Een dagje naar Almere

Pieter Hoexum ging een dagje naar Almere, hoewel het hem nog zo was afgeraden. Hij knapte er niet van op: 'Eerlijk is eerlijk, ik kan het niemand aanbevelen, een dagje Almere. En toch: nog is Almere niet verloren, het mag in elk geval niet afgeschreven of opgegeven worden. Er wonen zo'n 180000 mensen.' Hoexum zoekt de oplossing in de introductie van 'Belgische toestanden' in de stedenbouwkundige plannenmakerij: ,,In België rommelt men maar wat aan. Hier heerst de mentaliteit van de 'bricoleur'. In tegenstelling tot de ingenieur gaat een bricoleur - een knutselaar - zonder systeem of systematiek aan de slag, met het voorhanden zijnde materiaal: hij ziet wel waar het schip strandt. Het mooie is dat een bricoleur geniet van zijn werk en zich door dat genot durft te laten leiden.''

Hoe meer je ergens voor waarschuwt, hoe aantrekkelijker het meestal wordt: juist het verbod maakt een verboden vrucht onweerstaanbaar. In zijn boek 'Mijn Nederland' waarschuwt Geert van Istendael zijn lezers niet naar Almere te gaan: 'Geloof me nou, ik ben er geweest. Ga niet naar Almere.' Ik kreeg dus de neiging onmiddellijk af te reizen naar Almere, volgens Van Istendael niets minder dan 'het failliet van de goede bedoeling'. Sterker nog: 'Almere is het failliet van de maakbaarheid. Almere is het failliet van de Nederlandse beschaving in de laatste kwarteeuw.'

Almere kent even overdreven pleitbezorgers, die je van de weeromstuit argwanend maken. Op een tentoonstelling over Nederlandse woningbouw in het Nederlands Architectuurinstituut, was ook een hoekje aan Almere gewijd; daar las ik op een tekstbordje dat Almere 'een prachtig overzicht biedt van woonarchitectuur, lifestyles en stedenbouwkundige modes van de afgelopen decennia'. Optimistisch stelde men dat Almere weliswaar nog niet klaar is, maar 'ook de komende jaren zal het zich als het toonaangevend laboratorium van Nederlandse woonarchitectuur doen gelden.'

Volgens de website van de gemeente Almere staat deze stad bovendien 'bekend om haar bijzondere architectuur'. Iedere wijk en buurt is 'een belevenis op zich, met vele architectonische hoogstandjes'. 'De combinatie van verrassende gebouwen in een natuurlijke, groene omgeving maken Almere bij uitstek een stad voor een ontdekkingsreis per fiets.'

Vooruit dan maar, per trein zou ik naar Almere gaan, om daar een fiets te huren en de stad te verkennen.Papieren zakje

Het station van Almere kun je aan alle kanten verlaten. Dat klinkt handig, en bij het binnenkomen is dat ook vast wel handig, maar bij het verlaten van het station is het lastig: Wat is de goede kant? Is er een goede kant? De ene kant blijkt een busstation te zijn, dus dan maar de andere kant op. Een plattegrond kan ik niet vinden, behalve een verbleekte en onbegrijpelijke. Maar er is een kiosk en daar zullen ze toch een plattegrond hebben? Er is één klant voor mij aan de beurt: een man in een blauwe stofjas die een doos sigaren koopt en er een doosje lucifers gratis bij krijgt. Dit is een van de zeer zeldzame 'middenstandsscènes' waar ik die dag getuige van zal zijn. Almere heeft namelijk geen winkels, alleen maar filialen van grote winkelketens.

Een kleine lofzang op de middenstand is hier wel op zijn plaats. In mijn huidige woonplaats, Purmerend, voelde ik me meteen helemaal thuis toen ik, nog aan het klussen dat onvermijdelijk bij een verhuizing hoort, in het centrum een fantastische, ouderwetse ijzerwarenwinkel aantrof. Daar staat achter de toonbank een man die geduldig je vraag aanhoort en dan concludeert dat je een 'kousje' nodig hebt. Vervolgens neemt hij je mee naar achteren, naar het magazijn. Dat is niets minder dan een schatkamer: onafzienbare rijen kasten met laatjes met moeren, schroeven en wat dies meer zij. Het mooiste is dat je precies de hoeveelheid die je nodig hebt kunt kopen en dat je je spullen mee krijgt in een papieren zakje. Zoiets is in Almere eenvoudig ondenkbaar.

Aangezien ik nogal vroeg aankom in Almere, maak ik eerst maar eens een wandeling door het 'centrum'. Ik schrijf centrum tussen aanhalingstekens, want je kunt eigenlijk niet echt spreken van een centrum. Het doet denken aan de grote winkelcentra die je overal in Nederland aantreft, met overal dezelfde treurige fonteinen, verwaarloosde bloembakken die dienstdoen als afvalbak en betonnen bankjes waar nooit iemand op zit.

Ik ga maar eens op zoek naar een boekwinkel, wat mij betreft de beste indicator voor de aantrekkelijkheid van een stad of winkelbuurt. Bovendien heb ik enkele jaren in een boekhandel gewerkt en meen er dus een beetje verstand van te hebben. Vrij snel vind ik boekwinkel De Ark. Zouden ze hier een hoekje met boeken over Almere hebben? Bestaan dergelijke boeken? Na enig zoeken vind ik wel een mooi, uitgebreid hoekje met boeken over Amsterdam; iemand van het winkelpersoneel wijst me desgevraagd op een piepklein plankje 'Almeriana'. Na mijn opluchting dat er toch boeken over Almere blijken te bestaan, volgt de teleurstelling als blijkt dat het eigenlijk niet om boeken gaat, maar eerder om 'promotiemateriaal', uitgegeven door de gemeente Almere en de provincie Flevoland.

Natuurlijk ga ik ook langs bij de VVV. Die blijkt zich vooral te richten op mensen die Almere willen verlaten: ze hebben kaarten en reisgidsen voor iedere streek ter wereld, maar nauwelijks iets over Almere. Uiteindelijk vind ik enkele folders, waaronder architectuurwandelingen en een overzicht van 'woonexperimenten'.

Onheilsprofeet

Aangekomen op de Grote Markt van Almere kan ik niet anders dan Van Istendael gelijk geven: 'De markt van Almere is zeker zo mooi als die van Stadskanaal. Dat krijg je als je tot elke prijs je eigen traditie van je af wilt trappen. Voor de architecten die de markt van Almere op hun geweten hebben, bestaat geen vergiffenis.'

Voor wat betreft het hele centrum van Almere leek het erop dat ik het nu al eens was met Van Istendael: ,,De stad is niet onvoorspelbaar of spannend of trots of somber of bevrijdend, de stad is gelijk aan overzichtelijkheid. Almere is pervers en perfect. Ik hoor in het voorbijgaan hoe een meisje haar zusje afsnauwt: 'Doe nou eens normaal!' Zij heeft de volmaakte samenvatting van Almere. In Almere is de stad verworden tot maaiveld.'' Tevergeefs zoekt Van Istendael een centrum in 'deze drilpudding van het koopgebeuren, een ijkmerk, een harde kern'. Maar: 'Het is geen stadscentrum, het is een darmstelsel volgepropt met consumentengoederen.' Volgens Van Istendael is Almere geen stad, 'er zit alleen een hoop inwoners bij elkaar'.

Graag had ik het nogal gemakzuchtige cultuurpessimisme van Van Istendael willen weerleggen. Zijn kritiek lijkt typisch het soort kritiek dat de Nederlandse volkshuisvesting vanaf haar ontstaan, zo'n honderd jaar geleden, heeft begeleid. In het hoofdstuk 'Het verdriet van de buitenwijken', uit haar boek 'Naar buiten', schrijft Ileen Montijn over 'de kritiek van de elite op de manier waarop eenvoudige mensen woonden, op esthetische en/of morele gronden, los van mogelijk praktische bezwaren. Als de overheid niet zelf de planning (moreel hoogstaand) en de vormgeving (esthetisch verantwoord) had geleverd, was het beeld altijd smakeloos en deprimerend'.

Montijns boek gaat over het verlangen naar landelijkheid, naar 'groen wonen'. Bijzondere aandacht heeft ze voor de zogenaamde 'tuinsteden': 'Het probleem van de niet-stadsheid van de tuindorpen en latere groene woonwijken zou de hele twintigste eeuw in de lucht blijven hangen. Voorstanders zowel als tegenstanders zagen de grote drukke stad als de moderne woonvorm bij uitstek. Zij noemden haar naar gelang hun opvatting dynamisch of onherbergzaam. En beide partijen gaven dus een moreel oordeel over de tuindorpen: voorstanders in positieve zin, als heilzaam, en tegenstanders in negatieve zin, als reactionair.'

Niet alleen architecten, maar ook sociologen en medici gingen zich met het 'probleem van de buitenwijk' bemoeien. Montijn refereert met name aan de Amerikaanse socioloog David Riesman, die spreekt van suburban sadness. Montijn merkt sarcastisch op dat Riesman, zoals iedere 'zichzelf respecterende intellectueel', zich verbeeldde dat hij zich vreselijk zou vervelen in suburbia, 'hij kon niet geloven dat zo'n futiel bestaan in een wereld die niet stedelijk en niet landelijk was, maatschappelijk zinvol was.'

Of Almere een tuinstad is geworden is maar zeer de vraag, maar dat het één grote buitenwijk is geworden staat buiten kijf. De walging en minachting waarmee Van Istendael, ooit afgestudeerd in de sociologie, reageert op het 'consumentistische' Almere, doet niet onder voor die van Riesman. Misschien nog wel meer dan een door de gebleken onmaakbaarheid van Almere teleurgestelde socioloog, is Van Istendael een regelrechte onheilsprofeet, van oudtestamentische allure: 'Almere is de stad waar je de toekomst ziet gebeuren. Ze mogen haar houden, die toekomst.'

Filmwijk

Ik moet toegeven dat mijn bezoek aan Almere tot dusver ronduit teleurstellend is. Een inwoner kan er vast wel terecht voor de dagelijkse boodschappen en andere primaire levensbehoeftes, maar voor niet-bewoners is er geen enkele reden om Almere te bezoeken. Dat gaat althans op voor het centrum van Almere, verder was ik immers nog niet gekomen. En dat terwijl Almere juist zo geschikt zou zijn voor een verkenningstocht per fiets. Hoogste tijd dus om een fiets te huren.

Daarvoor moet ik terug naar het treinstation. Maar alle fietsen blijken verhuurd! Zou het inderdaad zo'n aantrekkelijke dagtocht zijn? Nou, in Almere-centrum blijken in totaal tien fietsen te huur, en vandaag heeft een groep die toevallig allemaal gereserveerd. Men is wel zo vriendelijk te verwijzen naar station Almere-buiten, waar je ook fietsen kunt huren. Vooruit, dan maar daarnaartoe.

Almere-buiten lijkt precies op Almere-centrum, behalve dan dat het veel kleiner is. Maar bij de fietsenmaker word ik warm onthaald; na de administratieve plichtplegingen krijg ik te horen dat 'Ruud de fiets al klaar heeft gezet'.

Het komt eigenlijk niet slecht uit dat ik in Almere-buiten beland ben, want een foldertje dat ik bij de VVV vond, vertelt dat hier in de buurt enkele 'bijzondere projecten gerealiseerd zijn'. Eenmaal gevonden blijken die projecten inderdaad aardig, misschien zelfs belangwekkend. Maar het blijken enkele zeer zeldzame krenten in een onoverzienbare hoeveelheid pap. Almere blijkt bovenal onwaarschijnlijk uitgestrekt. En het is ook 'groen', heel erg groen. Het is een aaneenschakeling van braakliggende terreinen, groenstroken, parkjes, hondenuitlaatgebieden, enzovoorts. Er wordt veel geklaagd over het gebrek aan ruimte in Nederland, maar hier is die ruimte onbeperkt aanwezig en wordt er ronduit verspillend mee omgesprongen. Dat ik nauwelijks wandelaars tegenkom, is niet meer dan logisch: te voet kom je hier nergens. Op de fiets trouwens ook niet, gedurende twee uur fiets ik zonder dat ik op lijk te schieten. Dit is mateloos, het lijkt wel een woestijn. Sinds mijn geboorte ben ik een blije buitenwijkbewoner. En tegen rijtjeshuizen heb ik ook niets, integendeel. Maar dit wordt me te veel.

Hier en daar zie ik mensen in hun ruim bemeten tuinen van het mooie weer genieten en verbaasd naar mij, een voorbijkomende fietser, kijken. Het moet hier vast goed wonen zijn. Maar mij, als 'dagjesmens', zinkt de moed in de schoenen. Ik begin trek en dorst te krijgen en verlang zowaar een beetje terug naar die vermaledijde 'Grote Markt' van Almere.

Daar blijkt het redelijk druk te zijn. Ik neem maar plaats op het dichtstbevolkte terras. Het onmogelijke gebeurt: ik begin me zowaar een beetje thuis te voelen. Maar als ik de folders nog eens doorneem, blijk ik op het terras te zitten van 'Almere's meest trendy gelegenheid', die bovendien gevestigd zou zijn in 'een pand dat architectonisch zeer de moeite waard' zou zijn. Daar word ik dan weer treurig van.

Na de lunch (aspergesoep met een broodje en een kopje koffie: heerlijk, en niet duur) probeer ik de draad weer op te pakken. Maar het weer slaat om, het wordt druilerig en ik heb het eigenlijk wel gehad met Almere. Toch moet in elk geval de grote bouwput in het centrum nog bekeken worden. Niemand minder dan Rem Koolhaas bouwt daar aan een 'hart voor Almere'. Of dat werkelijk zal lukken vraag ik me af.

Bijna tien jaar geleden kon Henk Blanken in zijn boek 'Hotel Almere' het typerend voor Almere noemen dat het geen hotel heeft, behalve 'een treurig ketenhotel aan de rand een bedrijventerrein'. Eigenlijk is Almere zelf één groot hotel, zo constateerde Blanken: 'iets halverwege tijdelijk en permanent'. Eindelijk heeft het dan nu zijn hotel, in het centrum, het is een van de eerste grote gerealiseerde projecten, naast een 'megabioscoop'. Maar als ik Almere bezoek, bijna een halfjaar na oplevering, staat het hotel nog steeds leeg omdat er nog geen exploitant is gevonden.

Almere heeft ook een soort kunstmuseum. Ik dwing mezelf tot een bezoek. Het blijkt een aandoenlijke, maar ook nogal rommelige expositieruimte met een kaartjesverkoopster waar ik maar met moeite langs kan komen. Uit nieuwsgierigheid fiets ik nog even door de 'Filmwijk', een wijk die in 1992 gereedkwam, en toen dienstdeed als 'buitenexpositie'van de NWR/Bouwrai, als een overzicht van nieuwe vormen van woningbouw. Destijds was ik vooral onder de indruk van het feit dat er in Nederland in elk geval nog architecten waren die zich bekommerden om het meest Nederlandse fenomeen uit de architectuur: het rijtjeshuis. De meest gehoorde kritiek luidt dat rijtjeshuizen eenvormig zijn; dat is niet zozeer kritiek als wel een dooddoener: natuurlijk zijn rijtjeshuizen eenvormig, net als spijkerbroeken en T-shirts en andere massa-artikelen. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze geen bijzondere aandacht vereisen bij het ontwerp, met aandacht voor kwaliteit en details. Een woonhuis is een beetje als een horloge: het moet allemaal precies op elkaar aansluiten, pas dan werkt het. Hier en daar waren geslaagde ontwerpen gerealiseerd, al was er ook wel wat modieuze onzin zoals vide en dergelijke. Bij het weerzien van de wijk blijkt hoe bescheiden ze eigenlijk is, niet meer dan een druppel op een meedogenloos gloeiende plaat.

Inmiddels is het tijd geworden de terugtocht te aanvaarden; ruim een uur later druk ik afgemat en opgelucht Ruud de gehuurde fiets weer in zijn handen.

Witte jas

Eerlijk is eerlijk, ik kan het niemand aanbevelen, een dagje Almere. En toch: nog is Almere niet verloren, het mag in elk geval niet afgeschreven of opgegeven worden, zoals Van Istendael doet. Er wonen zo'n 180000 mensen.

Het zou allemaal liggen aan de goede bedoelingen van de stedenbouwers en hun heilig geloof in maakbaarheid. Dat kun je misschien van Lelystad zeggen, maar Almere is bewust - ongetwijfeld met de beste bedoelingen en wellicht vanuit een geloof in maakbaarheid - niet al te planmatig gebouwd, zonder 'masterplan'. Almere is in grote mate een reactie op de Bijlmermeer, en daarvan kun je zeggen dat het het failliet van de goede bedoelingen en van de maakbaarheid is, al lijkt het mij beter te spreken van het failliet van de grootschalige, planmatige aanpak.

In 1998 werd aan een van de ontwerpers van de Bijlmermeer, Siegfried Nassuth, een belangrijke architectuurprijs toegekend. Dat was zes jaar nadat was begonnen met het saneren van een belangrijk deel van de wijk, en het iedereen - nou ja, bijna iedereen - duidelijk was geworden dat de wijk mislukt was. De toekenning ontlokt Ileen Montijn de verzuchting 'dat men in de wereld van de architectuur meer geïnteresseerd is in ideeën dan in de wensen van mensen'. Daar heeft Montijn gelijk in, maar het lijkt me belangrijk eraan toe te voegen dat het omgekeerde net zo slecht is: alleen maar afgaan op de 'wensen van mensen' is nauwelijks beter. Een architect moet zich geen goede fee wanen; trouwens, in sprookjes waarin alle wensen uitkomen, loopt het meestal slecht af. De wat brave conclusie moet natuurlijk luiden dat een architect net zoveel geïnteresseerd moet zijn in ideeën als in wensen van mensen.

De Bijlmerplanners waren min of meer de laatsten der mohikanen in Nederland, de laatste goedbedoelende maar betweterige modernisten. Hun mentaliteit wordt perfect samengevat in één beeld: 'Als Cornelis van Eesteren, het hoofd van de Amsterdamse dienst stadsontwikkeling, werkte aan zijn beroemde Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (AUP), droeg hij een witte jas' (dit veelzeggende detail werd opgemerkt door architectuurcriticus Bernard Hulsman). Van Eesteren en zijn medewerkers beschouwden Amsterdam als een patiënt: 'Wij weten wat goed is voor de stad', luidde hun motto.

Het is misschien verleidelijk als reactie daarop te zeggen: 'We maken zelf wel uit wat goed is voor ons'. Maar dergelijk populisme, dat ook het 'wilde wonen' van Carel Weeber aankleeft, lijkt mij in de stedenbouw een onvruchtbaar uitgangspunt. Als je maakbaarheid helemaal laat varen en alleen nog maar spreekt over 'woonconsumenten', scheep je mensen af met 'alleen maar' een huis en krijg je nooit een stad.

Als ik iets geleerd heb in de jaren dat ik werkte in een boekhandel, is het dat je klanten niet als wandelende (en leeg te kloppen) portemonnees moet beschouwen. Ze komen niet alleen om een boek te kopen, ze verdienen het behandeld te worden als lezer. Valkuil is trouwens ook hier het paternalisme van de archetypische mopperende boekverkoper die het beter weet dan zijn klanten en die klaagt over de teloorgang van het 'betere boek' en terugverlangt naar de tijd van voor komst van de paperback; de pocket (ongeveer het rijtjeshuis van de boekhandel) is hem al helemaal een gruwel.

Bricoleur

Nederland mag zich graag beschouwen als gidsland op het gebied van (sociale) woningbouw (en op talloze andere gebieden). Zodra er ergens sprake is van een zekere wildgroei aan architectuur, spreekt men van 'Belgische toestanden'. Toch kunnen we op dit gebied iets leren van onze zuiderburen. Iets waarvoor je bij Van Istendael niet terechtkunt, maar wel bij Paul Wouters. Ook een Belg, van wie vorig jaar een boek verscheen over de cultuurverschillen tussen Nederland en België: 'België-Nederland. Verschil moet er zijn'. Het boek van Wouters is even charmant als dat van Van Istendael, maar zijn analyses en duidingen graven dieper, al is de toon ook hier luchtig. De Nederlandse lezers moeten zich door Wouters' typisch Belgische bescheidenheid niet in de luren laten leggen, uit zijn boek laat zich namelijk een perfecte oplossing afleiden voor Almere; Wouters analyseert de mentaliteit van de 'mannen in witte jassen' en geeft een bruikbaar recept voor een tegengif.

België is een beetje een achterlijk land, zo geeft Wouters ruiterlijk toe - om vervolgens te laten zien dat Nederland op een andere manier net zo achterlijk is en dat de Belgische achterlijkheid misschien wel beter te verdragen is dan de Nederlandse. België is in die zin achterlijk, dat Nederland verder is voortgeschreden op het pad der modernisering. Nederlanders zijn oprechte aanhangers van het vooruitgangsgeloof: 'De overtuiging dat het mogelijk is een betere wereld te maken door toepassing van de denkwijze die in wetenschappen en techniek zo succesvol was gebleken'. Bij het zo efficiënt en neutraal mogelijk inrichten van hun land hebben Nederlanders volgens Wouters zich als het ware laten leiden door het ideaal van de klassieke wiskundige Euclides, 'een perfecte democratie van punten'. 'Met de typische Nederlandse nieuwbouwwijken van na de Tweede Wereldoorlog is het euclidische modernisme steen geworden.'

De Nederlandse mentaliteit is die van de ingenieur (een 'man in een witte jas') die het zo graag goed wil doen dat hij, als hij al toekomt aan het uitvoeren van zijn perfecte plan, zich blind staart op de kloof tussen zijn plannen en de weerbarstige werkelijkheid. Het Nederlandse modernisme mondt uit in de achterlijkheid van 'beleidsplannen, voortschrijdende meerjarenbegrotingen, liquiditeitsprognoses, risicoanalyses, scenariostudies' en dergelijke.

In België daarentegen rommelt men maar wat aan. Hier heerst de mentaliteit van de 'bricoleur', waarmee Wouters refereert aan het onderscheid dat de antropoloog Claude Lévi-Strauss maakte in zijn boek 'Het wilde denken'. In tegenstelling tot de ingenieur gaat een bricoleur - een knutselaar - zonder systeem of systematiek aan de slag, met het voorhanden zijnde materiaal: hij ziet wel waar het schip strandt. Het mooie is dat een bricoleur geniet van zijn werk en zich door dat genot durft te laten leiden.

Het zou nogal clichématig zijn van de Belgen ongecompliceerde levensgenieters te maken en van Nederlanders tobbende calvinisten - maar dat moet dan maar: een Nederlander die een maaltijd bereidt, volgt daarbij strikt de aanwijzingen van een recept en proeft pas als het op tafel staat (hij is al tevreden als het hem gelukt is de aanwijzingen op te volgen); een Belg kijkt wat hij in voorraad heeft en gaat daarmee aan de slag, naar een recept dat hij kent van horen zeggen, terwijl hij ondertussen steeds proeft en aanpast: hij is pas tevreden als het goed smaakt.

De Belgische aanpak is echter ook niet zonder beperkingen: 'Als de Belg denkt dat hij met bricolage een Afsluitdijk kan bouwen, is hij niet goed snik', waarschuwt Wouters. Dat geldt overigens net zo goed voor de Nederlander die de gebruiksaanwijzing voor een Ikea-kastje een avond lang bestudeert en vervolgens omzet in een persoonlijke instructietabel. 'De meeste klussen bevinden zich wat complexiteit en importantie betreft daar ergens tussen in. Het is dan heel plezierig als je beide mentaliteiten beschikbaar hebt. Ik voorspel daarom een grote toekomst voor Belgisch-Nederlands gemengde teams.'

De gemeente Almere weet nu wat ze te doen staat: ze moeten een flink aantal Belgische stedenbouwkundigen aan hun stedenbouwkundige dienst toevoegen. Gezamenlijk kunnen ze dan verder knutselen aan de stad, typisch een klus die ergens het midden houdt tussen het in elkaar zetten van een kastje en het aanleggen van een Afsluitdijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden