Een dodelijk stilleven

Rijdend door het zuiden van Libanon is te zien

Een jonge soldaat staat naast de gebombardeerde brug over de Litani Rivier, zo’n 100 kilometer ten zuiden van Beiroet. Hij groet ons vriendelijk en overhandigt een brochure met daarin afbeeldingen van allerhande bommen die we op onze reis door het uiterste zuiden van Libanon kunnen tegenkomen. Behalve de „grote jongens”, die tot een ton wegen en per F16 afgeleverd worden, toont de lijst ook tal van clusterbommen in vlinder- en zelfs sinaasappelvorm.

In het bezit van deze allesbehalve geruststellende wetenschap wurmen we ons voor de zoveelste keer sinds het vertrek uit Beiroet over een geïmproviseerd zandpad. In de voorbije maand heeft Israël immers bijna alle Libanese bruggen tot pulp gebombardeerd.

Het Libanon ten zuiden van de Litani is zelfs in oorlogstijd adembenemend mooi. In de valleien lijkt het op het glooiend landschap van Toscane of Zuid-Frankrijk. De bergtoppen zijn echter niet groen, maar kaal en woest. Onder het wakend oog van kasteel Beaufort laten wij de rivier achter ons en rijden zuidwaarts in de richting van Mardjajoen, waar Saladin ooit een jaar bivakkeerde ter belegering van het machtige Beaufort.

Het roodgedakte christelijke stadje was vorige week nog enkele dagen in handen van het Israëlische leger, maar aan de ingang van Mardjajoen staan nu een lange colonne voertuigen en soldaten van het Libanese leger, die conform VN-resolutie 1701 Zuid-Libanon in beheer nemen. In de stad lijkt niet veel gevochten. Op het plein is een bom ontploft en voor het eerst zien we sporen van Israëlische tanks. Een ervan blijkt over een MG-sportwagen uit de jaren zestig te zijn gereden. Het resultaat lijkt op een geplet blikje cola. De meeste inwoners zijn vorige week naar Beiroet gevlucht en nog niet teruggekeerd.

We verlaten Mardjajoen. Volgende stop is het bijna op de grens gelegen Khiam, het stadje dat tijdens de Israëlische bezetting van Libanon nog als militair hoofdkwartier diende. Onderweg wordt de herinnering aan de oorlog grimmiger. Afgebrande velden en huizen, gebombardeerde benzinestations, meer en meer sporen van rupsbanden. Een auto met een Duits nummerbord passeert. Twee vrouwen zwaaien uitbundig met een Libanese en een Hezbollah-vlag, hoewel er boven onze hoofden onmiskenbaar een onbemand vliegtuigje met camera zoemt.

In Khiam worden we voor het eerst voluit met de oorlog geconfronteerd. Bijna de gehele binnenstad is verwoest. Hier zijn, anders dan in Zuid-Beiroet, niet alleen complete gebouwen platgebombardeerd, ook zijn er tal van kogelinslagen, als bewijs dat hier zware een-op-een-gevechten zijn geleverd. Maar ondanks alle verwoesting is er volop leven. Veel inwoners zijn reeds teruggekeerd en overal hangen Hezbollah-vlaggen en posters van Hassan Nasrallah.

Te midden van de brokstukken in het hart van de stad drinkt een groep jongemannen in spijkerbroek en T-shirt koffie. Ze lachen uitbundig. Zouden zij de onzichtbare Hezbollah-strijders zijn, die wisten te voorkomen dat het Israëlische leger Khiam veroverde?

Op de heuvel boven het stadje stond tot voor kort de gevangenis die na de Israëlische terugtrekking in 2000 niet werd afgebroken, maar tot museum omgetoverd, ter nagedachtenis aan de talloze Libanezen die daar soms jarenlang opgesloten zaten en, naar verluidt, gemarteld werden. De Israëlische luchtmacht heeft daar echter een grondig einde aan gemaakt, want er staat werkelijk geen steen meer op een andere. Het uitzicht over de Golan en Israël blijft echter adembenemend.

Op het puin van de voormalige gevangenis lopen ook de bestuurder van de Duitse auto, zijn modieus geklede vrouw en twee andere dames. „Wij wonen al jaren in Mannheim, maar kwamen op vakantie naar Libanon”, zegt hij. „Twee dagen later begon de verdomde oorlog. Wij zaten in een dorpje vlak bij Nabatieh in Zuid-Libanon. We weigerden te vertrekken. Dit is ons land. Dit is waar wij geboren zijn. Dus besloten we te blijven en hielpen we de gewonden. En nu vieren we feest! Wij zijn geen lid van Hezbollah, maar wij zijn er trots op hoe zij gevochten hebben. Ik beloof je, vanaf nu loopt Israël niet meer over ons heen.”

Even later gaat de reis verder, eerst terug het dal in, en dan weer omhoog, over de weg parallel aan de grens, op naar Bint Jbeil, de plaats waar gedurende deze oorlog het hardst gevochten is. In de vallei passeren we opnieuw zware rupsbandsporen en twee enorme gaten van bijna tien meter diep in het wegdek. We stappen uit. In een nabije boomgaard ligt, tussen enkele fel rode appels, een niet ontplofte, mansgrote bom van bijna een ton. Een dodelijk stilleven.

Leden van de bommenopruimingsdienst nemen maat en data op. De bom zal later met een kraan opgetakeld worden en op een veilige plek tot ontploffing worden gebracht. „Wees voorzichtig bij Arnoen, want het ligt daar vol met clusterbommen”, waarschuwt een van hen.

Op de weg langs het hek dat de grens met Israël vormt, komt opnieuw de Duitse auto al vlaggenzwaaiend langsgescheurd. Dat er in de verte een witte Zeppelinballon met camera hangt, deert hen niet. Op verschillende plaatsen aan de andere kant van het hek zitten Israëlische fotografen. Journalisten waarschijnlijk, die de stemming in Libanon willen vastleggen.

Even later staan we in Bint Jbeil, dat tot „de hoofdstad der bevrijding” is gedoopt, zo horen we bij binnenkomst. Dit herinnert aan het feit dat het Israëlische leger verschillende malen verkondigde het over de heuvels verspreide stadje te hebben ingenomen, om de dag erna weer bekend te maken dat het zich had teruggetrokken. In Bint Jbeil hebben we het absolute dieptepunt van onze reis langs de verwoesting van Zuid-Libanon bereikt.

Het hele centrum van de stad ligt in puin. Achter weggeslagen gevels verschijnen keukens en woonkamers, waar de stilstaande klok het moment van de bominslag aangeeft. Overal hangt de lucht van verrot vlees en vergane groenten, waarop een leger van miljoenen vliegen al wekenlang feest. Een deel van de hoofdstraat is afgezet vanwege de aanwezigheid van onontplofte granaten en bommen.

Net als in Zuid-Beiroet wordt ook in Bint Jbeil door tientallen mensen uitbundig de overwinning gevierd, ook al is dat er een met een uiterst wrange bijsmaak. Een man komt aangereden in een auto. Terwijl zijn vrouw en zoontje in de auto blijven, opent hij de stalen deur van zijn winkel en barst in tranen uit. Een andere man vertelt dat hij eerst zijn huis in zijn geboortedorp in Zuid-Libanon verloor, en vervolgens ook zijn tweede huis in Zuid-Beiroet. Toch koestert hij geen enkele wrok jegens Hezbollah.

„Wie heeft mijn huis gebombardeerd?” vraagt hij. „Hezbollah of Israël? Als zij denken ons klein te krijgen door onze huizen te bombarderen, hebben ze het mis. Die hebben we tenslotte al talloze malen eerder herbouwd.”

De weg van Bint Jbeil naar Tyrus aan de kust voert langs talloze andere dorpjes en stadjes, sommige islamitisch, andere christelijk. Hier lijken geen een-op-een-gevechten te hebben plaatsgevonden en is de verwoesting beperkt tot hier en daar een krater in het wegdek, een verwoest huis of benzinestation. Eenmaal bij Tyrus blijkt de brug over de Litani Rivier zodanig verwoest, dat we via een zandpad door de uitgestrekte bananen- en sinaasappelplantages omgeleid moeten worden. Twee colonnes auto’s die elkaar een voor een moeten passeren. Wat normaal gesproken een halve minuut duurt, vergt nu bijna een uur. En dat op een dag dat er weinig of geen verkeer is. Israël bezwoer Libanon terug in de tijd te zetten, en dat heeft het op enkele plaatsen ook absoluut gedaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden