Een biennale van reputaties

Wie de Biennale van Venetië goed wil zien, moet eigenlijk een volle week uittrekken voor deze tweejaarlijkse beeldende-kunstmanifestatie. Veel grote namen zijn er samengebracht want de 47-ste Biennale heeft duidelijk voor kwaliteit gekozen, ook van kunstenaars die nog geen reputatie genieten. Je loopt de blaren op je voeten om de landenpresentaties in de Giardini, een park-achtig terrein, en de ruim vijftig exposities door het hele stadscentrum te zien: in musea, paleizen en zelfs in kerken en kloosters. De hele zomer door. De Biennale duurt tot en met 9 november, dagelijks van 10 - 18 uur. Maandags gesloten. Bijzondere exposities: 'Artists for Sarajevo, t/m 7 sept. in de Fondazione Querini Stampalia in de wijk Castello; Anselm Kiefer t/m 9 nov. in Museo Correr, San Marco; 'Venezia Contemporaneo', Palazzo Fortuny. Div. publicaties. De officiële catalogus kost circa ¿ 105.

Albanië is in de Giardini in Venetië niet vertegenwoordigd. Ook elders in de stad is geen kerk, klooster of paleis te vinden waar Albanië voor een groot forum zijn kunst laat zien. Daarmee is het één van de weinige Europese landen die zich niet op de Biennale vertonen. Geen geld, en daardoor ook geen zelfrespect? Geld speelt immers op de Biennale, zij het zelden openbaar gemaakt (alleen al de kosten van de centrale organisatie bedragen tien miljoen gulden), een belangrijke rol.

Landen die geen nationaal paviljoen in de overvolle Giardini bezitten, wijken naar de stad uit. Daar is, tegen zeer veel geld, een paleis of museum te vinden dat voor de duur van de zomermaanden ruimte wil afstaan aan een nationale kunstenaar. Portugal manifesteert zich zo ad hoc. Volgende keer hoopt het land een gebouw op het Biennale-terrein naar een ontwerp van Alvaro Siza in gebruik te nemen. Nu huist het in een mooi, maar licht verwaarloosd gebouw, het Palazzo Vendramin ai Carmini. Dat staat letterlijk in de schaduw van de beroemde Carmini-kerk en de gelijknamige Scuola, middenin een wijk als een doolhof van charmante steegjes en kabouterstraatjes, alleen vindbaar met een kaart.

Juliao Sarmento maakte daar een van de mooiste tentoonstellingen van de hele Biennale. Zijn voorstellingen bestaan uit combinaties van schilder- en tekenkunst, incidenteel zelfs met hologrambeelden. Het geheel ziet er aantrekkelijk uit. Sarmento heeft maar één thema: de menselijke verschijningsvorm. Bij hem zijn dat geklede rompen die van ledenmaten zijn voorzien. De handen staan voor gebaren, sommige met een sacraal karakter.

Die voorstellingen zijn veelgelaagd. Ze zien er op het eerste oog vrij simpel uit, maar ze geven hun betekenis niet snel prijs. Er zijn onomwonden religieuze betekenissen te vinden - een hand die een wond aftast als bij Christus en de ongelovige Thomas -, andere zijn erotisch geladen of grijpen terug op renaissancistische voorbeelden. Sarmento kun je een renaissancist noemen; in zijn werk wordt de kunst, met de mens centraal, wedergeboren.

Om voorgoed zijn naam onder de aandacht van het publiek en dan vooral de media te brengen, had de Portugees een New-Yorks pr-bureau in de arm genomen. Op die wijze lukte het om 's morgens om half tien al een vol huis te trekken, iedereen van een Italiaans ontbijt te voorzien en van een uitstekende catalogus. Het veelkoppige publiek kon getuige zijn van het feit hoe een kunstenaar op internationaal niveau werd gelanceerd. Daar moet je in Venetië op gespitst zijn. Immers, hier bracht conservator Achille Bonito Oliva aan het begin van de jaren '80 de Trasavantguardia met welluidende namen als Cucchi, Clemente, De Maria en Ontani voor het voetlicht. Hier debuteerde graffiti-kunstenaar Keith Haring op de Aperto, later was ook Jeff Koons hier te zien.

In feite bestaat de Biennale uit twee onderdelen: de exposities onder verantwoording van de deelnemende landen en de speciale tentoonstelling in de Cordiere, een voormalige touwslagerij. De samensteller van dit jaar, de Amerikaan Germano Celant (directeur van het New-Yorkse Guggenheim-museum) plaatste zijn keus onder de opvallende titel 'Toekomst, Heden, Verleden'. Om zijn opzet te kunnen volgen, dient de bezoeker wel te beginnen in het paviljoen van Italië.

Veel meer dan tijdens voorgaande Biennales manifesteren zich de voormalige Oostblokstaten. Met uitzondering van Albanië, zijn zij allemaal aanwezig. 'Oude' landen als Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije (de laatsten nog samen onder één dak) hebben hun plek in de 'Giardini; de 'nieuwe' als Macedonië, Litouwen, Slowenië en Kroatië hebben onderdak gevonden in kerken en paleizen.

Voor Sarajevo, gedurende de recente oorlog zo zwaar beschadigd, wordt een bijzondere actie gevoerd. Over enkele jaren moet de hoofdstad van Bosnië-Hercegovina een eigen museum voor moderne kunst hebben. Omdat het land voorshands nog geen geld heeft om kunst aan te kopen, stonden kunstenaars als Nan Goldin, Joseph Kosuth, Julian Opie, Cindy Sherman, Rosemarie Trockel, Alighiero Boetti, Mimmo Palodino en Ilja Kabakov werken af. Uit dat eigen bezit is in de Querini Stampalia een prachtige expositie samengesteld. Met zulke namen worden andere kunstenaars aangemoedigd om ook hun bijdrage te leven aan de opbouw van het toekomstige museum in Sarajevo.

Germano Celant heeft met zijn expositie in de Cordiere het begrip 'reputatie' weer naar voren geschoven. Deze Italiaan van origine, schrijver van Amerikaanse kunstenaarsbiografieën en stimulerend directeur van het Guggenheim Museum in New York, houdt van schilderkunst en driedimensionale kunst die wat hem betreft niet al te filosofisch is. Je hoeft er geen essays van schrijvers als Baudrillard of Damisch voor op na te slaan, om het werk van Anselm Kiefer, John Baldessari of Claes Oldenburg te kunnen begrijpen. Zij zijn prominent aanwezig in Celants rondblik op 'Toekomst, Heden, Verleden'.

Kiefers indrukwekkende voorstelling van een Mexicaanse Indianentempel is een mooie opmaat voor de grote expositie die hij elders in de stad heeft. Die laat zien hoe goed de Duitser er aan heeft gedaan zijn benauwde geboorteland te verruilen voor een nieuwe omgeving in Frankrijk. In een nieuw atelier werkt Kiefer op formaten die groter zijn dan ooit. Gezien de dikke materieverf die hij er op smeert, moeten die tonnen zwaar zijn. De tempel op het schilderij is bijna 1:1 afgebeeld, en reikt tot aan het plafond van het Italiaanse paviljoen.

De keus van Celant voor historie versus toekomst was weliswaar geen thema waard, maar zij zet wel de toon voor de Biennale als geheel. Celant is wel een man van concepten - hij wortelt in een aantal stijlen uit de jaren zestig en zeventig - maar van cerebrale kunst houdt hij zich verre; er moet iets te zien zijn.

Een aantal beelden in de Cordiere is echter ronduit plat. Op het eerste gezicht is het leuk hoe Bertrand Lavier een indrukwekkende shovel met kerstslingers en -ballen heeft opgetuigd, hoe Jeff Koons een uitgeknipt kinderfiguurtje tot twee meter groot opblaast, of Roy Lichtenstein zijn schilderijen in reliëfvorm uitvoert en Mario Merz de zoveelste iglo maakt. Belangwekkend evenwel zijn de grensverleggende foto's van Vanessa Beecroft, de in was afgegoten 'restruimtes' van Rachel Whiteread en de gefilmde performance van de Zwitserse Pipilotti Rist.

Rist maakte een intrigerende film over een in een traag tempo swingende vrouw die voorzien van een slagwapen de straat onveilig maakt. Ze slaat met een honingzoete blik de zijramen van geparkeerde auto's in, daarbij niet gehinderd door omstanders die de ravage-partij met stoïcijnse blik ondergaan.

Over film gesproken: dit medium doet met forse tred zijn intrede in het domein van de beeldende kunst. Behalve de gefilmde performance van Rist in de Cordiere, zijn er ook elders film-achtige voorstellingen te zien. Verschillende landenpaviljoens wijden hun inzendingen zelfs aan een complete film. De Canadees Rodney Graham laat een vermakelijke performance zien die sterke trekken heeft van een spektakelfilm in de trant van 'De muiterij op de Bounty'.

Op een eiland in de Stille Zuidzee ligt onder een palmboom een man in een historisch uniform. Je vraagt je voortdurend af of hij nog leeft of al dood is. Op die vraag komt kort voor het einde van de film pas het antwoord: dan wordt de man wakker, kijkt traag omhoog en wordt door een kokosnoot geraakt. Dood valt hij neer, een clichébeeld van een clichéfilm waar alle denkbare filmclichés voor worden benut, maar zo eindeloos traag dat de film prachtig van beeld, van ritme en uitdrukking is.

Film, beter gezegd video, zit ook in de bijdrage van Aernout Mik aan de Nederlandse inzending. Hij en Willem Oorebeek hebben bezit genomen van het nog door Gerrit Rietveld gebouwde paviljoen. Zij maakten een gezamenlijk werk, een combinatie van installaties, video's en wandschilderingen. De video's vertonen alledaagse situaties in een vervreemdende sfeer. Die beeldschermen staan temidden van merkwaardig gevormd meubilair (een bank met iets dat lijkt op een staart) dat het karakter heeft van decorstukken, in een ruimte waarin grijs en zwart (wandbekleding met vage, onbestemde vormpjes) overheerst. Het geheel doet bedacht aan. Het is emotioneel karig. Dat geldt vooral voor het aandeel van Oorebeek.

Dat valt temeer op omdat in omliggende landenpaviljoens de emoties soms groots worden uitgespeeld. Kijk maar eens in het Amerikaanse paviljoen. Daar hangen zeer kleurrijke schilderijen op maatschappelijke thema's van de zwarte kunstenaar Robert Colescott. Hij is de eerste zwarte Amerikaan die doordringt tot de Biennale.

Ook in het Belgische paviljoen heerst emotie. Daar werkt Thierry de Cordier met beladen thema's als vergankelijkheid, melancholie, dood en verlangen. Dat alles in pikzwarte beelden die je letterlijk kippenvel bezorgen. Zulke beelden maken je weliswaar mateloos somber over het leven, maar je kunt er een standpunt, een houding tegenover stellen. De Cordier laat je niet onverschillig. Wat dat betreft is De Cordier van even groot belang als bijvoorbeeld Bruce Nauman, de grote afwezige op de 47e Biennale. Ook de reputatie van De Cordier zal toenemen, zodat hij nog net op tijd bijgezet kan worden in het pantheon van de groten van de twintigste eeuw.

Bijzonder is de wijze waarop Oostenrijk zijn kunstenaars onder de aandacht brengt. In een klassiek vormgegeven ruimte staat een massieve stapel vuistdikke boeken over een Weense kunstenaarsgroep, de Wiener Gruppe. Het publiek wordt in drie talen uitgenodigd de studie over een groep van schrijvers, cabaretiers, architecten en tekenaars gratis mee naar huis te nemen. De boekenstapel slonk in enkele dagen al snel; veel bezoekers zagen de pil als een echt hebbedingetje. Vermeende reputatie die in de boekenkast thuis nog jaren staat te stralen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden