Review

Een delta van geschiedenissen

De roman waarmee Rob van der Linden (1957) debuteert, heeft een titel, 'De hand, de kaars en de mot', die meteen al na vijf bladzijden wordt uitgelegd, al kan niemand dan nog begrijpen wat er precies mee bedoeld wordt. De hand blijkt toe te behoren aan de vader, de moeder is de kaars die door hem wordt aangestoken en de mot is de valse profeet Manus die zich met de brandende kaars inlaat, wat op termijn zijn einde betekent. Dit is een duidelijk trio, maar welk verhaal of welke betekenis schuilt er achter deze beeldspraak en wie is de persoon die ons dit allemaal, nota bene vanuit de Negev-woestijn, in zijn dagboek uit 1994 meedeelt?

De man heet Pieter van der Kleij en hij is natuurlijk de zoon van de hand en de kaars. Hij heeft in zijn jeugd aanvankelijk huisvriend Manus als zijn tweede en betere vader beschouwd, maar die liefde is wreed verstoord en hij voelt zich de verrader van wat werkelijk aan de hand was, namelijk dat Manus naar bed ging met zijn moeder. Dat is weliswaar lange tijd in deze roman niet zeker, maar de suggestie is zo evident dat de ontdekking door de zoon van dit feit allerminst onverwacht komt, eerder als de bevestiging van een reeds opgebouwde zekerheid.

Deze Pieter, zoon van ouders die deel uitmaken van een wijdvertakte, gegoede familie, waartoe ook Van den Bergh, Bovendeert en Bender behoren, heeft zich teruggetrokken in de woestijn, ver onder Beer Sheva, nabij de ruïnestad Shiva, om daar zijn eigen verleden en dat van de familie onder ogen te zien, op schrift te stellen en vervolgens te begraven aldaar. Hij wil weten wat er is gebeurd, het zijn therapeutische overwegingen die hem tot dit teruggetrokken schrijven aanzetten. Zodra het proza in deze roman zich aan het bespiegelen zet, is het vaak moeilijk te verdragen (vooral in de dagboekpassages valt de clichétaal op): ,,Ik was zo gek als Manus door Janneke gedumpt en bleef dat ontkennen als mijn vader. Ik had als mijn moeder Meike gedumpt die net als mijn vader begon te worden. Ik was in Rebecca mijn moeder tegengekomen, had als mijn vader mijn ziel en zaligheid geofferd op een altaar van verlatingsangst, en toch ging ze weg! Nu ik dit zo opschrijf, besef ik dat het voer voor psychologen is.'' Inderdaad.

Het merkwaardige van deze roman is dat er een groot verschil in kwaliteit bestaat tussen de verhalende en bespiegelende gedeelten, waarbij ter geruststelling kan worden opgemerkt dat de verhalende gedeelten verre in de meerderheid zijn. Als gedreven verteller, vooral wanneer hij zich onbekommerd aan het fabuleren zet, is Rob van der Linden een verademing. Zijn roman is met een haast onuitstaanbaar groot personagebestand toegerust, van vele tientallen: Pieter, Rebecca, Rick, Gerard, Gradda, Dorothea, Dorus, Dora, Theo I, Joop, Gerard, Theo II en zo verder, de Dramatis Personae worden aan het begin van elk van de drie delen waar het boek uit bestaat, trouwhartig opgesomd, maar het duizelt je dikwijls in deze familiekroniek en de vraag waar je uithangt moet dan beantwoord worden door een blik in de inhoudsopgave, waar onder de prachtige hoofdstuktitels ('Over schoenmakers en kabouters', 'Over fietstochten en Blue Band') de jaren staan aangegeven waarin ze spelen.

Het blijkt dan dat deze kroniek van een, zoals gezegd zeer vertakte, familie al aanvangt in 1568, als Hendrik Bender bij Heiligerlee sneuvelt, en eindigt in het jaar 2000, als Pieter met zijn kinderen terugkeert naar Shiva, waar hij in 1994 zijn dagboek in een muurtje had achtergelaten. Kort daarvoor waren zijn ooms Dorus en Paul, die in een propellervliegtuigje razendsnel, al jaren, rond de wereld vlogen om veroudering tegen te gaan (de nieuwe dageraad vooruit te blijven, onzin, maar wel leuk), precies op die plek gecrasht, aangeschoten door Egyptenaren. Een Israëlische militair, daar vlakbij woonachtig in een caravan, had de dagboekjes gevonden en liet ze aan de twee Hollanders zien, die meteen vaststelden dat ze over hun familie handelden. Als Pieter daar even later verschijnt hoort hij dit verhaal, maar het is, zie ik in, onbegonnen werk om deze heksenketel van anekdotes vanuit de ontknoping overzichtelijk te maken.

Het mooie van Van der Lindens roman is gelegen in die afwisselende en toch bij nader inzien met elkaar in verbinding staande aaneenrijging van verhalen, met zowel realistische als fantastische elementen: een verhalenkrans die helderheid moet verschaffen inzake de familiegeschiedenis en de invloed die Pieter daarvan heeft ondergaan.

De roman heeft wel iets weg van een delta, waarin van alle kanten rivieren uitstromen die zelf weer, eerder, zijn gevoed door allerhande zijriviertjes, met hun eigen geschiedenis.

Bovendien last Van der Linden geregeld verhalen in verhalen in. Het is in feite een mirakel dat je uit zo'n bonte hoeveelheid verhalen nog wijs kunt worden. Toen ik na lezing de lijst van personages nog eens doornam, verraste het me bij hoeveel namen ik me hun geschiedenis nog voor de geest kon brengen. In de kern is het begonnen om Pieters ouders, hun leven en de manier waarop zij hun kind hebben opgevoed. De figuur van de valse profeet Manus -hij meende de aankondiger, zelfs de verwekker van de wederkomende Christus te kunnen zijn- speelt een belangrijke rol in het geheel.

Van alle figuren worden de geschiedenissen opgedist die in familiekring de ronde doen. Een weids tableau ontstaat aldus, waarin zelfs generaal Pichegru een voorname rol krijgt toebedeeld. Van geschiedenis, oude, maar ook recente, waaronder de Tweede Wereldoorlog, is deze roman vervuld: de persoonlijke van Pieter en zijn familie en de algemene geschiedenis zijn hier meesterlijk met elkaar verstrengeld.

Een verrukkelijk personage is tante Jo. Zij heeft de eigenaardigheid dat ze wanneer het donker wordt, verandert in een zeemeermin. In de oorlogsjaren, in de verduisterde trein van Parijs naar Haarlem, verkleed als non, weet ze zich op het verlichte toilet een gewoon mens op twee benen te houden, maar als controlerende Duitsers haar arresteren op verdenking van spionage komt ze in Utrecht 's nachts in een auto terecht: ,,Ze waren nog geen vier minuten onderweg en draaiden noordwaarts de Catherijnesingel op, toen de politieman op de achterbank een sigaret aanstak en in het schijnsel van de ontbrande lucifer de glinsterende schubben van de vissenstaart zag oplichten, die onder het habijt een eigen leven was gaan leiden.''

Jo weet te ontsnappen door, zoals het een zeemeermin betaamt, in het water te glippen en pas weer op te duiken in de Minstroom, waaraan haar ouderlijk huis is gelegen. De vitaliteit van dit soort verhalen is aanstekelijk en bewijst dat Van der Linden een gedreven verteller is, die kan putten uit een rijke familiegeschiedenis, al dan niet gefantaseerd. Het is achteraf bezien jammer dat hij dit verhalende veelstromengebied repetent heeft onderbroken door het woestijndagboek, dat alleen maar zijn behoefte aan bezinning vertegenwoordigt, en dat in de meest slappe taal, die overigens aan deze bijzondere, vertellende roman vreemd is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden