Een Beatle zien en dan sterven

Mijn jeugd ging voorbij zonder wonderbaarlijke prestaties en grote verwachtingen. In mij school geen groot tennistalent of een concertpianist in spe. Als ik het mij goed herinner heb ik mijn vader ooit tegen een vriend horen zeggen: "Het mooiste is natuurlijk als een van je zoons later het eerste van Ajax haalt, maar dat zit er niet in. Mijn kinderen kunnen weer andere dingen goed. Zo heeft Stijn het vermogen om te bewonderen."

Dat is waar: ik kan goed bewonderen.

Als mijn vriend Dorus en ik in de buurt rolschaatsten was hij Kees Verkerk en ik Ard Schenk. Maar ik identificeerde mij net iets meer met mijn schaatsheld dan hij. Heldenvering is je overgeven aan een hogere macht. Dat vereist een zeker talent, net als het geloof in de Ene Ware God. Dat talent bezit ik nou eenmaal.

Mijn eerste held was Rembrandt. Als jongen van zeven stond ik voor 'De Nachtwacht'. Het was het grootste schilderij dat ik ooit gezien had. En meteen ook het mooiste. Vanaf dat moment wilde ik alles over Rembrandt weten. Ik las alle boeken die ik over hem kon vinden in de bibliotheek van het dorp waar ik opgroeide. In mijn kamer creëerde ik mijn eigen Rijksmuseum door de wanden vol te hangen met reproducties van zijn werk. Met mijn vader bezocht ik alle schilderijen die er van hem in Nederland te vinden waren. Tegenwoordig ken ik de nukken van Rembrandt maar al te goed en vind ik Vermeer een betere schilder. Sorry, Rembrandt.

Later volgden Simon Vestdijk - ik las in één zomervakantie twintig van zijn romans -, de Italiaanse bergbeklimmer Reinhold Messner en Monty Python. In het bijzonder John Cleese. Heldenverering vernauwt de blik. Simon Vestdijk is niet alleen de beste schrijver, maar ook de enige. Helden worden de maatstaf der dingen. Een geestiger komiek dan John Cleese is er niet. Voor anderen is geen plaats in mijn hoofd. Ook Cleese vrat ik op. Ik kende alle afleveringen van 'Fawlty Towers' uit mijn hoofd en zag uren interviews met hem. Maar de romantiek van een held verdwijnt zodra je te dichtbij komt. Laatst zag ik Cleese in een reclamespot. Ik weet niets eens meer waarvoor. Een oude man met een snor die ergens onderweg zijn gevoel voor humor had verloren. Weer een god van mijn Olympus gevallen.

Maar een van mijn idolen houdt al zesendertig jaar stand: Paul McCartney. Hij is dan ook wel de belangrijkste. Als jongen van elf vond ik tussen de platen van mijn ouders het album Revolver van de Beatles. Ik was meteen verkocht: een blikseminslag. Paul werd mijn favoriete Beatle en en liefde voor het leven. Ik stond dagen voor zijn kantoor in Londen, op zoek naar een glimp van mijn held. Meerdere keren ging ik op bedevaart naar Liverpool. Mijn kamer werd een huisaltaar voor McCartney. Zijn muziek - samen met dat andere nog verhevener geloof - maakt het leven voor mij draaglijk.

Elk nummer lijkt voor mij geschreven. Troost, verlossing; noem maar op. Hij geeft het me allemaal.

Ik las alle evangeliën die over hem gaan en ken zijn leven van wieg tot oude dag. Ga hem nou eens interviewen, zeggen mijn vrienden al jaren. Ik heb het altijd afgehouden. Mijn kerkhof van helden is vol genoeg.

Tot het moment dat hij eind augustus van dit jaar een nieuw album aankondigde: 'New' heet het. Toepasselijk voor een man die muziek ziet als een middel om eeuwig jong te blijven. In een Italiaanse krant las ik een interview met hem en dacht: dat kan ik beter. Voor ik het wist draaide ik het nummer van de platenmaatschappij. Twee keer moest ik de naam van McCartney noemen, voordat de telefoniste wist over wie ik het had. Ze verbond me door naar de persafdeling. Daar wisten ze nog niet of een interview erin zat, maar ik zou worden teruggebeld.

Meteen nadat ik het gesprek had beëindigd, raakte ik in paniek. Wat had ik gedaan? Ik wilde hem helemaal niet interviewen. Dat kleine beetje afstand dat nog tussen ons in stond was net groot genoeg om de verering in stand te houden. En wat moest ik hem vragen? Ik ken zijn leven beter dan hijzelf.

Ook moest ik denken aan het interview dat Boudewijn Büch ooit maakte met Mick Jagger. Ik herinner me het tv-verslag nog goed. Büch adoreerde Jagger - bij hem vergeleken was ik een amateur - en durfde aanvankelijk nauwelijks de kamer binnen te gaan waar zijn held op hem wachtte. Hij deed het toch. Wat volgde was een genante vertoning. In afschuwelijk slecht Engels wierp Büch zich voor de voeten van zijn meester terwijl de Rolling Stone geamuseerd vanaf zijn berg toekeek. Waarom had Jagger zijn brieven nooit beantwoord? 'Welke brieven?', zei Jagger. 'We kregen er duizenden'. Dat nooit, dacht ik.

Aan de andere kant: ik zag New York en de Himalaya, zorgde voor nageslacht en gaf de paus een hand. Een ontmoeting met McCartney zou mijn leven helemaal compleet maken. Een Beatle zien en sterven. Kan het mooier?

Ik wist het niet meer.

Drie weken wacht ik nu al op telefoon van de platenmaatschappij. Ze bellen vast niet meer. Gelukkig maar. En als ze wel bellen en ze een afspraak voor me geregeld hebben dan zal je zien dat ik net ziek ben of een begrafenis heb. Dat zou verschrikkelijk zijn. Toch? Of niet?

Reageren?

Koestert u de handtekening van uw idool? Hangt uw zolder vol posters, platenhoezen en bezwete sjaaltjes? Of ergert u zich aan mensen die grenzeloos bewonderen? Schrijf ons in maximaal 150 woorden. tijdpost@trouw.nl

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden