EEN BURGERLIJKE MINISTER-PRESIDENT

De sociaal-democraten wezen in 1913 het aanbod van liberalen en vrijzinnig-democraten af om samen een kabinet te vormen, omdat zij absoluut niet wensten deel te nemen aan een 'burgerlijke regeering'. De vierde sociaal-democratische premier van deze eeuw, Wim Kok, presenteert overmorgen echter zonder aarzeling zijn kabinet op het bordes van de koningin. Want in het centrum van de Nederlandse politiek willen de sociaal-democraten zich best een 'burgerlijke minister-president' veroorloven.

Een tikkeltje geluk heeft Kok wel gehad de afgelopen maanden en zeker op die derde mei toen één uur voor het sluiten van de stembussen het CDA nog op de PvdA voorlag, maar het doet hem te kort als zijn premierschap louter zou worden toegeschreven aan de grilligheden van het lot. Hijzelf heeft sinds zijn intrede in de Nederlandse politiek in 1986 veel en gericht geïnvesteerd om de centrumpositie te veroveren die de PvdA nu in het politieke krachtenveld inneemt. Dat het resultaat van die investeringen is dat hij, na Schermerhorn, Drees en Den Uyl, als vierde sociaal-democratische minister-president in deze eeuw aantreedt, mag een staaltje van strategisch meesterschap worden genoemd. Maar dichter bij de werkelijkheid is vermoedelijk dat hij deze positie heeft te danken aan het uithoudingsvermogen en de doelgerichtheid van de marathonloper, zoals hij zichzelf kort na zijn aantreden als minister omschreef.

Kok had zichzelf met dat beeld niet kernachtiger kunnen typeren. Zoals een marathonloper legde hij het traject af in grote eenzaamheid, slechts omringd door een handvol waterdragers, week hij niet af van het parcours en waren er - gelukkig maar, want hij is ook een mens - momenten dat hij de neiging vertoonde op te geven, zoals vorig jaar zomer na het gedonder over het aftreden van de staatssecretarissen Ter Veld en In 't Veld. Maar dan waren er telkens weer de vertrouwelingen, zoals minister Jan Pronk, die hem opbeurden. Aan het eind van de marathon wachten de dood of de gladiolen. Voor Brinkman was het de politieke dood, voor Kok de gladiolen. Daarvoor mocht hij ook zichzelf bedanken.

Waaruit bestonden de gerichte investeringen van Kok die hem de bloemen opleverden? Vrijwel meteen na zijn aantreden als opvolger van Joop den Uyl zwoer hij de strategie van de polarisatie af, die de Partij van de Arbeid in de periode 1977-1986 buiten de regeermacht hield. De partij moest de luiken opengooien en zich openstellen voor vernieuwing. Deze koersverlegging leverde snel resultaat op. In 1989, na de breuk tussen liberalen en christen-democraten, zocht en vond de PvdA onder aanvoering van Kok aansluiting bij het politieke centrum door, na twaalf lange jaren van verwijdering, opnieuw een samenwerkingsrelatie met het CDA aan te gaan.

Om die relatie in stand te houden èn om de partij op nieuwe wegen te dwingen, stelde Kok tijdens de WAO-crisis in 1991 zijn politieke leven in de waagschaal. Dat was moedig, maar tegelijk ook een staaltje van brutale machtspolitiek. Kok liet zich daarmee kennen als een ander politicus dan zijn voorganger Joop den Uyl, die gedurende zijn jaren zo'n scherpe confrontatie met de partij altijd heeft vermeden. Kok is dan ook geen Den Uyl, en dat beseften veel sociaal-democraten met pijn. Velen konden of wilden de herinnering aan de vroegere leider en daarmee aan die spannende en heerlijke jaren zeventig niet uit hun hoofd zetten. Kok heeft binnen zijn partij zwaar tegen die nostalgie moeten opboksen.

Achteraf bezien markeerde het WAO-congres in dat gevecht een breekpunt. Hij veroverde bij die gelegenheid weliswaar niet de harten van zijn partijgenoten, al was er wel bewondering voor zijn vechtlust, maar wel het verstand. Kok deed met succes een beroep op de realiteitszin en won door zijn volle gewicht in te zetten het pleit. Maar de slagschaduw van Den Uyl, waaronder hij moest werken, is nooit verdwenen. Wel is het besef gekomen dat ze met Kok toch een hele goeie in huis hebben.

Als minister van financiën voerde Kok een beleid van soberheid en gedegenheid, dat zijn partij snel afhielp van het imago van verkwisters van gemeenschapscenten, van 'potverteerders' zoals VVD-leider Wiegel de PvdA in de jaren zeventig bestempelde. Ook daarmee bracht hij de harten van zijn politieke vrienden niet op hol, bij wie het er nauwelijks in wilde dat de partij eer kon leggen in de sanering van de overheidsfinanciën. Zoveel is wel duidelijk geworden, van de hindernissen die Kok tijdens zijn marathon moest overwinnen, waren er niet weinig door zijn eigen partij opgeworpen.

In de afgelopen verkiezingsstrijd voerde hij een campagne waarin hij zich, analoog aan het optreden van Lubbers in 1986, presenteerde als een politicus die enigszins boven het platte partijpolitieke gewoel is verheven. Hij kon in die rol groeien door de reeks van incidenten die de verkiezingsstrijd kenmerkten. Voor een deel was het optreden van Kok in die periode welbewust gestuurde pose, maar het beeld van vertrouwenwekkende staatsman dat hij neerzette was allerminst gekunsteld en kon door de authenticiteit van de figuur en het degelijke beleid van Kok geloofwaardig zijn.

Kok heeft zich wat dat betreft na de verkiezingen ook niet verloochend. In de patsteling die na de verkiezingsuitslag ontstond, eiste hij op een cruciaal moment het formateurschap op en wist hij in die rol een doorbraak te forceren en een paars kabinet te formeren. Op zich is het verbazingwekkend dat hij uiteindelijk op een coalitie uitkwam, die niet zijn eerste voorkeur had en waarvoor hij de nodige weerzin moest overwinnen. Het is echter tekenend voor zijn resultaatgerichtheid dat hij met de liberalen in zee ging, toen hem bleek dat met het CDA-in-crisis geen garen viel te spinnen.

Volgens iemand die Kok al heel lang van nabij volgt, legde hij die resultaatgerichtheid ook al aan de dag in zijn periode als vakbewegingsleider. Hij bracht in die positie twee markante wapenfeiten op zijn naam: de fusie van het rooie NVV en het katholieke NKV in de FNV en zijn inzet voor het befaamde akkoord van Wassenaar in 1982 met de werkgevers, dat het eerste (no-nonsense) kabinet-Lubbers in staat stelde zijn pijnlijke economische herstelbeleid uit te voeren.

De investeringen van Kok hebben uiteraard een prijs gevraagd. Sinds hij de PvdA aanvoert, heeft de partij bij alle opeenvolgende verkiezingen zware verliezen geleden. De paradox is evenwel dat hij met een kleinere partij meer invloed heeft verworven en in de afgelopen formatie, na een verlies van twaalf Kamerzetels, zelfs de spilpositie in de Nederlandse politiek op de christen-democraten veroverde.

Voor degenen die de PvdA hebben vereenzelvigd met de naoorlogse verzorgingsstaat is het een uitgemaakte zaak dat de partij ook een hoge politieke prijs heeft moeten betalen voor de machtsvergroting. Door mee te werken aan ingrepen in de sociale zekerheid, het loslaten van de koppeling tussen lonen en uitkeringen, het toestaan van een zekere denivellering gooide de partij in hun ogen het sociaal-democratische gedachtengoed overboord. Ten tijde van de WAO-crisis viel zelfs het woord 'verraad'. Maar lang niet iedereen dacht er zo over.

FNV-ideoloog Piet Vos, een van de scherpste waakhonden van de linkse erfenis en daarmee een onverdachte bron, beschuldigde de critici aan de vooravond van het WAO-congres van een historische denkfout. Hij wees erop dat de sociaal-democratie bij haar ontstaan de overheid met evenveel wantrouwen bezag als de vrije markt. Zongen ze niet 'de wet verdrukt, de staat is loochen'? Door te waarschuwen voor het gevaar van het groeiende beroep van de sociale zekerheid voor de werkgelegenheid zat Kok naar zijn overtuiging wel degelijk op het juiste spoor.

Vos vergeleek in die periode de positie van Kok met die van de Franse president De Gaulle in de jaren zestig. De Gaulle hield het langst vol dat Algerije Frans moest blijven, hij was dus de aangewezen man om de aftocht te blazen. Dankbaar is het werk van Kok dus niet, 'leuke dingen doen voor linkse mensen', zoals Den Uyl, is er niet meer bij. Op Kok rust de taak 'de politiek van de aftocht' te voeren, zoals de Duitse cultuurcriticus Enzensberger het heeft genoemd.

Kok heeft die taak zonder veel omhaal op zich genomen. Kan het niet met het CDA, dan maar met de VVD. In dat opzicht doet zijn draai naar de liberalen denken aan de draai die CDA-leider Lubbers in 1989 van de VVD naar de PvdA maakte. De legitimatie van dit paarse kabinet zit wat Kok betreft dan ook niet in 'paars', maar in de ruime parlementaire meerderheid waarop het steunt.

Vervolg op pagina ZZ 2

Vervolg van pagina ZZ 1

Met Kok krijgt Nederland een noeste werker in het Torentje, iemand die laconiek kan opmerken dat hij zijn vakantie dit jaar laat vallen 'op zaterdag 30 en zondag 31 juli'. Geen man die zich laat drijven door grote idealen, maar veel meer door nuchterheid en praktische zin. Hij vindt het al heel wat als de politiek in staat is de erfenis van onze voorouders zo goed mogelijk te beheren en met opgeheven hoofd door te geven aan volgende generaties. Christen-democraten zullen er gemakkelijk de bijbelse rentmeester in ontdekken.

De aarzelingen binnen zijn partij jegens de figuur Kok zijn nog niet verdwenen, wel heeft hij steeds meer krediet verworven. Op basis van dat krediet kon de eeuwig jonge hond Felix Rottenberg met succes de vernieuwing van de partij ter hand nemen. De resultaten daarvan zijn vooralsnog meer openheid en een aantal nieuwe, frisse gezichten van buiten in de Kamerbankjes, maar ook minder invloed van de basis. Het vernieuwingsproces draagt onmiskenbaar ook autoritaire, om niet te zeggen regenteske trekjes, die ook Kok kenmerken.

Sinds hij de vakbeweging inruilde voor de politiek, omringde hij zich met een klein aantal vertrouwelingen. Met hen voert hij open discussies. Zij kunnen sporadisch het genoegen smaken hem te overtuigen of beloond te worden, zoals zijn rechterhand in de fractie, Hans Alders, die in 1989 tot veler verbazing minister werd. Tegenover degenen die niet tot de inner circle behoren, kan Kok spijkerhard zijn. Als het niet gaat zoals hij zich heeft voorgesteld, hebben zij, zoals medewerkers in de vakbeweging, de fractie en later ook op het ministerie van financiën hebben ervaren, een kwaaie aan hem. Zo kon het gebeuren dat een medewerkster bij de FNV, in wie Kok geen vertrouwen meer had, elke ochtend op haar bureau fotocopietjes vond van de vacatures die hij in de krant voor haar had gevonden. Op het ministerie van financiën lopen er heel wat ambtenaren rond die hopen in Koks opvolger, prof. drs. G. Zalm, een wat kneedbaarder politicus te krijgen.

Die stugheid, dat tikje achterdocht tegenover onbekenden, dat volhardende en dat eenzame, het zijn trekken die dikwijls worden teruggevoerd op zijn jeugd in de weidse en godvrezende Krimpenerwaard. Kok groeide daar op als zoon van een socialistische timmerman. Het was ongehoord dat hij verder zou leren en het spijt hem nog altijd dat hij door de reserves in zijn milieu voor een korte opleiding aan Nijenrode koos in plaats van zijn wens te volgen om in Rotterdam economie te studeren. Er zijn er die zijn goede verstandhouding met de 'Amsterdamse koopman' Bolkestein toeschrijven aan zijn tijd op het enigszins elitaire Nijenrode. Zoals zijn zuinigheid en soberheid worden teruggevoerd op zijn tijd bij de handelsfirma in Amsterdam, waar hij tot taak had de goedkoopste blikken sperciebonen in Nederland te achterhalen.

Pas de laatste maanden heeft Kok, aangespoord door de campagnestrategen, iets losgelaten over zijn privéleven, over zijn handicapte zoon en over zijn vrouw Rita, van wie in tegenstelling tot de echtgenote van de vorige premier niet te verwachten is dat zij in de pers zal klagen over de weinige keren dat ze Wim nog zal zien. Toewijding aan de politieke loopbaan van haar man staat bij Rita Kok voorop. Kok gaf deze doorkijkjes niet van harte, maar men wist hem ervan te overtuigen dat de mens achter de politicus vaak meer stemmen aantrekt dan zijn beleid.

Kok treedt als vierde sociaal-democratische premier van Nederland aan op een historisch moment. Het is precies honderd jaar geleden dat de Sociaal-Democratische Bond, de voorloper van de SDAP en de PvdA, werd opgericht. In de houding van de sociaal-democraten is op de lange weg van honderd jaar veel veranderd. Begonnen als revolutionaire beweging moesten de voortrekkers van de arbeidersstrijd eerst hun afkeer van de parlementaire democratie en vervolgens hun weerzin tegen het dragen van regeringsverantwoordelijkheid overwinnen.

In 1913 wezen zij het aanbod van liberalen en vrijzinnig-democraten af om samen een kabinet te vormen. Zij wilde niet deelnemen aan een 'burgerlijke regeering'. Kok beklimt overmorgen zonder aarzeling de trappen van Huis ten Bosch als premier van een kabinet met de erflaters van Cort van der Linden en Treub. Hij markeert daarmee dat de sociaal-democraten zich in het centrum van de Nederlandse politiek hebben genesteld. Om die reden zal hij het niet als een schande ervaren een 'burgerlijke minister-president' te worden genoemd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden