Review

Een betrouwbare gids in een vrij ontoegankelijk landschap

Wiel Kusters: Ik graaf, jij graaft. Aantekeningen over poëzie. Querido, Amsterdam; 208 blz. ¿ 42,50.

Zowel op de korte als op de lange baan betoont Kusters zich een heel nauwkeurige en interpretatief slagvaardige lezer. Hoewel essayistische invallen en entrefilets niet ontbreken, blijven zijn stukken toch altijd een enigszins docerende toon houden. Hij heeft iets van een ernstige, niettemin montere didacticus, die zijn lezers tot in de titel van zijn bundel lijkt aan te sporen om actief deel te hebben aan het hier geboden poëticale spitwerk.

Laat ik hier onmiddellijk aan toevoegen dat die titel in de eerste plaats verwijst naar een veel duisterder dimensie van het werkwoord 'graven'. Het is een aanhaling uit een gedicht van de Joods-Roemeense dichter Paul Celan, waarin de regel voorkomt: “Ik graaf, jij graaft en ook graaft de worm”. Celan overleefde de holocaust en zag een groot deel van zijn familie en vrienden aan de nazi-terreur ten slachtoffer vallen. Zijn poëzie staat geheel in het teken van vernietiging en dood, geeft stem aan wat zwijgt, evoceert de existentiële Leegte-na-Auschwitz.

Zo de mens nog iets is, zo vat Kusters de kern van het zojuist aangehaalde gedicht samen, dan toch niet meer dan 'de worm die hem zal vreten'. God is in dit emotionerende gedicht een onmachtige, verre God, een aanwezige afwezigheid. De eerste strofen van dit huiveringwekkende gedicht luiden:

“Er was aarde in hen, en / zij groeven / Zij groeven en groeven, en zo verliep hun dag, hun nacht. / En zij loofden niet God, / die dit, zo hoorden ze, allemaal wist. / Ze groeven, vernamen niets meer: / ze werden niet wijs, verzonnen geen lied, / bedachten generlei taal. / Ze groeven.”

Kusters wijdt drie uitstekende essays aan de fascinerende maar moeilijke poëzie van Celan. Mét de vier beschouwingen over Faverey behoren zij tot het beste dat 'Ik graaf, jij graaft' te bieden heeft. Hij is zeer goed thuis in het werk van deze hermetisten en slaagt er telkens in om zijn bevindingen glashelder te formuleren. Hij noemt Faverey onomwonden “de enige Nederlandse dichter misschien met wie Paul Celan een zekere verwantschap vertoont”.

Daar is, gezien de essentiële rol van het niets en de leegte in hun werk, inderdaad veel voor te zeggen. Maar de existentiële achtergrond van waaruit zij gedicht hebben, verschilt natuurlijk aanzienlijk. Bij Celan is het tot bloei brengen van het zwijgen, van het vernietigde, al is het 'maar' de bloei van 'De niemandsroos' (zoals een van zijn bundels heet), vanuit zijn biografie te begrijpen.

Maar waar komt Faverey's obsessie voor het vernietigen, het onstoffelijk en leeg maken van de werkelijkheid nu precies vandaan? Het antwoord moet, denk ik, luiden: uit zijn idealistische hang naar een soort eeuwigheid die primair op taalspel is gefundeerd. Dat is dan toch iets heel anders dan de in wezen realistische impuls van waaruit Celan dicht. Het is jammer dat Kusters op deze kwestie niet nadrukkelijk ingaat. De behandeling ervan zou een helderder licht kunnen werpen op het tegenwoordig alom gerespecteerde, maar daarom nog niet per se alom geliefde werk van Hans Faverey.

Vernietiging - in woorden uiteraard - als ultieme scheppingsdaad is het centrale motief van veel van Kusters' beschouwingen. Vanuit deze optiek zegt hij ook behartenswaardige dingen over de ingewikkelde destructieve poëtica van Paul Rodenko en over het onstuitbare in elkaar overvloeien van dood en leven in de gedichten van Achterberg. Het doorwrochte essay 'Tweeërlei eeuwigheid' dat hij aan de laatste wijdt, wekt een beetje de indruk van oude wijn in nieuwe zakken, maar is zo scherpzinnig geschreven dat ik me er toch aan overgeef.

Achterberg komt ook nog aan bod in een nauwelijks twee pagina's tellende schets over zijn gedicht 'Graf'. Dit vers, dat in woorden een sfeer van berusting uitspreekt, wordt op grond van een minieme, maar afdoende klankanalyse door Kusters ontmaskerd als opdringerig, obstinaat en verstikkend. Close reading van de beste soort: spitsvondig, pregnant en overtuigend.

Sowieso vind ik dat Kusters zich in de interpretatieve sfeer zelden vergaloppeert. Hij is daarvoor eenvoudig te intelligent en te degelijk. Hij maakt wel eens uitstapjes naar de klassieke en bijbelse mythologie die mijns inziens vergezocht zijn, maar die vormen nooit de hoofdpijlers van zijn beschouwingen. Hij mag daarom met recht een betrouwbare gids genoemd worden in de meer hermetische, ondoordringbare regionen van het poëtische landschap.

Maar evenzogoed voert hij zijn lezer langs, bijvoorbeeld, het door en door vertrouwde kustgebied van Gorters Mei (in een voortreffelijk stuk getiteld 'Liedren als zuilen') en blijkt hij in staat daarin nieuwe vergezichten te openen.

Poëzieliefhebbers die nog een plaatsje in hun koffer over hebben, kan ik dit boek dan ook van harte ter lezing in de vakantie aanbevelen. Wie ook essaybundel 'Intimiteit onder de melkweg' (1994) van Herman de Coninck nog in zijn bagage kwijt kan, krijgt daarmee een tamelijk compleet en inspirerend beeld van hoe er op dit moment door verschillend geaarde dichters-essayisten tegen de poëzie wordt aangekeken. En de 'Mei', tot slot, kan er dan ook nog wel bij. Zo komt Jan Dromer door de zomer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden