Een belhamel met brains

Hij maakte van het nietige Elsevier een internationaal concern met een beurswaarde van tientallen miljarden. Maar Pierre Vinken was veel meer dan een captain of industry. Paul Frentrop schreef een vuistdikke biografie van deze bijzondere man.

Paul Frentrop: Tegen het idealisme – een biografie van Pierre Vinken. Prometheus, Amsterdam. ISBN 9789044611081; 1032 blz. euro 49,95

Pierre Vinken was neurochirurg, oprichter en redacteur van het 77-delige standaardwerk ’Handbook of Clinical Neurology’, hoogleraar in de medische informatica, medeoprichter van het literaire tijdschrift Tirade, auteur van tientallen wetenschappelijke studies, schrijver van het boek ’The Shape of the Heart’ en oprichter van het Republikeins Genootschap. Onder andere. Vladimir Nabokov schreef ooit met lichtvoetige ironie in zijn roman ’Een lach in het donker’: „Hoewel een grafzerk ruimschoots groot genoeg is om, ingebonden in mos, de verkorte versie van een mensenleven te bevatten, zijn details altijd welkom.” Dat mag zeker gelden voor het leven van Vinken. En biograaf Paul Frentrop gebruikt ruim duizend pagina’s om deze details op een rij te zetten.

Frentrop leerde Vinken kennen toen hij als financieel journalist in de jaren tachtig van de vorige eeuw het Nederlandse bedrijfsleven volgde. Destijds haalde Vinken veelvuldig de krant. Vooral toen het grote Elsevier de veel kleinere uitgeverij Kluwer wilde overnemen, en in de overnamewens moest concurreren met Wolters Samson. De kranten presenteerden deze overnamestrijd als een soort vuile oorlog, waarbij de sympathie uitging naar de kleine David, in diens gevecht met Goliath Elsevier.

Het voeden van dit volksgevoel tegen Elsevier en de ’klinische’ en ’koele’ Vinken was onderdeel van een listige pr-strategie van Kluwer. Uit de biografie blijkt dat Vinken, vlak voor de sluitingstermijn, van een bevriende commissionair een groot pakket aandelen kreeg aangeboden, op voorwaarde dat hij één gulden meer per aandeel zou betalen dan de officiële biedprijs van Elsevier. „Mag dat?”, vroeg Vinken aan zijn advocaat. Het antwoordt luidde: „Nee”. Vinken mocht van dezelfde advocaat het verschil ook niet bijpassen uit eigen zak. „Tegen de wettelijke regels.”

Zo kreeg Elsevier net geen vijftig procent van de aandelen Kluwer in handen. Omdat Vinken zich aan de wet hield, concludeert Frentrop, en de concurrent (Wolters Samson) niet! Maanden later constateerde een Ser-fusiecommissie ook dat de besturen van Kluwer én Wolters Samson de fusieregels ernstig hadden geschonden.

In dit soort reconstructies is Frentrop ijzersterk. Zelf is hij inmiddels gepromoveerd op een proefschrift over de geschiedenis van het ondernemingsbestuur, en dus ter zake kundig. Bovendien zit deze reconstructie vol met smeuïge nieuwtjes, zoals brieven van Kluwer-bestuurders vol seksuele toespelingen. En er zijn meer onthutsende doorkijkjes in de cultuur van topbestuurders. In die wereld is integriteit een gewild woord geworden, en de Code Tabaksblat een bekend begrip. Dat maakt de beschuldiging van Vinken juist tegen deze Morris Tabaksblat pikant. Volgens Vinken verkwanselde Tabaksblat het bedrijf Reed Elsevier in ruil voor een commissariaat. Allemaal geschiedenis, denkt men wellicht. Dat kan, maar het beursgerucht gaat dat Reed Elsevier en Wolters Kluwer nu denken aan een fusie.

Na zijn pensioen publiceerde Vinken het boek ’The Shape of the Heart’, een fascinerende studie op het terrein van de kunstgeschiedenis. Hij stelde zichzelf een vraag die de mensheid al zeven eeuwen lang had kunnen stellen, maar die niemand stelde, met uitzondering van iconoloog Panofsky: „Waar komt het symbool van het hart, het Valentijnshart, vandaan terwijl al 2500 jaar bekend is dat het hart een andere vorm heeft?”

Het bekende symbool van het hart als schelp met een inkeping ontstond, zo ontdekte Vinken, kort na 1300 in Bologna. In de Renaissance kwam het beeld van het hart als schelp, althans in de anatomie, in de verdrukking. Maar voor de buitenwereld was het toen al te laat: het schelphart ging een eigen leven leiden in het openbare leven, in afbeeldingen en in kunstuitingen. Uiteindelijk ontwikkelde het zich zelfs tot het meest universele icoon ter wereld. De vasthoudendheid waarmee Vinken die probleem uitzocht, is kenmerkend. Wat ook niet mag verbazen: als hij merkt dat de eerste druk van het boek kleine slordigheden bevat, laat hij meteen een nieuwe oplage drukken, en gaat hij persoonlijk ’op jacht’ naar mensen die het boek hebben, om de exemplaren om te ruilen.

Frentrop geeft het rijke leven van Vinken alle ruimte. Of het nou opgravingen in Zeeland betreft, dan wel de perikelen rond het tijdschrift Tirade of de oprichting van ’Excerpta Medica’ (een medische databank). Maar is het een echte biografie? Nee. Want Frentrop wroet niet echt in het verleden van Vinken, en hoort zijn tegenstanders ook niet. Toch blijft het een fascinerende, en zeer goed geschreven levensbeschrijving. Vooral door het opmerkelijk aantal activiteiten die Vinken ondernam, en zijn visie op besturen, wetenschap en kunst.

Absoluut nieuw is de inzage in zijn liefdesleven waarbij soms de zachte maar scherpe stem van Vinken bijna hoorbaar door klinkt, bijvoorbeeld over Sylvia Thóth: „Ja, met haar ben ik inderdaad in 1995 nog even getrouwd geweest, maar dat was toch anders – meer een administratief incident.” Hilarisch zijn de tekeningen van Peter van Straaten waarin deze Vinken afbeeldt als een lelijk oud ventje met een dikke buik. Dit uit wraak omdat Vinken Annemarie Oster als minnares ontfutselde aan de tekenaar.

Vinken had de reputatie van de grote onbekende. Bij zijn vertrek bij Reed Elsevier in 1995 stemde hij erin toe – „min of meer voor het eerst en vrijwel zeker voor het laatst’”– mee te werken aan een biografische schets. Dat boekje kregen medewerkers als ’kennismaking met de man die nu vertrekt’. Frentrop sprak jarenlang, tijdens meer dan tweehonderd gezamenlijke diners, met Vinken en mocht diens meterslange archief ongehinderd raadplegen.

Hoe non-conformistisch Vinken is, blijkt uit zijn vriendenkring en vooral uit de – wat heet – ’Bende van Vijf’. Behalve Vinken zijn/waren dat Martin van Amerongen, Theo van Gogh, Theodor Holman en Max Pam. Welke captain of industry kan bogen op een dergelijk illuster vriendengezelschap? Het typeert Vinken: een belhamel met brains.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden