Een denker in de publiciteit

Er is geen filosoof die zo lang in de schijnwerpers van de westerse wereld heeft gestaan als Jean-Paul Sartre (1905-1980). Hij was het toonbeeld van de geëngageerde intellectueel.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij het enige volmaakte exemplaar van die mensensoort is geweest: zeker, na hem zijn er op gezette tijden denkende schrijvers opgestaan om zich in het publieke debat te mengen, zoals Peter Sloterdijk in Duitsland, Robert Menasse in Oostenrijk of Bernard-Henri Lévy in Frankrijk (van wie onlangs een biografie van Sartre is verschenen) of - vooruit maar - Harry Mulisch in ons land, maar nooit hebben ze de universele en onaantastbare status bereikt die Sartre in het naoorlogse Frankrijk genoot.

Sartre was het onbetwiste geweten van links; aan zijn oordeel werd een enorme waarde gehecht, zowel door links als door rechts. Er was geen publieke figuur die zo diep gehaat en zo buitensporig verafgood werd als hij. Voor een hele generatie intellectuelen is hij een lichtend voorbeeld geweest; hij was, om het zo te zeggen, de icoon van de progressieve intelligentsia. Op hem waren ogen en oren gericht als het erom ging een standpunt in te nemen in een of andere maatschappelijke kwestie.

Er was maar één figuur die Sartre in roem en gezag evenaarde, en die stond, niet toevallig, op de rechtervleugel van het politieke spectrum: Charles de Gaulle (1890-1970). In het spanningsveld tussen deze twee giganten speelde het politieke gebeuren zich grotendeels af. In de ernstigste crisis van het naoorlogse Frankrijk, de gebeurtenissen in mei 1968 (les événement de mai) stonden de held van links en de held van rechts als protagonisten tegenover elkaar. De restauratie van de Vijfde Republiek die op mei 1968 volgde betekende de triomf van De Gaulle en het debâcle van links Frankrijk. Er kwam een definitief einde aan de illusies ('de verbeelding aan de macht!') van de linkse elite en haar meesterdenker Jean-Paul Sartre.

Wanneer we vanuit onze jonge eeuw terugkijken op de maatschappelijke ontwikkelingen tijdens en na de decennia waarin Sartre op het toppunt van zijn roem stond, dan kunnen we geen andere conclusie trekken dan dat hij zich consequent heeft ingezet voor projecten die tot mislukken gedoemd waren: het existentialisme (een gepopulariseerde en kleinburgerlijke versie van het denken van Heidegger); het marxisme (aanvankelijk in zijn stalinistische variant); en het maoïsme (met afstand de grootste en moorddadigste leugen van de twintigste eeuw).

Het lijkt wel alsof Sartre's slechtziendheid (die uiteindelijk in totale blindheid overging) hem al bij voorbaat blind maakte voor de corruptheid van de in praktijk gebrachte, pseudo-vooruitstrevende ideologieën, die door rechtse intellectuelen terecht en met harde bewijzen al in een vroeg stadium aan de kaak werd gesteld. De loop van de geschiedenis heeft met wrange ironie Sartre's ideologische keuzes op overweldigende wijze gelogenstraft.

Je kunt je afvragen waaruit de nalatenschap van een dergelijke maatschappelijke titaan bestaat. Wat blijft er over als de stofwolken van de politieke actualiteit verwaaid zijn. Kortom: heeft Jean-Paul Sartre de 21ste eeuw nog iets te bieden?

Sartre was een uiterst productief schrijver en beoefende alle literaire genres. Hij schreef romans, novelles, toneelstukken, filmscenario's, essays, biografieën en filosofische studies. In geen van die genres wist hij maat te houden: al zijn geschriften vertonen de neiging tot in het oeverloze uit te dijen. Dat geldt in hoge mate voor zijn laatste werk: een bijna drieduizend bladzijden tellende biografie van Gustave Flaubert, L'Idiot de la famille, waarin aan elke uiting van de negentiende-eeuwse schrijver, al is ze nog zo onbenullig, betekenis wordt gehecht.

Sartre's wijdlopigheid is ongetwijfeld een van de redenen waarom hij tegenwoordig nauwelijks meer gelezen wordt. Een andere reden is dat zijn werk te zeer de sfeer ademt van het tijdsgewricht waarin het geschreven is: het is het tegendeel van tijdloos. Sartre zat te dicht op de huid van zijn tijd; daarom maakt veel van zijn werk nu een bijna potsierlijke indruk op ons. Het is bijna onmogelijk geworden ons te verplaatsen in het levensgevoel van de eerste generatie na de Tweede Wereldoorlog (zwarte coltruien, zware, filterloze sigaretten, jazzmuziek en Juliette Gréco, - en praten, veel en diepzinnig praten).

Aan het einde van zijn leven verwerpt de afgetakelde filosoof zijn hele levenswerk: terecht, is men even geneigd te denken. Toch is dit oordeel te streng, want in zijn inderdaad enigszins verstofte en dof uitgeslagen oeuvre fonkelt één klein juweel: Les Mots (1963), waarin hij de herinneringen aan zijn kinderjaren beschrijft, maar vooral ook interpreteert. In dit unieke boek heeft de veelschrijver eindelijk maat weten te houden; hier betoont hij zich een briljant miniaturist en bevestigt hij eens te meer het beroemde adagium van Goethe: 'In der Beschrünkung zeigt sich erst der Meister' [in de zelfbeperking blijkt pas het meesterschap].

Over dit meesterstuk van Sartre een andere keer meer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden