Review

Een bedreigde dialoog?Vragen over toekomst Katholieke Raad voor Israel

Dr. Ton H. M. van Schaik: Vertrouwde Vreemden, betrekkingen tussen katholieken en joden in Nederland 1930-1990; Ten Have, 173 blz. - f 39,50.

In het kader van de viering van het veertigjarig bestaan van de Katholieke Raad voor Israel (KRI) gebruikten op die dag in het joods historisch museum vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap in ons land de lunch met kardinaal Simonis, de bisschoppen Ernst en Bomers, en met hulpbisschop Lescrauwaet.

Het was de eerste maal dat prominente joodse en katholieke religieuze gezagsdragers in ons land op informele wijze met elkaar verkeerden. Hoe ver beide werelden nog steeds van elkaar afstaan bleek uit de verwondering waarmee aan katholieke kant de kosjere eetgewoonten van sommige joodse partners werden gadegeslagen.

Veel te wensen

Ofschoon binnen het r.-k. milieu begrip voor het jodendom nog veel te wensen overlaat - het is nog maar drie jaar geleden dat bisschop Bomers in een gesprek met het Nieuw Israelitisch Weekblad christelijke zending een zegen voor de joden noemde - lijkt de tijd voorbij dat een kerkprovinciale synode, als die van het aartsbisdom Utrecht in 1924, katholieken verbiedt een joodse werkgever te hebben, omdat dit een ongewenste vorm van afhankelijkheid zou scheppen.

Het voorbeeld komt uit het boek Vertrouwde Vreemden van de kerkhistoricus Ton van Schaik waarin hij de verschuivingen in katholiek Nederland schetst, van bovenvermeld vulgair antisemitisme tot groeiende interesse voor het joodse erfgoed. Van Schaik schreef zijn studie over de 'betrekkingen tussen katholieken en joden in Nederland 19301990' op verzoek van de jubilerende KRI. Het is kenmerkend dat het zo lang heeft moeten duren voordat aan dit belangrijke onderwerp een serieuze studie werd gewijd.

Het resultaat dat nu voorligt, en dat voor een flink deel is gebaseerd op het (verbrokkeld) KRI-archief, is leerzaam, interessant en goed geschreven. Alle grote kwesties komen aan bod: het principiele 'nee' van het vaderlandse episcopaat tegen de jodenvervolging, de oprichting van de KRI (27 juni '51), het Pastoraal concilie (1966-1970) en het jodendom, het bezoek van Johannes Paulus II aan ons land (1985) en het bij die gelegenheid wegblijven van de joodse leiders. Ook de internationale context - Pius XII en de holocaust, de concilieverklaring Nostra Aetate (1965) waarmee een einde kwam aan de anti-joodse substitutieleer, het bouwen (1984) van een nonnenklooster in Auschwitz - krijgt een plaats.

Toch heeft de studie ook iets onbevredigends. Omdat ze zich tot de hoofdlijnen beperkt, smaakt bijna elke pagina naar meer. En dat irriteert. Met name de laatste twintig jaar worden wel erg fragmentarisch behandeld, waardoor dit hoofdstuk meer het karakter krijgt van een opsomming dan van weloverwogen historische analyse. Wat niet wegneemt dat Van Schaik loffelijk pionierswerk heeft verricht waarmee de KRI en latere historici zich gelukkig mogen prijzen.

Het boek biedt ook interessante profielen. Allereerst van mgr. Toon Ramselaar, oprichter en eerste voorzitter (tot 1972) van de KRI. Deze verfijnde, autoritaire, wat ijdele president van het Apeldoorns klein-seminarie, droeg als geen ander binnen de katholieke geloofsgemeenschap van Nederland bij tot begrip voor en tot contacten met het jodendom, nationaal en internationaal. Ramselaar zag al snel dat het oecumenisch reveil van na de oorlog alleen levensvatbaar was als het gekoppeld werd aan hernieuwde aandacht en begrip voor het jodendom en zijn denken.

Hoe moeizaam dat lange tijd ging blijkt onder andere uit de opvallende terughoudendheid waarmee het, voor het overige zo daadkrachtige, Pastoraal concilie het vraagstuk van de contacten met het jodendom behandelde. Sommigen vonden dat het rapport van een daartoe ingestelde commissie (bijna allemaal KRI-leden) te zeer uit was op 'rehabilitatie van de joden in ons christelijk denken.' Elke theologie over het volk Israel, vond een conciliedeelnemer (de latere kardinaal Simonis), is discutabel "omdat dit volk een teken van tegenspraak vormt" .

Opmerkelijk is ook het uiteenlopende ontwikkelingsproces van twee mannen die beiden kardinaal en aartsbisschop van Utrecht zouden worden: Willebrands en Alfrink. Alle twee waren ze aanwezig op de eerste verkennende bijeenkomst (21 februari 1951) die zou leiden tot het oprichten van de KRI. Bij die gelegenheid, zo lezen we bij Van Schaik, stonden ze even gereserveerd tegenover het jodendom. Willebrands bleek voorstander van jodenzending en Alfrink hanteerde een theologische visie waarin geen plaats was voor het eigentijdse jodendom en voor de staat Israel.

Maar terwijl Willebrands zich in de jaren die volgden steeds meer ontwikkelde tot pleitbezorger van een echte dialoog met het jodendom en besefte dat joods-zijn en joods-leven in Israel een onverbrekelijke eenheid vormen, bleef Alfrink heel wat gereserveerder. Zijn houding in de affaire Anneke Beekman, waar katholieke 'pleegouders' weigerden een bij hen ondergedoken meisje na de oorlog terug te geven aan haar orthodox-joodse familie, is daarvan een voorbeeld. Zijn afstandelijke opstelling tegenover de KRI een tweede. Bij dat laatste zal ook een rol gespeeld hebben dat Alfrink voorzitter was van Pax Christi Nederland dat grote moeite had met het bestaansrecht van de joodse staat.

De aanwezigheid op het KRI-symposium van Jan ter Laak, de huidige secretaris van deze rooms-katholieke vredesbeweging, markeert de koerswijziging die ze ten aanzien van Israel heeft doorgemaakt.

Wat de Katholieke Raad betreft, die heeft zich binnen de katholieke geloofsgemeenschap ontwikkeld tot invloedrijk adviesorgaan, pressiegroep en centrum van voorlichting inzake het jodendom. Naast theologische zaken schroomt de KRI niet ook politieke vraagstukken aan de orde te stellen, zoals de formele erkenning van de staat Israel door het Vaticaan.

Met name op het terrein van de feitelijke en theologische voorlichting is er voor de raad nog heel wat te doen. Ook voor Nederland geldt de opmerking van Gerhart Riegner, oud-secretaris-generaal van het Joodse Wereldcongres, dat "de nieuwe katholieke theologie over de joden en het jodendom...nog geen onderdeel is geworden van onze gemeenschappelijke cultuur" (rede op het KRI-symposium). Veelzeggend in dit verband was de botte tegenwerking in het bisdom Roermond bij de voorbereiding van het recente KRI-jubileum.

Vandaar dat de signalering die Ton van Schaik aan het slot van zijn boek doet, alle opmerkzaamheid verdient: "Op beleidsniveau lijkt de KRI op korte termijn het veld te moeten gaan delen met een Bisschoppelijke commissie terzake." De precieze reden voor het in het leven roepen ervan is de auteur nog onduidelijk. Die onduidelijkheid geldt ook voor de toekomstige relatie van de r.-k. kerkprovincie met het Ojec, het overlegorgaan tussen joden en christenen dat zich tot nu toe niet bepaald in een overweldigende interesse van de kant van de bisschoppen mag verheugen.

Gleichschaltung

Maar de gang van zaken rond de Willibrord Vereniging (onder wier hoede de KRI al die jaren opereert), na het instellen van een soortgelijke Bisschoppelijke commissie voor de oecumene, laat zien hoe het proces van institutionele Gleichschaltung dat momenteel binnen de kerkprovincie plaatsvindt, de krachtigste pressiegroep kan ontmannen.

Dat zou in het geval van de KRI extra bezwaarlijk zijn, gegeven het feit dat de meerderheid van het episcopaat er tot dusver weinig blijk van heeft gegeven veel inzicht te bezitten in de gevoelige relatie tussen katholieken en joden in Nederland.

Een gemuilkorfde of op een zijspoor gezette KRI zou een wrang einde betekenen van ruim veertig jaar succesvolle, want onafhankelijke pioniersarbeid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden