Een beter leven dankzij de sigaar

Wat ze per maand verdienen, weten ze niet. Maar dat het leven er alleen maar op vooruit kan gaan, staat buiten kijf voor de tabaksboeren van Brazilië. Hun kinderen hebben mogelijkheden die zij zelf nooit gehad hebben.

Een sigaar is van alles - genotsmiddel, statussymbool, gezondheidsrisico - maar voor de tabaksboeren in het noordoosten van Brazilië is het een vreemd ding. Vraag hen of ze er ooit een gerookt hebben en ze kijken je aan alsof je gek bent.

"Nooit!"

Zij produceren tabak, geen sigaren.

Vraag het iedereen hier, in het droge binnenland van de deelstaat Bahia, en je krijgt hetzelfde antwoord. Hier gaat tabak niet over roken, maar over de strijd om het dagelijks bestaan. Al generaties lang verbouwen deze boeren tabak. Maar wie de schakels volgt in de keten van tabaksplant tot sigaar, stuit op een verhaal: dat van het veranderende Brazilië. Waarin ouders - alle ouders - verwachten dat het hun kinderen beter zal vergaan dan henzelf. Waarin het platteland leegstroomt, en de stad vol. Waarin de globalisering tegelijkertijd een kans en een bedreiging is. Waarin herbebossing een rol speelt, maar onverschilligheid ook. "Zelfs de Amazone kan veranderen in een woestijn."

Wat uiteindelijk een luxeproduct zal worden dat in Europa voor tien tot twaalf euro per stuk over de toonbank gaat - toegegeven, dan hebben we het over de duurste soort - begint in Bahia met twee gratis basisingrediënten: zaad en zon. Het zaad voor de tabaksplanten krijgen de boeren van de sigarenproducenten, voor de zon zijn ze afhankelijk van de natuur, en die is grillig. Zon is hier altijd wel, maar het kan te veel van het goede zijn. Dat is dit jaar het geval. De Braziliaanse zomer - onze winter - is ongenadig geweest. Geen druppel regen. Het vee staat te sterven langs de kant van de weg. En de boeren zien hun oogst verschrompelen. "Alleen tien jaar geleden, toen er een ziekte in de tabaksplanten zat, was de toestand nog erger", zegt Andrelino Conceição Santos (49). "Ik had dit jaar 1500 kilo tabak zullen leveren, het is 900 kilo geworden. We zullen erg weinig te besteden hebben. De bar loopt ook al voor geen meter." Hij wijst naar een stenen schuur voor zijn erf, versierd met een verschoten afbeelding van een biermerk: de bar, bedoeld voor bijverdiensten. "Alleen in het weekeinde komt er wel eens iemand."

Zware arbeid
Santos heeft anderhalve hectare grond, hij is een kleine boer. Zo is het leven nu eenmaal gelopen; hij is hier geboren, in de buurtschap Mil Peixes, nabij het dorp São José, met Muritiba als eerste stad in de omgeving en de metropool Salvador op een afstand van 2,5 uur rijden. Zijn vader zat al in de tabak, en die had niet meer dan anderhalve hectare te vergeven. "Ik heb ook wel voor anderen gewerkt, en ik heb op de trekker gereden, maar daardoor heeft mijn rug het begeven. Zware arbeid lukt niet meer en andere mogelijkheden zijn er niet in de omgeving. Ik heb alleen mijn eigen tabak. Nou ja, en de bar. Soms is er geld, soms niet. We redden het, maar veel slechter moet het niet worden."

Wat een beetje helpt, is het regeringsprogramma Bolsa Familia, ingevoerd door de vorige president Lula da Silva om de armoede uit te roeien en alle kinderen onderwijs te geven. Dat levert Santos een gedeeltelijke uitkering op wegens zijn kapotte rug. Plus kinderbijslag. Met zijn vrouw Everilda (38), die zich afzijdig houdt van het gesprek, heeft Santos vier kinderen. De oudste, een zoon van 24, woont in Salvador, waar hij in een bakkerij werkt. De tweede, een dochter van 22, studeert in Muritiba. De volgende twee, dochters van 19 en 13, wonen nog thuis en gaan in de buurt naar school. Zelf had Santos, die al vroeg zijn vader moest helpen op het land, ook graag langer doorgeleerd. Een tijdje probeerde hij de avondschool te doen naast het werk, maar dat ging niet. Wat dat betreft hebben de kinderen van nu het beter, en niet alleen wat dat betreft: ze groeien op in een andere wereld. "Mijn vader had geen elektriciteit, mijn kinderen zijn gewend aan televisie en mobiele telefoon. Ik kreeg thuis wat schamel onderwijs, mijn kinderen worden met de bus naar school gebracht. Ze hebben alle kansen."

De landbouwpercelen in Mil Peixes, die meestal om het huis van de boer heen liggen, vormen bij elkaar een lappendeken van niet al te grote stukken grond, waar nu, na de tabaksoogst, vooral nog sinaasappel- en citroenboompjes staan - áls ze er staan, want veel boeren hebben ze moeten verbranden, omdat ze door de droogte waardeloos waren geworden. Het fruit hing er bij als rozijnen. Alleen de maniok, ofwel cassave, lijkt het nog behoorlijk te doen. Maar bij Reinaldo Moura Barros (55) valt de schade mee, zegt hij, hij heeft ook pinda's, die gaan goed, en de tabak deed het weliswaar minder, maar dramatisch was het niet.

Dus hij houdt wel een behoorlijk maandinkomen over aan het harde werken?

"Dat weet ik niet," antwoordt hij met een scheef lachje. "Soms huur ik een arbeider in, dan heb ik weer kosten voor transport, en het ene moment komt er geld binnen voor de sinaasappelen, het andere moment voor de tabak. Zo gaat dat. Ik weet wel dat het beter gaat dan vroeger."

Barros beschikt over 3,5 hectare grond, net zoals Santos geërfd van zijn vader. Die had eerst 13 hectare, maar dat was aan de andere kant van de berg São José, die de boeren in december beklimmen om Onze Lieve Heer een goede oogst af te smeken. In maart gaan ze weer, om Hem te danken - goede oogst of niet. Achter de berg is de grond slechter, Barros' vader kocht betere percelen in Mil Peixes, die hij verdeelde onder zijn zonen. Zelf heeft Barros geen zonen. Wel twee dochters. Beiden hebben de middelbare school afgerond, één is getrouwd, de ander bereidt zich voor op het toelatingsexamen voor de universiteit - ja, hun leven zal ergens anders liggen dan hier, en niet alleen vanwege de allergie voor tabak waar de jongste mee kampt, ook vanwege de kansen die de stad biedt. "Als ze daar verder kunnen groeien dan hier, mogen ze van mij gaan."

Vooruitgang
Het is paradox van de vooruitgang in de Rec¿ncavo, deze streek van Bahia die sinds de zestiende eeuw het domein was van de grote suiker- en tabaksplantages, met de bloeiende tweelingsteden São Felix en Cachoeira aan weerszijden van de rivier Paraguaçu, vanwaar de goederen de wereld in werden gestuurd. In de twintigste eeuw volgde het verval, deels door het wegvallen van de vraag naar suiker en tabak, deels door de opkomst van het wegverkeer, waardoor de Paraguaçu zijn functie als transportader verloor. Nu de sociale politiek van Lula en zijn opvolger Dilma zijn vruchten af begint te werpen, de armoede afneemt, de sociale voorzieningen hun nut bewijzen en het opleidingsniveau van de bevolking stijgt, nu dreigt de Rec¿ncavo leeg te lopen. Omdat de vooruitgang in de steden verleidelijker oogt - zoals overal ter wereld - dan in het achterland. "Ik kan bijna geen arbeider meer vinden," zegt Barros. "Ze vertrekken allemaal naar Salvador of nog verder weg. Rio de Janeiro, São Paulo."

Degenen die achterblijven zijn de losers, de jongens over wie iedereen klaagt, omdat ze verslaafd raken aan crack en de omgeving terroriseren met roofovervallen. Ze houden in de gaten wanneer een boer zijn oogst verkoopt en komen dan 's avonds, zwaaiend met hun wapens, de opbrengst incasseren. Aangifte wordt zelden gedaan; de boeren wordt zoveel angst aangejaagd dat ze de politie er liever buiten laten, anders tekenen ze hun eigen doodvonnis.

Mannenhanden zijn goed om het boerenwerk te doen, maar als er een volgende stap moet worden gezet in de richting van de sigaar, dan zijn ze niet langer geschikt: te grof, te ongeduldig, te onvoorzichtig. En mannen drinken gewoon te veel. Daarom werken in de 'fabriek' van de Zwitserse firma Dannemann, in het naburige Cruz das Almas, bijna alleen maar vrouwen. Hier worden de gedroogde tabaksbladeren, voor 6,5 real (2,5 euro) per kilo geleverd door boeren als Santos en Barros, geselecteerd op kwaliteit en grootte, waarna ze in balen worden gestapeld. Die vormen enorme bouwwerken, een soort hooibergen. Daarin vindt, bij een vochtigheidsgraad van zestig procent, de fermentatie plaats. Een raadselachtig proces, waar je brillenglazen ernstig van beslaan.

Monica Conceição (30) zit aan het begin van een lange rij tafels, waarboven een even lange rij van tl-lampen hangt - ze inspecteert de bladeren op beschadigingen en rangschikt ze op grootte en dat doet ze al sinds 2009. Ze beheerste deze kunst al eerder, in 2006 al, toen ze pas twee jaar in de fabriek werkte, maar toch moest ze nog drie jaar wachten voor dit werk aan haar werd toevertrouwd. Omdat het zo nauw steekt. Mannen kunnen het niet, dat beaamt ze meteen. "Laat die het zware werk maar doen."

Conceição, alleenstaande moeder van twee kinderen, een dochter van 14 en een zoon van 11, prijst zich gelukkig met haar baan. Het scheelde niets of ze was die kwijtgeraakt: twee jaar geleden verloren 350 van de 500 vrouwen hier hun baan. Dannemann verplaatste een groot deel van het productieproces naar Indonesië, omdat de lonen daar lager liggen. Globalisering, niets aan te doen.

Conceição verdient, net als de andere arbeiders van Dannemann, het Braziliaanse wettelijk minimumloon: 687 real per maand, 264 euro. Als ze zuinig is en geen schulden maakt, is het net genoeg om met haar kinderen van te leven, zegt ze. Het afgelopen jaar zat het mee: ze kon het hele jaar bij Dannemann werken, terwijl het normaal gesproken gaat om seizoensarbeid van zes tot zeven maanden. Dan moet ze zien als huismeisje haar geld te verdienen, maar hoeveel huismeisjes kan Cruz das Almas gebruiken? Ze weet wat er geworden is van de collega's die ontslagen zijn. De meesten hebben geen nieuw werk gevonden. "Als ze hier morgen dertig nieuwe mensen nodig hebben, staat er direct een rij van driehonderd gegadigden voor de deur."

Lijden
Een sigaar is van alles - dekblad, omblad, binnengoed. Wat de boeren van Mil Peixes planten en de vrouwen van Cruz das Almas verwerken, is omblad en binnengoed. Belangrijk, maar niets in vergelijking met het dekblad: dit blad, de huid van de sigaar, is in zijn eentje verantwoordelijk voor zestig procent van de smaak. En het krijgt de beste smaak door te lijden. Door te moeten vechten voor zijn leven. "Een kind dat in zijn jeugd het nodige heeft moeten overwinnen, is sterker als volwassene," zegt Hans Leusen (76). "Zo is het met tabak ook."

Leusen is het gezicht van Dannemann-Brazilië; vanaf 1981 had hij de leiding over het bedrijf. Tegenwoordig doet hij het iets rustiger aan, maar hij voert nog steeds de titel 'president' en die past hem goed: lange Europeaan met een doordringende blik, sigaar in de mond of bij de hand, en een vanzelfsprekend aureool van autoriteit. Altijd de baas geweest. In 2001 kocht hij een stuk land aan, dat inmiddels is uitgebreid tot een kleine 1000 hectare, de fazenda Santo Ant¿nio. Hier verbouwt Dannemann zijn eigen tabaksplanten, alleen voor de dekbladen: de Bahia-Sumatra. Planten de boeren hun tabak in de winter, Dannemann doet het in de zomer - dan hebben de planten het extra moeilijk, en dat is precies de bedoeling. Het is dat er een irrigatiesysteem is - individuele boeren kunnen zich zo'n dure voorziening niet veroorloven - anders zouden de planten het niet redden.

Het kan geen toeval zijn, trouwens, dat de fazenda, die eerder eigendom was van een hoogleraar landbouwkunde, Santo Ant¿nio heet. Santo Ant¿nio is Leusens beschermheilige, al sinds zijn jeugd in Venlo. Nadat hij in 1962 naar Brazilië was vertrokken om in de zuidelijke staat Paraná een stuk oerwoud te ontginnen voor een rijke Duitser uit São Paulo, raakte hij eens verdwaald. "Zes uur lang zwierf ik rond, en ik had een dorst, zó pijnlijk, dat kun je je niet voorstellen. Het werd donker en ik vreesde al de nacht in een boom door te moeten brengen, vanwege de wilde dieren, toen ik mij tot Santo Ant¿nio richtte. 'Heilige Antonio, beste vrind, help dat ik de weg terugvind.' Vijf minuten later stuitte ik op een omgehakte boom - vanaf dat punt was het eenvoudig: door van de ene omgehakte boom naar de andere te gaan, kwam ik terug in de bewoonde wereld. De dorpelingen onthaalden me met een processie en plaatsten een beeld van Santo Ant¿nio bij mijn hut. Toen ik later naar Salvador verhuisde, en daar honorair consul werd voor Nederland, betrok ik een pand in de wijk... Santo Ant¿nio. En vervolgens de fazenda. Ik heb veel aan mijn heilige te danken."

Rondom de fazenda laat Dannemann bomen planten, zowel om te voldoen aan de verplichting van twintig procent herbebossing die de Braziliaanse overheid landbouwbedrijven oplegt ("Houdt verder niemand zich aan," zegt Leusen), als om de natuur bij Santo Ant¿nio in evenwicht te brengen. Dat komt ook het grondwaterpeil ten goede, wat weer gunstig is voor de tabak. Eigenlijk praat Leusen met meer liefde over zijn bomen dan over zijn sigaren. Hij heeft een eigen stichting opgericht, Amei geheten, die op particuliere basis bomen plant. Waar hij geld kan vinden, haalt hij het: de Duitse deelstaat Thüringen steunt het project bijvoorbeeld, net als de Amsterdam Arena en de Nederlandse ambassade in Brazilië. Ook de Trouw-verslaggever krijgt de opdracht twee bomen te planten, een Tamarindho en een Ipê Amarelo. Een bescheiden bijdrage aan het herstel van de Mata Antlântica, het tropische woud dat zich ooit uitstrekte langs de hele kust van Brazilië en naar schatting 1 tot 1,5 miljoen vierkante kilometer besloeg. Er is dankzij menselijk ingrijpen nog 4000 vierkante kilometer van over.

Woestijn
Die kaalslag is nog steeds gaande, zegt Oswaldo Olimpio de Ameida (71), een bevriende veeboer die Leusen helpt bij de boomplant. "Er wordt gewoon te veel gekapt. Misschien zal de huidige droogte de mensen laten inzien wat de consequenties zijn van hun handelen. In hun honger naar land, hebben ze waterbronnen en meertjes drooggelegd en bomen - die het water vasthouden - weggehaald. Nu zien we de gevolgen. Zo is de bijna de hele Mata Atlântica al verdwenen en ik zeg je: ook de Amazone kan een woestijn worden. Dat duurt misschien een eeuw of drie, maar het kan."

Zelf blijft De Ameida wel in de Rec¿ncavo, hij heeft de leeftijd om vanuit zijn huis over de velden te kijken en nooit meer weg te gaan. Maar om hem heen ziet hij de mensen vertrekken omdat hun land niets meer waard is. Ook zijn eigen kinderen wonen hier niet meer. Zijn zoon zit in de olie-industrie en werkt in Mexico - globalisering, maar dan met positief resultaat. Zijn twee dochters vertrokken naar Salvador. Eén van hen is overleden aan kanker, zij was architecte. De ander is advocaat. Ja, dat is vooruitgang. Maar niet voor dit gebied.

Voor Hans Leusen is de boomplant bijna een vorm van boetedoening. Hij wil ter verontschuldiging wel aanvoeren dat de ontginning die hij in de jaren zestig ter hand nam, geheel paste in de tijd, dat het ging om een opdracht van de regering. Maar hij heeft er geen bezwaar tegen een spijtoptant te worden genoemd. "Ik ging gewoon aan de gang. Hout kappen. 500 hectare oerwoud ging eraan. Als ik er nog aan denk, die prachtige bomen... Doodzonde was het. Maar ik geloof dat ik intussen mijn schuld aan de natuur wel heb afbetaald."

Als dit dan toch op een biecht begint te lijken, hoe denkt Leusen over het product waar hij het grootste deel van zijn leven aan heeft gewijd? 'Fumaça tóxica', staat in het Portugees op een doosje sigaren van Dannemann. "Ach," zegt hij, "je moet een sigaar vergelijken met chocolade. Een luxeproduct. Als je wilt roken, neem dan liever een sigaar dan een sigaret, dat is minder schadelijk. Zelf vind ik het gewoon lekker. Ongezond? Je moet toch ergens aan dood gaan."

Hij bedoelt dat niet onverschillig, maar relativerend. "Als ik morgen te horen krijg dat het voor mij over is, vind ik dat niet erg." Sinds zijn vrouw Emilie, een Braziliaanse, twintig jaar geleden overleed, is hij het leven een beetje anders gaan zien. "Ik ben gaan zoeken naar een bestemming en die heb ik gevonden in mijn werk voor de natuur en voor de verschoppelingen in dit land - mijn stichting doet ook sociale projecten, voor bejaarden in Salvador, voor Indianen in de Amazone. Had ik dat niet gedaan, dan was ik rijk geweest. Maar wat is rijk?"

Op Santo Antonio loopt het productieseizoen van augustus tot maart, met een piek tussen oktober en januari; dan werken er wel zeshonderd arbeiders. Na januari neemt dat aantal gestaag af. Er wordt nog wel geoogst - in totaal gebeurt dat acht keer per jaar - maar steeds minder. 's Ochtends, als de bladeren nog fris en stevig zijn van de nacht, gaan de vrouwen - want weer zijn het alleen maar vrouwen - door de rijen manshoge tabaksplanten en plukken ze de onderste twee bladeren. Alles wat hoger zit is niet geschikt: te dik, te hard.

Als ze de bladeren vervolgens in de droogschuren hebben gehangen, dan kan hier, net als in Cruz das Almas, het fermentatieproces beginnen. En ook hier zit het werk voor de meeste arbeidsters er na zes, zeven maanden op. "Thuis heb ik een stukje land met maniok, bonen, mais en cashew", vertelt Marina Santana de Souza (40). "Dat zorgt voor wat extra inkomen." Ze werkt hier al elf jaar, waarvan de eerste tien jaar in loondienst. Pas sinds vorig jaar is het beperkt tot het oogstseizoen. De Souza vindt het werk op de fazenda - negen uur per dag - niet zwaar, maar intussen droomt ze wel eens van iets anders. Vorig jaar heeft ze, gestimuleerd door een overheidsproject, alsnog de middelbare school afgerond. Misschien helpt het diploma om nog eens een andere baan te vinden, in een winkel bijvoorbeeld, of bij de overheid. Voor haar kinderen - 23, 17 en 16 jaar - is een dergelijk bestaan al een vanzelfsprekendheid; de oudste is al vertrokken naar de stad Vitorio, de anderen zullen wel volgen. "Op het platteland willen ze niet blijven."

Optimisme
Ze zeggen het allemaal: onze kinderen krijgen het beter. Het is het optimisme van ouders die weten dat de toekomst alleen maar beter kan zijn dan het heden, terwijl het heden al beter is dan het verleden. Maria dos Dores de Jesus dos Santos (30) heeft twee dochters, 14 en 12 jaar oud. De een wil lerares worden, de ander arts. En dat gaan ze ook bereiken, denkt hun moeder. "Als ze het echt willen, zal het hen zeker lukken." Zelf werkte ze als huismeisje, voordat ze op de fazenda terecht kwam. Haar man is stukadoor en werkt zeventig kilometer verderop, hij komt alleen de weekeinden thuis. Het valt niet mee om het huishouden alleen te doen, zegt ze, en ze lacht erbij alsof dat iets vrolijks is. Thuis moet ze voor de kinderen zorgen en ook nog het eigen land bewerken, want daar eten ze van. Maar ze klaagt niet. "Het leven is de laatste jaren enorm vooruitgegaan."

Het is niet anders, ook de dekbladen van Santo Ant¿nio gaan, eenmaal gefermenteerd , naar Indonesië, dat overigens slechts een tussenstation is: de sigaren worden uiteindelijk pas in Europa afgemaakt. Slechts op één lokatie in Brazilië, in São Felix, waar Geraldo Dannemann aan het einde van de negentiende eeuw zijn sigarenfabriek begon, bereikt de tabak uit Bahia het eindstadium van sigaar. In het oude gebouw aan de oever van de Paraguaçu rollen ongeveer twintig vrouwen, in traditionele kledij gestoken, dagelijks verse sigaren. De dames hebben allemaal een fulltimebaan, tegen hetzelfde minimumloon als hun collega's in Cruz das Almas en Santo Ant¿nio. Ze zien er prachtig uit, gemaakt om te fotograferen en te filmen. Geen wonder dat Michael Palin hier langs kwam voor zijn recente BBC-reisprogramma over Brazilië. Hij wilde weten of de vrouwen de sigaren nog altijd op hun dijen rolden, zoals de overlevering luidt. Het antwoord was neen.

Deze werkplaats is tegelijkertijd showroom, bedoeld voor binnen- en buitenlandse bezoekers. Angela Maria Santos (42) werkt er al vijftien jaar. Veel tijd om te praten heeft ze niet, ze moet haar aandacht bij de sigaar-in-wording houden. Heeft ze ooit het product geprobeerd dat ze hier dag-in-dag-uit maakt?

"Jazeker," zegt ze. "Eén keer."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden