’Een dichter laat woorden naar elkaar kijken en elkaar bepampelen.’

De bodem van de vijver in het Antwerpse Stadspark is net zo grassig groen als de oevers. Nergens water te bekennen, te wijten aan een graaffout bij de aanleg van het nieuwe station voor de hogesnelheidstrein.

Antwerpenaren maken zich botanische zorg om de verdroging van het park, maar ook om de orthodoxe joden van Antwerpen-Berchem, die nu hun zonden als kruimels traditiegetrouw niet meer in het vijverwater kunnen werpen.

Als hij stadsdichter was geweest, had Leonard Nolens geheid een gedicht aan de verdroogde vijver gewijd. Maar Nolens is Antwerps stadsdichter niet. Hij is dichter van zichzelf. Uit zijn bundel ’Een dichter in Antwerpen’:

Maar toch nog dit: / Ik heb de hele nacht naar ons verlangd / En steek mijn kop onder de kraan / En was je gezicht. / Zo slordig werkt poëtische precisie.

Ter gelegenheid van de Gedichtendag 2007 (25 januari) vroeg Poetry International hem tien gedichten te dichten. Nolens deed dat met zijn nieuwe bundel ’Een fractie van een kus’. Hoewel het thema van de Gedichtendag ’stilte en eenvoud’ is, hoefde hij zich daar niet strikt aan te houden. Hij is nou eenmaal niet iemand die op bestelling of op een thema kan dichten. En stilte dient zich in zijn werk toch wel en doorlopend aan, in tal van hoedanigheden.

Op zijn dagelijkse wandeling van zijn huis naar zijn werksouterrain in Antwerpen-Berchem, ziet hij keer op keer automobilisten voor stoplichten of in de file wachten: gejaagd en verkrampt achter hun stuurtjes.

’Laat’ (Uit: ’Laat alle deuren op een kier’, 2004)

Vertraag.

Vertraag.

Vertraag je stap.

Stap trager dan je hartslag vraagt.

Verlangzaam.

Verlangzaam.

Verlangzaam je verlangen

En verdwijn met mate.

Neem niet je tijd

En laat de tijd je nemen -

Laat.

Als er al ’mooie’ of ’lelijke’ woorden bestaan, dan kan ’langzaam’ wel eens zijn lievelingswoord zijn. ,,Ik moet het vaak schrappen omdat ik het te vaak gebruik. In elk gedicht zou ik het woord langzaam wel willen schrijven. Als woordbeeld, als klank, en allicht als betekenis: het verlangen om te fixeren, om stil te zetten, tegen het tikken van de klok, om het stromen van de tijd tegen te gaan.”

,,Ieder woord kijkt naar ieder ander woord in een gedicht. Dat doet een dichter: woorden naar elkaar laten kijken, luisteren, aanraken, elkaar bepampelen. Maar woorden moeten ook naar ’een buiten’ verwijzen, het mag niet hermetisch worden in de zin dat ze alleen maar naar elkaar kijken. Paradoxaal genoeg is een goed gedicht een compromis tussen het beeldende, muzikale en ideeënrijke.”

,,’Lelijke woorden’ kunnen volgens de filosoof Wittgenstein niet bestaan, daar ’de betekenis van een woord de manier is waarop dat woord wordt gebruikt’. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar als je het zo verwoord ziet, is het releverend.”

Toch blijft woordkeus ondergeschikt aan ritme. ,,De dieptevorm, de witregels, de plaatsing van de leestekens, de adem die door een gedicht heen trekt.”

Leonard Nolens besefte al vroeg dat hij nooit een vaste baan zou uitoefenen. Laat staan van negen tot vijf onder kunstlicht voor een baas zou werken. Hij heeft zijn eigen discipline, of beter geduid: goesting. Sinds dertig jaar loopt hij dagelijks naar zijn werkplaats om te dichten en te vertalen. Dat zijn souterrain aan de Anna Bijnsstraat ligt, is puur toeval. Hij koos het niet vanwege de Middeleeuwse dichteres, al is die straatnaam een aangenaam toeval.

Hij studeerde Italiaans, Frans en Duits, en vertaalde werk van André Gide, Albert Camus, Jean Améry, Peter Handke en Cesare Pavese. In het Anna Bijnssouterrain wachten hem dagelijks twee cahiers op: voor vertaling en voor zijn gedichten.

Vertalen zegt hij nooit met veel plezier te doen, omdat steeds ’het echte werk’ wacht. Maar het dwingt hem om verschillende registers te gebruiken. ,,Schrijven is in zekere zin ook een vorm van vertalen.”

Hij schreef al gedichten toen hij nog leerde schrijven en ervoer dat als een vanzelfsprekendheid. En zag die tot zijn voldoening ook gepubliceerd in de plaatselijke krant ’Het belang van Limburg’.

Hoe een achtjarige jongen weet wat een gedicht is? Simpel: hij kende kinderrijmpjes, moest op school gedichten uit het hoofd leren en leerde ritme kennen aangezien er in het ouderlijk huis volop gemusiceerd werd.

,,Net als met muziek begreep ik dat je met gedichten niet alleen slaafs de partituur maar ook je improvisatievermogen moet volgen. Zo ook met koken. Het mooiste is om van een ijskast vol kliekjes een nieuw gerecht te creëeren. Schrijvenderwijs kook je met woorden steeds iets nieuws.”

,,Ik heb altijd liefdesgedichten geschreven. Er moet steeds een ’jij’ zijn, ik moet iemand aanspreken. Ik droomde wel eens om over dingen te schrijven, maar daar ben ik niet toe in staat. Ik ben nauwelijks gehecht aan dingen. En als er een ’jij’ is, dan is er ook een ’ik’. De ik-vorm geldt als taboe, en ik vind het spannend om met mijn pen in dat taboe te prikken.”

Nolens gelooft niet dat scheppen een kwestie is van negentig procent transpiratie en tien procent inspiratie. ,,Dan zou elke dichter elke dag minstens een gedicht schrijven. Hoe komt het dat Du Perron of Achterberg tijdenlang niet, en dan opeens heel veel schreven? Je eerste regel, zegt Achterberg, krijg je cadeau. En dan komt het er op aan om je tweede en derde regel op hetzelfde niveau te krijgen.”

,,Ik ga nooit achter m’n tafel zitten met een wit vel papier voor me, en dan maar kwartierenlang afwachten. Ik moet iets in mijn hoofd hebben. Nee, geen gedachte, dat is al te voltooid. Eerder een flard. ’Vertraag je stap’, dat zeg ik ook hardop tegen mezelf. Laat je niet opjagen. En dan komt het schikken der zinnen ’vanzelf’. Het mooiste is wanneer je al een woordeloos ritme hebt, waar de woorden nog in moeten vallen.”

In momenten van hapering is het zaak het gedicht-in-wording weg te leggen en iets volslagen anders te gaan doen. Koken, lezen, piano spelen. Andersom belandde hij ook in momenten van euforie, zoniet van epifanie. Zijn Brescyclus ontstond ’als een stroom’. Wat ook weer verraderlijk kan zijn, ,,want als het zo gaat, denk je dan, kan het niet goed zijn.”

,,Dichten is vaak een fysiologisch proces. Alsof de gedichten gedicteerd worden. Etymologisch komt ’gedicht’ ook van ’dictee’. De beeldhouwer Brancusi formuleert dat treffend: ’Het is niet moeilijk om dingen te maken, het is moeilijk om je in een toestand te brengen waarin je ze kunt maken.’ Het gaat er om dat je zo leeft dat je altijd ontvankelijk bent. Simpel voorgesteld: Je wordt wakker en staat op, en maakt je gereed om je huis te verlaten. Want ik kan niet werken tussen de broodkruimels of als de postbode aanbelt. Dan ga je op pad, met het gevoel dat ginder iets of iemand op je wacht.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden