoning in het centrum van Amsterdam vertelt een tevreden schrijfster dat ze haar manuscript zojuist bij de uitgeverij heeft ingeleverd. Straks gaat ze het nog een paar dagen uitvlooien samen met haar redacteur: titels, automerken, namen, Italiaanse woorden en andere details checken. Maar de grote klus is geklaard en dus kan zij ontspannen terugblikken op het ontstaan van dit duo-boek.

De kiem van 'Moord & Doodslag' ligt op Sicilië, waar Geerten Meijsing al enige jaren woont. Samen met haar partner Xandra Schutte was Doeschka Meijsing in het voorjaar van 2002 op bezoek bij haar broer. En die was -net als de rest van Italië- bezeten van 'de zaak-Cogne', een moordzaak die alle kranten en tv-programma's vulde.

Op 30 januari 2002 werd in Cogne een 3-jarig jongetje, jongste telg in een modelgezin, thuis vermoord. Door zijn moeder, gelooft de ene helft van Italië, dat door het nog altijd lopende strafproces diep verdeeld is geraakt. Welnee, de moeder is onschuldig, weet het andere kamp, waartoe ook Geerten Meijsing behoort. Hij ging dikke dossiers aanleggen met alle mogelijke krantenknipsels, eerst zomaar, al gauw met het oog op een boek.

,,Ik vond het zo vreemd, Geerten was erdoor geobsedeerd. Dat eenzame leven op die zuidelijkste punt van Europa, en dan die moord waar hij zich min of meer aan vastklampte'', zegt Doeschka. En zo ontstond het idee voor 'Moord & Doodslag': Geerten zou zijn boek schrijven over de zaak-Cogne, terwijl Doeschka's roman gaat over haar broer op Sicilië die helemaal in de ban is van een moordzaak.

Ze legden een aantal contouren vast, vertelt Doeschka: beide boeken spelen zich af op Sicilië, in een periode van twee weken, waarin de zus de broer bezoekt. Ook over de weersomstandigheden maakten ze een afspraak: in de roman is de winter koud en guur. En er waren ook 'prohibitielijnen', die Doeschka niet mocht overschrijden: ,,Ik mocht niet Sicilië of überhaupt Italië beschrijven, dat is zijn terrein. Ik moest met mijn handen van de zaak-Cogne afblijven. En ik mocht ook niet schrijven dat hij te dik is, ik moest gewoon schrijven: stevige man.''

En verder waren er geen remmen op het schrijfproces, al beweert Geerten wel dat hij het heel hinderlijk vond dat zijn zus een halfjaar lang vlak bij hem op Sicilië woonde, om daar te kunnen schrijven. Ze zagen elkaar misschien één keer per week, maar toch: ,,Het was de dreiging dat ze daar was. Als je schrijft, dan gaat alles wat je meemaakt door een trechter, een zeef, alles heeft plotseling met het boek te maken. Doeschka's komst verstoorde dat proces, ik moet niemand om me heen hebben.''

Maar Doeschka zat afgelopen winter en voorjaar toch op Sicilië, heel gedisciplineerd te schrijven. Met de hand, in een mooi, regelmatig handschrift in meisjesachtige opstelschriften, chronologisch van A tot Z: van de eerste zin van hoofdstuk 1 tot de laatste zin van het boek. Ze laat de schriften zien, die nauwelijks doorhalingen, klodders of pijlen bevatten en vloeiend, moeiteloos lijken te zijn volgeschreven.

Haar hand beweegt als vanzelf over het papier, zegt Doeschka: ,,Vanaf de eerste zin schrijft mijn pen wel verder. Dat is eigenlijk nooit anders geweest.''

De eerste zin op papier, de ideeën en grove lijnen in haar hoofd. Met een schema of hoofdstukindeling heeft de schrijfster alleen bij 'Robinson' (1976) gewerkt en dat is haar niet bevallen: ,,'Robinson' is eigenlijk een heel kinderachtig boek, volgens een schematje gemaakt en heel voorzichtig geschreven. Het was mijn eerste roman en ik dacht: je kunt niet zomaar gaan schrijven. Ik heb het nooit meer zo gedaan, ik wil totaal vrij zijn op papier.''

Wel bepaalt Doeschka van tevoren de omvang van een roman: ,,Dan weet ik of ik kortademig of langademig moet zijn. Bij 'De tweede man' dacht ik : ik wil nu wel eens een boek van 400 pagina's schrijven. En daar houdt de hand zich dus aan.'' En ook moet ze -voordat ze begint- weten hoe haar hoofdpersonages gaan heten. Naar de juiste naam kan zij maanden zoeken: ,,Dat is een van de moeilijkste dingen, want de meeste namen kloppen niet. Als ik geen naam heb, dan kan ik niet verder, die naamzoekerij is altijd een heel gedoe.'' Voor haar eigen alter ego en dat van haar broer koos ze nu de namen Andrea en Timbeer.

Is de handgeschreven versie klaar, dan volgen het typewerk en het kleine schaaf- en schrapwerk. Knippen en plakken, schuiven met scènes of hoofdstukken, rigoureus herschrijven, de schrijfster doet het nooit: ,,Het is zo gegeven als het er staat, deze scène staat niet voor niets op die plaats, ik kan het niet verbeteren door er in te schuiven.'' En 'iets' zegt haar tijdens het schrijven dat ze op de juiste toonhoogte zit, dat haar tekst de goede 'klankkleur' heeft.

Het schrijfproces lijkt voor Doeschka bijna religieus geladen: ,,Als ik aan het schrijven ben, dan word ik 's ochtends wakker en dan denk ik: hoi, dat schriftje ligt er. Ik ben daartoe op aarde: om te schrijven -en dus ben ik alleen maar gelukkig als ik schrijf.

Ik vind het heerlijk: scheppen, personages binnen laten komen. Dat gaat gewoon zo tijdens het schrijven: ik heb even een kok nodig, hij heeft een Italiaanse naam, hij komt uit Genova en hij is getrouwd.''

Toch heeft haar 'pure geluk' een schaduwkant: aan elke plezierige schrijftijd gaat steevast een 'downperiode' vooraf. En die is heel heftig en minstens even lang als haar schrijfperiode. Eén jaar schrijven, één jaar 'hangen', dat is zo'n beetje Doeschka's ritme: ,,Heel vervelend, het zou beter zijn als ik in die tijd een baan had.'' Ze verveelt zich als ze niet schrijft, heeft nergens zin in, hangt maar wat rond, kijkt in de krant, moet zichzelf dwingen om iets te ondernemen, komt maar niet tot lezen of schrijven. Zo gaat dat al jaren, ze heeft zich er min of meer bij neergelegd: ,,In die verveelperiode maken zich allerlei chemische procesjes op, zodat ik daarna aus einem Guss kan schrijven.''

Het hangen blijkt een familiekwaal te zijn. Want zo typeert Geerten zijn grootste schrijfprobleem: ,,Dat ik dus geen zin heb om te schrijven; ik lig de hele dag op bed om die weerzin te overwinnen.'' Anders dan zijn zus beleeft hij geen plezier aan het daadwerkelijke schrijven: ,,Het is een ramp, een vorm van masochisme. Ik wou dat ik er nooit aan begonnen was.'' Hij ketent zichzelf vast in zijn kamer, hangt de hele dag tegen het schrijven aan, mag van zichzelf niet naar buiten: ,,Dan verspeel ik mijn energie. Als ik

's ochtends boodschappen ga doen, dan zie ik het al somber in voor de rest van de dag. Het is me niet gelukt om een vast ritme aan te brengen; zelfdiscipline vind ik ontzettend moeilijk.''

En dus schuifelt de schrijver -die ook last heeft van een hartkwaal- dag na dag tussen bed en schrijftafel: ,,Zo ben ik de hele dag in touw. Ik begrijp niet dat er zoveel gelukkige schrijvers zijn.'' Om zijn tegenzin te overwinnen drinkt hij een halve fles whisky, die geeft hem soms de nodige energie: ,,Het feitelijke schrijven is enorm uitputtend, even uitputtend als een podiumoptreden. De inzet is totaal, het kost moed, durf en energie, ook in ethische zin. Er zijn geen kant-en-klare antwoorden, je weet ook nooit of wat jij schrijft noodzakelijk is. Niemand vraagt om een nieuwe roman.''

De alcohol werkt drempelverlagend en dat is prettig, zegt Geerten: ,,Dan heb ik minder gêne om ook slecht te schrijven.'' En hij haalt Tsjechov aan, die vond dat een schrijver ook brutaal en slecht moest durven schrijven. Is hij eenmaal, eindelijk, aan de slag, dan gaat het schrijven wel: ,,Er is een soort schrijfwet: schrijven doet schrijven.''

Om meer greep te hebben op zijn eigen schrijfproces -om niet gemakzuchtig te worden, zich niet alleen door die schrijfwet te laten voortstuwen- maakt Geerten Meijsing wél eerst een plan voor zijn roman. Een soort architectonische bouwtekening: ,,Je moet dragende bogen hebben en tussenruimtes. Dat is een metafoor, maar zo werkt het wel.'' En dus stelt hij van tevoren het aantal hoofdstukken vast, bepaalt hij de lengte en de toon van elk hoofdstuk. De toon van dit hoofdstuk wordt 'parlando', zo weet hij dan bijvoorbeeld: ,,Ik vind het verschrikkelijk als een boek maar één toon heeft.''

De laatste zin van zijn boek schrijft hij het eerst, de eerste hoofdstukken het laatst, daar is hij nu nog druk mee bezig: ,,Ik heb het altijd zo gedaan, aan het eind weet je pas wat je in die laatste hoofdstukken moet voorbereiden.'' En tot op het allerlaatst verandert hij zinnen, maakt hij van 'Enkele reis ditmaal' bijvoorbeeld 'Enkele reis graag'. Want 'ditmaal' is veel te zwaar, dat merkt hij nu hij de zin hardop leest. Juist die finetuning is ontzettend belangrijk, weet de schrijver: ,,Eén sleets woord en mensen vinden je boek niet goed meer.''

Alle lezers en critici gaan straks natuurlijk vergelijken: welk boek is het best? ,,Ja, dat is het ontzettend stomme van dit plan'', zegt Geerten, voor wie deze schrijfkwelling nog niet voorbij is. ,,Dat kan rampzalig uitpakken voor de een of de ander.'' Doeschka noemt de competitie met haar broer 'doodeng': ,,Maar je moet natuurlijk altijd de dingen doen die doodeng zijn. Anders heeft schrijven geen zin.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden