Een Britse idylle met barstjes

Als een typisch Britse ex-majoor vriendschap sluit met een Indiase kruidenierster, blijken zijn mededorpelingen toch minder tolerant dan gedacht. Zo voorkomt Helen Simonson dat haar feelgoodroman, eigenlijk het ideale kerstboek, té zoetelijk wordt.

Monica Soeting

Arme majoor Pettigrew. Altijd hoffelijk en charmant, altijd de rust zelve. Maar op een doordeweekse dag, net als hij in de oude, gebloemde kimono van zijn gestorven vrouw de wekelijkse schoonmaak doet, hoort hij dat zijn enige broer aan een hartaanval is bezweken, en dan stort zijn wereld in. Door verdriet overmand vergeet hij de kimono uit te trekken als de bel gaat. Daar staat mevrouw Ali, de eigenaresse van de buurtwinkel, die hem – o schande – vertelt dat hij zijn krantenabonnement nog niet heeft betaald. En dan valt hij terwijl mevrouw Ali toekijkt ook nog bijna flauw. Alsof de situatie nog niet gênant genoeg is! De majoor kan mevrouw Ali nog net duidelijk maken dat zijn broer dood is en dat hij een dameskledingstuk aanheeft omdat hij daarin altijd schoonmaakt.

Gelukkig lukt het mevrouw Ali hem de woonkamer binnen te loodsen en thee te zetten. Het geluid van rinkelende kopjes kalmeert de majoor en doet hem aan zijn overleden vrouw denken. Die gedachte zet hem aan het mijmeren over zijn broer en de twee geweren die zij van hun vader hebben geërfd: twee delen van een set die de grootvader van majoor Pettigrew ooit van een Indiase radja heeft gekregen.

Het is de bedoeling dat de geweren na de dood van een van de broers weer worden samengebracht, en de majoor verheugt zich erop dat hij binnenkort het tweede geweer naast het eerste in het antieke foedraal zal kunnen terugleggen. Hij ziet zich al bij de eerstvolgende konijnenjacht, met de twee geweren losjes over zijn arm. Wat zullen ze hem benijden: „’Mijn god, Pettigrew, zijn dat twee Churchills?’, zou iemand vragen – misschien wel Lord Dagenham – en hij zou terloops opkijken, alsof hij er niet bij stil had gestaan, en antwoorden, ’Ja, een bij elkaar passend paar. Fraai notenhout gebruikten ze destijds,’ en hij zou ze omhoog houden om ze te laten bekijken en bewonderen.”

Een vreemde gedachte voor iemand die treurt om de dood van zijn geliefde broer? Misschien. Maar het komt vaker voor dat mensen vreemde dingen denken als ze van een rampspoed op de hoogte worden gebracht. Bovendien spelen de geweren nu eenmaal een grote rol in het leven van de majoor. Aan het einde van het verhaal veroorzaken ze zelfs bijna zijn dood.

Maar voor het zover is presenteert Helen Simonson ons een onvervalste zedenschets; een wervelend, licht ironisch en vlot geschreven verhaal vol verrassende dialogen over het Britse dorpsleven zoals het echt is en niet zoals wij – en veel Britten – het graag zien. ’De majoor en mevrouw Ali’ bevat namelijk niet alleen een aangename dosis suiker, maar ook een heilzame portie kinine, kunstig verpakt in de excentrieke en dikwijls hilarische hersenspinsels van de majoor.

Plaats van handeling is Edgecombe St. Mary, een klein plaatsje in Zuid-Oost-Engeland. Op het eerste gezicht lijkt het er paradijselijk sereen. Majoor Pettigrew woont in een huis met de tot verbeelding sprekende naam ’Rose Cottage’. Hij brengt zijn dag door zoals het een majoor in ruste betaamt: hij leest de krant, drinkt thee van een persoonlijk samengesteld mengsel, speelt golf en verzorgt de theerozen in zijn tuin. Het sociale leven van Edgecombe St. Mary wordt bepaald door een kleine groep dames en de plaatselijke golfclub.

Het evenement van het jaar is het bal dat de dames en het clubbestuur gezamenlijk organiseren. Geïnspireerd door het antieke geweer van majoor Pettigrew kiezen de dames dit jaar voor een Indiaas thema: ’Een avond aan het hof van de Maharadja’. Mevrouw Ali – zelf overigens weduwe – kan mooi voor de hapjes zorgen, en de zoon van de majoor – een snelle Londense bankier – zal zijn overgrootvader uitbeelden.

Zo gezegd, zo gedaan. Als echter de dames en het clubbestuur minder ruimdenkend blijken te zijn dan ze voorgeven, en zij mevrouw Ali, op wie majoor Pettigrew steeds meer gesteld raakt, met doorzichtige smoezen weigeren in hun kring op te nemen, verschijnen de eerste barsten in de vriendelijk ogende dorpsfaçade. Wanneer Lord Dagenham het gehele dorp aan een Amerikaanse geldwolf wil verkopen om zijn kasteel te redden, worden de volgende scheuren zichtbaar. Als dan ook nog de schoonzus van de majoor de beroemde geweren wil verkopen en mevrouw Ali, moe van alle commotie, het dorp verlaat, dreigt de wereld van de majoor ineen te storten.

Juist dan toont majoor Pettigrew zijn ware aard, en is Simonson op haar best. In een spannende scène, waarin de auteur ook nog even het ambtelijk gedrag van de plaatselijke reddingsdienst op de hak neemt, maakt ze expliciet waar ze je zo’n 350 vermakelijke pagina’s al impliciet op heeft voorbereid: dat je je nooit door vooroordelen mag laten leiden. Doordat de majoor niet tijdens, maar ná de Kerstdagen tot dit levensreddende inzicht komt, behoudt deze feelgoodroman tot aan het einde zijn bitterzoete smaak.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden