Beeld Trouw

ColumnLeonie Breebaart

Een briefgeheim hoeft niet eeuwig een geheim te blijven

Je kunt het je amper voorstellen, maar ooit leek het wereldwijde web (zoals we internet toen noemden) dé oplossing tegen pottenkijkers. Wat een uitvinding: je hoefde niet meer fysiek-herkenbaar naar de winkel om iets aan te schaffen dat je privé wilde houden – een boek, een speeltje, wat dan ook. Dat deed je gewoon vanachter het scherm!

Dat enthousiasme is natuurlijk bekoeld sinds we weten dat elke googlezoekactie of bestelling bijdraagt aan het digitaal profiel dat van ons wordt samengesteld en dat naar hartelust commercieel en politiek uitgebuit kan worden. De enige manier om die digitale identiteit te beïnvloeden is waarschijnlijk de onlinetegenaanval: door jezelf van LinkedIn tot Twitter en Instagram voortdurend in de kijker te spelen kun je die data misschien nog een beetje bijsturen. “Dit ben ik dus écht!” Alleen vervalt zulke zelfexpressie al snel tot ‘dwangmatig aan elkaar verschijnen, hengelend naar applaus’, zoals filosoof Peter Venmans het afgelopen februari in deze krant omschreef.

Misschien is dát effect van de digitale revolutie wel even erg als verlies aan privacy: dat we voortdurend moeten nadenken over ons publike imago – alsof iedereen een bekende Ne­derlander is die door paparazzi wordt beloerd. We moeten allemaal het podium op, hengelend naar applaus.

De ruimte tussen privégedachten en het publieke imago

Voor mensen die altijd een podium hebben gewild, is dat misschien een uitkomst. Maar vergelijk die dwang tot performen ook eens met het intieme medium van de brief, het verloren medium waarin een generatie voor ons net zoveel tijd en aandacht aan besteedde als deze generatie aan social media. Dat schreef toch anders, zo’n schriftelijke zelfexpressie in een enveloppe, bestemd voor die éne vriend, vriendin of andere vertrouweling; brieven schiepen ruimte tussen onze privégedachten en ons publieke imago. Natuurlijk werden er ook weleens brieven gestolen of hardop voorgelezen, maar alleen als je heel staatsgevaarlijk was werden ze stiekem open gestoomd en moest je al schrijvende rekening houden met met een anoniem en mogelijk vijandig publiek.

Niet dat een briefgeheim altijd een brief­ge­heim moet blijven, dat zou een ramp zijn voor biografen. Mijn grootvader K.H. Miskotte was een obsessief brief- én dagboekschrijver en niemand heeft het zijn biograaf Herman de Liagre Böhl geloof ik kwalijk genomen dat die ruimschoots uit Miskotte’s privécorrespondentie heeft geput. Mijn moeder, geboren in 1930, ver­nietigde haar oorlogsdagboek, maar vroeg al haar naoorlogse brieven aan één vriendin terug en bewaarde ze, als een erfenis die niet verloren mocht gaan.

Ze had gelijk: de brieven zeggen zoveel over haar generatie dat ik me na vandaag drie maanden van deze pagina zal terugtrekken met het oog op een boek – een boek waarvoor ik haar toestemming niet meer kan vragen.

Schend ik daarmee haar privacy? Onvermijdelijk. Aan de andere kant: als ze zeventig jaar later geboren was, zou ze vermoedelijk zijn gaan bloggen om haar schrijfambities te verwezenlijken. Maar dan hadden we de spontaniteit van haar brieven weer moeten missen, de scènes die je alleen zó opschrijft als je weet bij wie je woorden aankomen.

Wat is daar nou erg aan? Leonie Breebaart onderzoekt in haar column de actualiteit op filosofische wijze. Lees ze hier terug. Tot 4 april zal Trouw-redacteur Seije Slager deze rubriek schrijven

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden