Een doodgewoon liefdesverhaal

De zomer is hét moment om bij te lezen, en dus krijgen veel klassiekers een nieuw jasje. Deze week: Tsjechovs 'De dame met het hondje'.

De Bach van de literatuur noemt schrijfster Maartje Wortel Anton Tsjechov (1860-1904) in haar nawoord bij de zojuist verschenen bundeling Tsjechov-verhalen 'De dame met het hondje'. Een gevaarlijke uitspraak, maar ik begrijp 'm wel. Dostojevski is biologerend, Tolstoj is indrukwekkend, maar Tsjechov is superieur, ook als je hem vergelijkt met al die na hem komende toneel- en verhalenschrijvers, van zijn tijdgenoot Guy de Maupassant tot een hedendaagse verhalenschrijver als John Cheever, en van Ibsen tot Albee. Hoe komt het? Misschien omdat Tsjechov bij uitstek de schrijver zonder standpunten of politieke overtuigingen is, hij is de pure observator van menselijk gedrag. Daarnaast is hij als schrijver het toppunt van elegantie zonder ooit estheet of mooischrijver te worden, een kwaal die vooral in zijn eigen dagen heel wat literatuur heeft bedorven.

Neem het verhaal waarnaar deze bundel genoemd is - 'De dame met het hondje' - wellicht zijn beroemdste korte verhaal, over twee doodgewone mensen, een ambtenaar en de vrouw van een ambtenaar die elkaar op vakantie ontmoeten. Eerst is het een flirt maar als ze beiden thuisgekomen zijn bij hun respectievelijke wederhelften merken ze dat ze werkelijk van elkaar zijn gaan houden. Weer ontmoeten ze elkaar, maar de vluchtige en luchtige liaison van zopas is voorbij, alles is zwaar geworden.

Een doodgewoon liefdesverhaal over doodgewone mensen. Misschien is het meest bijzondere nog wel dat Tsjechov er na klassieke verhalen als die van Madame Bovary, Anna Karenina en Effi Briest géén dramatisch einde aan breit: geen dood, geen vreselijke scheiding, hij laat het vervolg aan de lezer zelf over. Tsjechov is de meester van een beheerst evenwicht - neutraal, als dat woord niet zo hulpeloos zou klinken: de meester van het objectieve, dat zowel opgewektheid als melancholie toelaat, en ja, ook in dat opzicht doet hij wel aan Bach denken.

Geen schrijver of toneelschrijver ontkomt aan schatplichtigheid aan deze schrijver, en misschien is dat ook wel een beetje zijn noodlot: hij is bijna te groots, te klassiek om er nog gewoon van te genieten. Daarom is het goed om hem van tijd tot tijd uit de kast te halen, en te controleren waarom hij de standaard vormt, het ijkpunt.

De historicus Jan Romein beweerde ooit dat Tsjechov de ondergang van de aristocratische cultuur in Rusland had beschreven. Dat is te veel gezegd want de adel speelt nauwelijks een rol in zijn werk, maar hij is wel een echte democraat; in zijn verhalen treden studenten op, sloebers, hoeren en gewone Russen, en ze krijgen allemaal het volle pond. Ook het volk heeft recht van spreken. Dat komt vooral tot uiting in het magistrale verhaal 'Zaal 6', waarin de hoofdpersoon gesprekken voert met een dwarse maar intelligente ziekenhuispatiënt (het ziekenhuis lijkt eigenlijk meer op een krankzinnigeninrichting), die de sociale spijker op zijn kop slaat: "Maar stel dat u door een beroerte getroffen zou worden en een of andere stupide vlegel zou, gebruikmakend van zijn rang en de situatie, u in het openbaar beledigen, en u zou weten dat hij dit ongestraft kon doen, dan zou u begrijpen wat het is anderen af te schepen met inzicht en het ware heil."

Overigens wemelt het in Tsjechovs werk van de dokters, een uitvloeisel van zijn werk als huisarts en misschien ook wel van zijn eigen zwakke constitutie. Het verhaal 'De vlinder' heeft veel weg van Flauberts 'Madame Bovary'. Olga is getrouwd met de brave arts Dymov maar begint na een tijdje iets met de flamboyante Rjabovski. Dymov vermoedt wel iets, maar sluit zijn ogen ervoor. Maar anders dan bij Flaubert gaat niet de zondares ten onder maar de bedrogene, die sterft aan difterie. Oneerlijk, ben je geneigd te zeggen, maar wel typisch Tsjechov, die niet aan voorkeursbehandeling doet. Overigens veroorzaakte 'De vlinder' indertijd flinke opschudding omdat allerlei mensen zich erin herkenden. Ons kan die biografische achtergrond niet veel meer schelen, maar het zegt wel iets over Tsjechovs werkwijze: hij was een realist, geen idealist. Ook allerlei godsdienstige aannames betwijfelt hij in zijn werk, zoals de onsterfelijkheid van de ziel en de rechtvaardigheid van het heelal. Daarentegen komen er wel allerlei bovennatuurlijke verschijnselen voor, zoals in 'De zwarte monnik', waarin een overspannen intellectueel last van spookbeelden heeft.

Lezers van nu zullen meer geraakt worden door de psychologische verfijning van Tsjechov, zoals hij bijvoorbeeld dit ruziënde stel beschrijft: "Ze kwam niet aan tafel voor het middageten of de thee. Jegor Semjonytsj liep eerst met een gewichtig en misnoegd gezicht rond als wilde hij te kennen geven dat voor hem rechtvaardigheid en orde boven alles gingen, maar algauw bond hij in en kreeg hij iets moedeloos." Tsjechov is de meester van de menselijke portretkunst, zo diep bij ons ingedaald dat we soms dreigen te vergeten hoe bijzonder dat is. Hem (voor een habbekrats) herlezen is daarom een feest van hernieuwde kennismaking.

A. P. Tsjechov: De dame met het hondje en andere verhalen Vert. Marja Wiebes en Yolanda Bloemen; L. J. Veen; euro 10,-

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden