'Een dichter maakt zijn eigen God'

interview | Voor theoloog Martien Brinkman is poëzie een hulp bij het begrijpen van het christelijk geloof. In dichtregels vindt hij sfeer, gevoel en emotie. Iets wat niet in geleerde studieboeken staat.

Amsterdam, het zijn de jaren zestig. Omgeven door het aroma van frituurvet ontdekt Martien Brinkman de kracht van poëzie. Overdag werpt de student zich op zijn studie theologie, 's avonds bespreekt hij in de Febo met studiegenoten verzen van Gerrit Achterberg. Een wereld gaat open. Wat hem aanspreekt is het ritme van de tekst en de ongewone woorden.

Dat is wel iets anders dan wat Brinkman hoort tijdens de colleges aan de theologiefaculteit van de Vrije Universiteit. Daar heerst een gereformeerde traditie van, zo herinnert hij zich, 'alles uitleggen' en 'alles verklaren'. Allemaal mooi en zinvol, daar niet van, toch verdwijnt er iets voor de student: sfeer, gevoel en emotie. In de dichtregels vindt hij iets wat niet in de geleerde studieboeken staat.

Nu, ruim veertig jaar later, is Brinkman nog steeds verrukt. Hij veert op in zijn woning in De Bilt: "Een dichter zoekt woorden bij emoties. Dat is iets anders dan wat vaak in de theologie gebeurt." Hij kan het weten. Inmiddels is Brinkman hoogleraar theologie aan de universiteit waar hij ooit studeerde. "In de theologie gaat het vaak om gedachtegangen en het eindeloos uitwerken van begrippen. Daarmee gaat in mijn ogen de essentie verloren. We raken de onbevangenheid kwijt, en de ervaring. Met ervaring bedoel ik niet een emotionele opzwieper, ik heb het over de poging om de essentie van het geloof terug te vinden. Wat vóelen we bij woorden als God, genade, zonde en schuld?"

Jaren speelde Brinkman met de gedachte om een boek te schrijven over de dichterlijke ervaring van religieuze gedachten. Hij had er nooit tijd voor, maar op de valreep van zijn pensioen is het er toch van gekomen. In het onlangs verschenen boek 'Hun God de mijne?' bespreekt Brinkman een aantal door hem gekoesterde dichters. Naast zijn eerste liefde Gerrit Achterberg komen ook Hendrik Marsman, Martinus Nijhoff en Ida Gerhardt aan bod. Stuk voor stuk dichters die volgens de theoloog zoeken naar "nieuwe woorden voor een oud begrip".

Volgens Brinkman hebben deze dichters ook gelovigen van nu wat te zeggen, al dateert hun werk in de meeste gevallen van tientallen jaren geleden. In hun dichterlijke verwerking van religieuze gedachten zijn ze, vertelt Brinkman, hun tijd minstens een halve eeuw vooruit.

De vier dichters lieten zich in het verzuilde Nederland niet vastpinnen op een specifieke kerkelijke stroming. "Eigenlijk deden ze aan wat tegenwoordig een beetje laatdunkend 'zelfspiritualiteit' wordt genoemd. Ze maakten toen al hun eigen God, hun eigen Jezus."

De genoemde dichters 'herijken' voor Brinkman een flink aantal christelijke noties. Zo laten ze klassieke kerkelijke dogma's links liggen. Vader, Zoon en Heilige Geest bijvoorbeeld, komen in al hun dogmatische finesses niet aan bod. "Dat voegen ze vaak samen tot één goddelijke inspiratiebron. Het goddelijke staat dan voor creatieve geestkracht. Voor empowerment zeggen we nu. God is niet zozeer een macht van buiten, maar eerder een in hen werkende kracht. God is de bron van hun creativiteit."

Volgens Brinkman gaan de dichters hiermee een flink aantal stappen verder dan de kerkelijke dogmatiek. "Deze dichters voelen zich medeschepper." Volgens Brinkman stippen de dichters daarmee een gedachte aan die theologen eeuwenlang angstvallig vermeden. "De dogmatiek had altijd moeite de juiste woorden te vinden voor de menselijke medewerking met God, de schepper en vernieuwer. De kerk is altijd huiverig geweest die gedachte nader uit te werken. Men was bang dat de grens tussen God en mens dan zou vervagen."

Op de tafel van Brinkman ligt een stapel uitgeprinte gedichten. Om te laten zien waar hij op doelt pakt hij 'Isotopen', een gedicht van Gerrit Achterberg (zie kader). Hij leest de dichtregels voor: "'t Voornaamste is mezelf hier kwijt te raken; in de woestijn de afvalstof eindelijk uit te braken." Volgens Brinkman gaat het in deze regels om een dichterlijke identificatie met Jezus en doelt de dichter op een 'verinnerlijkte Jezus'. Brinkman: "Want daar gaat het in het proces van afsterven en opstaan in feite om."

Terwijl hij vertelt, komt Brinkman terecht bij een probleem: hoeveel hedendaagse literatuurliefhebbers hebben deze impliciete verwijzingen naar de christelijke theologie nog door? De door hem gekozen dichters schreven in een culturele context die door en door christelijk was. Brinkman wijst met zijn vinger een woord aan. "Achterberg heeft het over 'een witte stad'. Dat is het Nieuwe Jeruzalem." Alleen een slinkende groep senioren die nog gepokt en gemazeld is in de protestantse cultuur weet waarover het gaat. Brinkman, geboren in 1950, rekent zich zelf ook tot deze groep. "Dat is de generatie voor wie woorden als barmhartigheid, lankmoedigheid, mededogen en genade nog een door en door christelijke betekenis hebben. Dat is de gemeenschappelijke context die deze dichters en wij delen."

Brinkman beseft maar al te goed dat nieuwe generaties de talloze veelal impliciete verwijzingen naar christelijke woorden en aannames niet meer zien. Toch is dat geen enorme ramp. Volgens hem hebben de gedichten genoeg zeggingskracht zonder rugzak aan christelijke bagage. Wel zullen nieuwe lezers de gedichten anders lezen dan oorspronkelijk bedoeld is. "Het accent dat Achterberg en ook de andere dichters leggen op het afleggen van het oude leven en het aandoen van het nieuwe leven zal veel mensen nu eerder hindoeïstisch of boeddhistisch in de oren klinken." Is dat erg? Nee, vindt Brinkman. Besef van de christelijke traditie verrijkt de tekst, maar is geen voorwaarde om de boodschap te peilen. "Deze kunst is geen plaatje bij een bestaand theologisch praatje. Het is een vindplaats die op zichzelf staat."

Martien E. Brinkman: Hun God de mijne? Over de God van Gerrit Achterberg, Hendrik Marsman, Martinus Nijhoff en Ida Gerhardt. Meinema, Zoetermeer; 176 blz. euro19,90

Wie is Martien Brinkman?

Martien E. Brinkman (1950) is hoogleraar oecumenische/interculturele theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op de beeldvorming van Jezus in de cultuur. Zo schreef hij een paar jaar geleden 'Jezus incognito. De verborgen Christus in de westerse kunst vanaf 1960.' Kunst en christelijke religie stellen in Brinkmans ogen dezelfde vragen naar het wezen van het bestaan. Alleen gebeurt dat volgens hem in de kunst dikwijls origineler, intelligenter en intenser dan in menig theologisch boekwerk.

Isotopen

Kettingreacties hebben u gespleten.

Uw plaatsen trekken weg uit mijn gemoed.

Wat overblijft, een onbestemde moet,

heeft daar van de geboorte af gezeten.

Vacantieganger, vreemdeling op heden,

zwerf ik door Afrika en maak het goed

schrijf ik naar huis, waar niemand iets

vermoedt.

In de practijk is iemand gauw vergeten.

't Voornaamste is mezelf hier kwijt te raken; in de woestijn de afvalstof eindelijk uit te braken;

een ander worden, van zijn vlees en bloed,

pas, portefeuille, pak, horloge, hoed,

stropdas, bretels, lakschoenen, ondergoed,

en zand er over; tot ik voor zijn zaken

een witte stad bereik en zonder wraken

u in de hal van het hotel begroet.

Gerrit Achterberg (1905 - 1962)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden