Een bier als een vijver

De ingang van de Achelse Kluis (boven) ligt in Nederland; de rest in Vlaanderen. Links: de Achelse producten uit de abdijwinkel. (FOTO'S JEROEN THIJSSEN) Beeld
De ingang van de Achelse Kluis (boven) ligt in Nederland; de rest in Vlaanderen. Links: de Achelse producten uit de abdijwinkel. (FOTO'S JEROEN THIJSSEN)

Culinair journalist Jeroen Thijssen bezoekt deze zomer bijzondere buitenplaatsen, om er te proeven van wat het land hier brengt. Vandaag: abdij de Achelse Kluis.

Voorbij de brug, voorbij de boomgaard rijst een bakstenen muur met daar bovenuit de spits van een kerk. Schaft, bij Valkenswaard, ligt al kilometers achter me, dit moet de Achelse Kluis zijn. Een bordje naast een getralied hek geeft uitsluitsel: ik ben waar ik moet zijn. In deze uithoek, op de grens van Nederland en België, is het geestelijk leven al 350 jaar oud. In 1686 sticht Petrus van Eijnatten uit Eindhoven hier een gebedshuis voor katholieken uit het protestantse Nederland. Nu huizen er trappistenmonniken in de abdij, al bijna anderhalve eeuw. De klok van de abdijkerk slaat het hele uur, een clubje ratelende fietsers passeert op weg naar de herberg. Daarna is het weer stil. Boven de muur beloven bloeiende heesters een pracht van een tuin. Je zou er religieus van worden; maar de abdij is helaas niet toegankelijk.

Wie Westmalle zegt, zegt bier – en daarvoor ben ik gekomen. Niet alleen voor het bier, overigens. De paters kunnen niet meer leven van landbouw en veeteelt. Zij hebben hun gronden verkocht aan Staatsbosbeheer en Vlaams Gewest en halen inkomsten uit een winkel, een gasthuis en het brouwen van bier. Aan de oostkant van de abdij staan schuren en bijgebouwen, in carrévorm gebouwd. Dat was raadzaam in ruige oude tijden in een zo verlaten streek. Nu is de carré belegd met gladde plavuizen. Een groot terras bezet de zuidelijkste kant, met blauwe parasols die hier net niet passen: te modern, te hip, te commercieel. Binnen wacht een authentieker geheel: een herberg in jaren zeventig stijl, met een klassieke uitstalkast voor gebak, houten tafeltjes en dito stoelen. En meteen links het wonder van Achel: zes roestvrijstalen brouwvaten achter een hoge glazen wand. Voor de duidelijkheid heeft de directie de functies op de kuipen geschreven: lagerkuip, beslagkookketel, gistingtank.

Dit is het hart van de abdij, hier maken de paters het wereldberoemde Achelse bier, verkrijgbaar in blond, in bruin en in ijs.

In ijs? Jawel, een onverwacht genie heeft de basis van het ijs verrijkt met Achels bier. ’Zonder alcohol’, meldt een bordje bij de softijs machine. Dat is vanwege de kinderen, natuurlijk, al zijn daarvan weinig aanwezig. Terras en herberg zitten vol oudere mensen die elkaar allemaal lijken te kennen. Ik neem het ijs zonder alcohol, dat erg lekker is, zoet en bitter tegelijk. De andere bezoekers nemen het bier met alcohol, en in grote hoeveelheden. Gelukkig is de Kluis een fietsersparadijs.

De broodjeskaart is niet bijzonder, maar lekker ouderwets: kroket, viskroket, garnalenkroket. Vooral die laatste smaakt goed. De zelftap-koffie stelt niet veel voor; uit het knopje ’espresso’ en ’koffie’ komt hetzelfde zwarte bocht, ook authentiek jaren zeventig. De jongedames achter de balie spreken zuiver Vlaams, ik heb nog geen pater gezien.

Op naar de abdijwinkel, langs de galerie links en de religieuze boekhandel rechts. Interessant allemaal, maar je kunt het niet drinken of eten. Links, vlakbij de uitgang, hangt een vervallen luifel aan een gevel, met supermarktkarretjes ervoor; dit is de abdijwinkel. Binnen wacht het soort rommelhokken waar echte culi’s dol op zijn. Drie kamertjes met blikken, flessen, doosjes, een enkele koelvitrine. Alle kamertjes zijn versierd met opgezette beestenkoppen, wagenwielen, de pop van een heks. De schappen zijn overladen met jammen, soepen, vier soorten kruidkoek, spritsen, amandelgalettes. Een kamertje heeft een koeling voor vlees, die helaas vrijwel leeg is. Vooral naar de ’vleesworst’ ben ik erg benieuwd. Wel liggen, een deurtje verder, niet gekoelde vleeswaren, waaronder Bifi-worstjes, boerenworstjes en rauwe ham, marcassou genoemd, netjes vacuüm getrokken en prachtig donkerrood. Bifi-worstjes ken ik wel, de ham kleurt prachtig in het karretje, net als twee boerenworstjes. Een kamertje verder staan zakken met koekjes ’van onze trappistenzusters, van de abdij Clairefontaine in Bouillon’. Laat zoiets maar eens staan. Ook een doosje amandelbrood van Jules de Strooper gaat mee.

Dan ga ik door de laatste deur achterin; nu weet ik het zeker: het paradijs is katholiek en heeft hier een dependance. Hier is een zaal vol bier. Nu ja, ook nog wat wijntjes, maar toch vooral voorbeelden van het goddelijke gerstenat. De nabijheid van België blijkt uit de tientallen soorten, waarvan ik waarschijnlijk de helft niet ken. Ezelsbier, bijvoorbeeld, en Saison Dupont. Er staat Ter Doolen blond uit Helchteren, zelfs de dorpsnaam ken ik niet, maar er is ook religieus bier: de ene soort heet pater, de ander prior. Gezien de katholieke omgeving is het passend katholiek bier te drinken. Pater en prior gaan mee in de tas. Op de terugweg ritselt en rinkelt het achterin de auto en de keukenproeftafel is welgevuld. Als eerste de worst; je moet bij het proeven van hartig naar zoet werken.

Het is opmerkelijk hoe twee ogenschijnlijk gelijke worstjes in smaak kunnen verschillen. De ene, boerenworst van Breughel, is stevig en toch mals, en vol smaak. De anonieme ’droge worst’ is van dat alles slechts de helft. De ham, nootham uit Marcassou, is uit de kunst: zacht en sappig, zout en zoet, een droom in gedroogde vorm.

Dat kun je niet zeggen van de koekjes van de trappistenzusters. Ze kraken keurig, maar ze smaken wat minder: droog. Net of de zusters te weinig boter hebben gebruikt. Nee, dan het amandelbrood van Jules de Strooper. Heerlijk! Zelden zo goed gehad. Vlierbollen zijn sabbelsnoepjes met een apart aroma, dat ergens aan hopjes en ergens anders aan toffees doet denken. Lekker maar hard. De kruidkoek is non-descript.

En dan het bier. De Pater van Kapittel is een stevig baasje: zowel voor in de slok als in de nasmaak. Zijn eerwaarde collega prior heeft meer compassie met de dorstigen, zijn bitterheid is meer die van een vriendelijke oude man. Maar beide geestelijken worden overtroffen door het lokale brouwsel, de Achelse trappisten. Het bruin heeft schuim dat plakt van het eiwit en is bitterachtig en zoet, een bier als een vijver, met onverwachte diepte. Het blond bier is zoeter, voller en gemakkelijker dan zijn gekleurde broer –maar ook erg lekker.

Eenmaal thuis, na een blik op de kaart, begrijp ik de Belgische overvloed: de Achelse Kluis ligt bijna geheel op Vlaams grondgebied. Alleen de ingang is Nederlands.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden