Review

Een clown aan de beek in Groenlo

,,Hoewel de langgerekte doodsstrijd van het gymnasiaal onderwijs in Europa nu werkelijk in de terminale fase lijkt te zijn aangeland, valt er over de publieke belangstelling voor de klassieke oudheid niet te klagen. De ene na de andere vertaling rolt chic vormgegeven van de drukpersen, om vervolgens op beter gesitueerde salontafels een kwijnend bestaan te leiden.''

Zo begint de flaptekst, ongetwijfeld door de auteur zelf geschreven, van een bundel hilarische, ontroerende en pakkende essays over klassieke literatuur van de hand van Piet Gerbrandy, dichter en leraar klassieke talen in Groenlo. Het boek verschijnt in het jaar waarin het fundament onder de Europese cultuur, de Griekse en Latijnse oudheid, tot thema van de Boekenweek is uitgeroepen. De talen van die oudheid, het Grieks en Latijn, zijn verzonken erfgoed geworden: Gerbrandy illustreert dit geestig in zijn voorwoord met de anekdote hoe de bierbrouwer Heineken in een interview met NRC Handelsblad verklaarde zich tot 'hetero universalis' te willen ontwikkelen. De 'geestelijke vader van smakeloos bier' noch de redacteur van het dagblad dat voor 'cultureel bastion' doorgaat, hadden in de gaten dat het Latijnse woord 'homo': 'mens', niets te maken heeft met het Griekse woord 'homo': 'gelijk', en beiden wilden, de hemel mag weten waarom, over de seksuele voorkeur van onze Freddy geen misverstanden wekken.

Tegelijkertijd kun je zeggen dat de klassieke literatuur eindelijk zijn kluisters afwerpt. Steeds betere vertalingen, prachtige websites op internet en een continue stroom fraaie museumtentoonstellingen laten steeds meer mensen puur genieten van de oudheid. Op de middelbare school treft men voorbereidingen de leerlingen te verlossen van de laatste restjes taalkennis; voor het zover is, compenseert de leerling zijn totale onbenul van de grammatica met fraaie werkstukken over toneelbezoeken en andere ervaringen, samengebracht in een ruim voldoende dossier uit het studiehuis.

Ook bij de enige twee universitaire studies waar je nog Grieks en Latijn voor moet kennen, lossen de problemen zich in rap tempo op: de classici beginnen gewoon van voren af aan bij 'rosa, rosae, rosae, rosam'; de theologen leren een vertaling van de eerste tien verzen van het Marcus-evangelie uit het hoofd en dragen deze op het examen voor, waarbij het verboden is de student te vragen een analyse te geven van een woord uit de voor hem liggende Griekse tekst.

Gerbrandy's eerste essay over boeken die ertoe doen is, volkomen terecht, gewijd aan Quintilianus, de Romeinse 'hoogleraar taalbeheersing', zoals hij hem met zijn trefzekere ironie noemt, uit de eerste eeuw van onze jaartelling. Quintilianus is niet de laatste autoriteit, maar wel een inspirerende figuur bij het beantwoorden van de vraag welke boeken uit de klassieke literatuur er werkelijk toe doen.

Des te eigenaardiger is het dat een ander boek over klassieke literatuur dat ter gelegenheid van deze boekenweek verschijnt, Quintilianus slechts tussen neus en lippen noemt in een stuk over Cicero. Ik bedoel 'De klassieke canon' van Hein L. van Dolen. De schrijver heeft in de afgelopen jaren de klassieke literatuur grote diensten bewezen met een spervuur van vertalingen: Herodotus, Aristofanes, Griekse romans. Maar 'De klassieke canon' is een treurig uitgevallen boekje, dat de lezer in korte stukjes laat kennismaken met een aantal schrijvers. Het is een gebrek dat Van Dolen een aantal schrijvers niét vermeldt: de eerste lyrische dichter Archilochus, om maar één van tientallen namen te noemen, of van de Romeinen voor de canon belangrijke dichters als Propertius of Martialis. Over elke wél besproken auteur geeft Van Dolen een karakteristiek waar de clichés niet geschuwd worden, bijvoorbeeld over de advocaat Lysias (400 v.Chr.): ,,De taal van Lysias is eenvoudig en zijn stijl zuiver: hij was in staat zich met grote precisie uit te drukken en werd nooit pathetisch.'' Grrrmpf!

Maar het ergste vind ik dat van elke schrijver een keuze uit zijn 'gevleugelde woorden' wordt gegeven, alsof daarmee een schrijver is geplaatst. Het boekje bevat verder een nawoord van literatuurpaus Kees Fens, die met een wat hinderlijk vertoon van eruditie ('George Steiner, de Jeremia van het nieuwe analfabetisme') de klassieke oudheid gewoon door laat lopen met een kerkvader als Augustinus of een christelijke dichter als Paulinus van Nola. Dat klinkt vreemd in een boek over 'de klassieke canon', want hoe sterk het christendom ook is geworteld in de Griekse en Latijnse tálen, aan die klassieke canon komt geen enkele christelijke schrijver te pas.

Terug dan naar de opstellen van Gerbrandy die met hun bewogenheid, hun enthousiasmerende kracht en hun échte eruditie balsem voor de geslagen wonden zijn. Een schitterend voorbeeld daarvan is het opstel dat Gerbrandy wijdt aan de 'Ilias' van Homerus. Het is, tussen haakjes, het enige gedicht uit de hele Griekse literatuur dat absoluut en volledig onvertaalbaar is: als je de 'Ilias' wilt ervaren, moet je hoe dan ook Grieks leren. Voor de 'Odyssee' kun je met een vertaling volstaan, mits je daarvoor niet Imme Dros gebruikt, dat schandalige prulwerk waarover zowel Gerbrandy als ikzelf ons bozer hebben gemaakt dan deze dame verdient.

In zijn opstel 'Een hart dat verdraagt' probeert Gerbrandy onder woorden te brengen waarom de Ilias, 'dat van de eerste tot en met de laatste bladzijde druipt van bloed', hem, voor wie de oorlog zo'n weerzinwekkend bedrijf is, zo dierbaar is. De argumenten die Gerbrandy aanvoert, zijn volkomen onzin, bijvoorbeeld het argument dat de Ilias de bodem onder iedere heroïek wegslaat. Maar juist dát duwt een prop in mijn keel: de Ilias is domweg te groots voor woorden, en juist dát brengt Gerbrandy feilloos onder woorden.

Vaak voel ik een heftige verwantschap met de liefde die Gerbrandy uit voor klassieke én moderne schrijvers. Des te opwindender vind ik het, wanneer onze smaken uiteengaan. Zo is Gerbrandy's afkeer van Vergilius, en dan vooral diens 'Aeneis', gewoon een blinde vlek. Dat iemand die nota bene zelf dichter is, niets heeft met de stotterende klankrijkdom van Vergilius en zijn duizelig makende kleurbeschrijvingen, vind ik onbegrijpelijk; dat hij de Aeneis onderuit probeert te halen met uiterst kinderachtige samenvattingen van het wedervaren van de vrome held, een eigenlijk wel vertederende manifestatie van onbegrip.

Zoiets gebeurt ook bij zijn bespreking van Ovidius' 'Treurzangen' vanaf de kusten van de Zwarte Zee, waarin Gerbrandy, in al zijn andere stukken voortdurend gespitst op de vorm en niet de vent, ineens wild begint te meppen naar de 'olijke schrijver die in quasi-intellectuele talkshows steeds hetzelfde kunstje vertoont'.

Met andere woorden: Gerbrandy is onredelijk, grillig en onvoorspelbaar in zijn voor- en afkeuren van de klassieke schrijvers. Maar hij is een bewogen lezer, die je zonder arrogantie en zonder dat toontje van de literaire connaisseur meeneemt naar de schatkamers van zijn ziel. Daarbij springen mij de tranen in de ogen. Zijn opstel over de 'Phaidros' van Plato eindigt, tamelijk aangrijpend, in een patstelling. Hij richt zich direct tot zijn lezers en zegt: ,,Het is het beste dat u nog even bij mij langskomt om erover te praten. Ik woon buiten de Randstad, vlak bij een beek''.

Zijn superieure essay over Sappho en Hans Faverey eindigt met het gedicht van de laatste over de clown die weerloos verstrikt tussen de varens langs de beek, in netten lacht om dit 'hierzijn om niet'. Ik ben geneigd het slot van deze twee essays aan elkaar te koppelen, en deze clown aan een beek in Groenlo lachend en snikkend in mijn hart te sluiten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden