Een ballet in zwart en wit

In samenspraak met Peter Henk Steenhuis gaf filosofe Mieke Boon in Trouw vier jaar lang onderricht in de filosofie van het kijken. Vandaag, bij de presentatie van hun boek, de laatste aflevering: anders kijken naar Picasso.

Een werk van Picasso, dat zie je onmiddellijk. Als laatste schilderij van deze serie bekijken we Musketier met zwaard uit 1972, uit het Museum Ludwig in Keulen. Picasso’s werk is ongekend populair, zijn meesterschap is onomstreden, maar liefhebbers weten zelden precies te verwoorden wat hen in dit werk nu zo aantrekt.

„Zelf heb ik lang weinig met Picasso’s werk aangekund”, zegt Mieke Boon. „Tot ik op een dag in een museum in Praag zo door een van z’n werken geraakt werd dat ik niet weg kon komen, alsof het schilderij aan me trok. Waarschijnlijk is dat de eerste keer geweest dat ik meer dan een uur naar een schilderij heb gekeken. Picasso’s werk is bijna altijd de moeite van het kijken waard. Dit vind ik lang niet bij alle moderne kunst.”

Je zegt: de moeite van het kijken waard. Waarom gebruik je niet het woord ’mooi’?

„In moderne kunst is mooi geen bruikbaar criterium meer. Maar het is lastig om dat criterium los te laten. Waarschijnlijk was dat ook de reden waarom ik met Picasso aanvankelijk weinig kon. Ik had alleen maar ’mooi’ tot mijn beschikking als criterium voor het waarderen van een kunstwerk.”

Deze musketier is niet mooi?

„Nee. Het werk is grof geschilderd want je ziet alle verfstreken, de kleuren zijn niet werkelijkheidsgetrouw en nog somber ook, en de musketier is ook niet bepaald geschilderd als een schone jongeman. En toch word ik dit werk van Picasso ingezogen.”

Als mooi geen criterium is, wat zorgt dan voor die aantrekkingskracht?

„Bij moderne kunst is dat lastig te bepalen. Voor de beoordeling van kunst tot ongeveer 1850 had je nog een aantal heldere criteria. Kunst moest de wereld representeren. Of het nu portretten waren, stillevens of landschappen: schilderijen dienden hun onderwerp waarheidsgetrouw weer te geven. Overtuigde het werk daar niet in, dan was het oordeel al gauw geveld. Na 1850 werd het waarheidsgetrouw afbeelden van wat je direct kon zien minder belangrijk, onder meer door de opkomst van de fotografie.”

„Dit gezicht is niet werkelijkheidsgetrouw. Het oog aan de linkerkant staat los van het gezicht, de man heeft geen hoofd onder de hoed, er zit een gat in z’n wang aan de rechterkant en je ziet de neus van twee kanten tegelijkertijd. Volgens gewone criteria klopt hier niets van.”

„Met andere ogen naar zulke kunst leren kijken, betekent dat je nieuwe criteria ontwikkelt om schilderijen te beoordelen. Bruikbare criteria voor moderne kunst zijn: compositie, fantasie, aandacht en expressie. Die kun je op dit schilderij toepassen. Maar laten we proberen eerst feitelijk te kijken: wat zie jij?”

Een treurige, oude man met verschrikte ogen. Geen prototype musketier. Er staat bij dat het een zelfportret van de schilder als musketier is.

„Je vindt het treurig en verschrikt, zei je. Waar zie je dat aan?”

Aan zijn wijdopen ogen en zijn mond.

„Probeer eens wat losser te kijken en die treurigheid en verschriktheid te laten voor wat ze zijn. Richt je focus op de vormen en de kleuren. Wat zie je dan?”

Dat is moeilijk te zeggen. Naar het hoofd met de hoed en de ogen kan ik lang blijven kijken. De zwierige hoed geeft een vrolijke en levenslustige draai aan het schilderij. De verschriktheid zit vooral in het uitpuilende rechteroog, zie ik nu, en de droevigheid in het linker, waar een grijze traan in het toch al grijzige oogwit lijkt te zitten. Het ene oog verschrikt, de hoed levenslustig, het andere oog droevig, de wang oud, de mond kwetsbaar.

„Dat is een mooie beschrijving van Picasso’s portret. Doordat je naar de delen bent gaan kijken, zie je de man niet meer als uit één stuk. Hij heeft niet één duidelijke gemoedstoestand, maar is tegelijk zwierig en verschrikt, levenslustig en droevig, oud en jong. En dat klopt toch ook eigenlijk voor echte mensen?”

Mensen zijn niet uit één stuk?

„Mensen zitten vol tegenstrijdigheden. Gewoonlijk zien we dat niet omdat we kijken vanuit vaste kaders, waardoor we in staat zijn ons snel een oordeel te vormen, ook over wat niet zichtbaar is.”

„Kijken we in ons dagelijks leven naar mensen, dan treden onmiddellijk standaardkaders in werking: man-vrouw, vader-moeder, kind-volwassen, oud-jong, mooi-lelijk, gaaf-beschadigd, aanzienlijk-onaanzienlijk. Zo werkt het ook bij het herkennen van karaktertrekken en gemoedsgesteldheden: eigenwijs-bescheiden, verdrietig-vrolijk.”

Zulke kaders staan ons in de weg?

„Ze zijn belangrijk, want zonder die gewone kaders zien we niks. Als we kijken, treden de kaders altijd in werking. Dankzij die kaders zien mensen veel dat in feite niet wordt afgebeeld. Ze zien er van alles ’in’. Schilders maken daar op allerlei manieren gebruik van. Gewone kaders functioneren ten eerste bij het bekijken van klassieke portretten, waarbij we van alles aan de karakters toeschrijven dat eigenlijk niet te zien is. Een tweede manier is iets schilderen dat in strijd is met de gewone kaders. Daardoor ervaren we bijvoorbeeld het samengaan van sereniteit en een melkmeid als verrassend. De expressieve kracht van Vermeers melkmeid komt daar gedeeltelijk uit voort; het is de schijnbare tegenstrijdigheid. Picasso speelt op een nog andere manier met die kaders.”

Hoe?

„Dat leg ik uit. Toen ik jou vroeg om te vertellen wat je ziet, traden de kaders in werking waarmee je mensen gewoonlijk beoordeelt. Je zag iemand die treurig en verschrikt is.”

En toen ik dat losliet, zag ik allerlei tegenstrijdigheden in dit karakter, die niet in de gewone kaders passen.

„Klopt. Maar vind je het niet vreemd dat je in eerste instantie in dit schilderij onmiddellijk een mens met een bepaalde gemoedstemming ziet?”

Waarom is dat vreemd?

„Omdat het schilderij niet werkelijkheidsgetrouw, maar juist vervormd en abstract is. Dit is geen gelijkend portret van een musketier. Maar wat jij doet in het kijken, is die abstractie opheffen door van alles in te gaan vullen. Dus zodra we iets herkennen dat op een mens lijkt, treden de gewone kaders al in werking.”

„Dat gebeurt ook bij het zien van een abstract schilderij van een mens: je probeert meteen een oordeel te vormen over wie of wat of hoe hij is. Daarmee negeer je de vraag waarom Picasso abstract schilderde en waarom die vervorming en abstractie deel is van de expressieve kracht. Had hij hetzelfde kunnen bereiken door een gelijkend portret van een droevige, oude, verschrikte musketier te schilderen?”

Als ik me zo’n gewoon portret voorstel, dan voegt Picasso’s abstracte manier van schilderen iets toe, maar ik kan niet zeggen wat.

„Dus die abstractie doet iets. Uit jouw manier van kijken leid ik één van de mogelijke interpretaties af, namelijk dat abstractie je aan het werk zet doordat je die zelf moet gaan invullen. Maar daarbij traden de vaste kaders in werking en ontgingen je een aantal dingen.”

„Een tweede interpretatie is dat abstractie helpt om de werking van die vaste kaders losser te maken.”

Hoe?

„In een abstract schilderij zijn mensen lichamelijk en psychologisch vervormd, waardoor je jezelf er minder makkelijk mee kunt identificeren. Dat geeft ruimte om ze anders te zien. Afrikaanse maskers zijn belangrijk voor Picasso geweest. Misschien dat die een sleutel vormen, want met die maskers is hetzelfde aan de hand: je herkent ze als een mens, maar je identificeert je er niet mee. Dat geeft ook aan de schilder ruimte om te experimenteren met het loslaten van vaste kaders.”

„Als je daar niet op bedacht bent bij het bekijken van abstracte werken, dan treden ze wel in werking maar functioneren ze niet goed, of belemmeren ze je kijken zelfs. Dat zorgt ervoor dat het meer moeite kost vat te krijgen op zo’n abstract werk.”

En hoe lukt het dan om anders te kijken?

„Laten we bezien wat er gebeurde in jouw ’anders kijken’ naar dit schilderij. Wat je deed, was het idee loslaten dat dit schilderij iets uit de wereld afbeeldt. Daardoor ging je het schilderij ervaren als iets op zichzelf. Het beeldt niet de wereld buiten ons af, en ook niet de wereld in onszelf. Het werk staat voor zichzelf en niet voor iets anders. Als je zo kijkt, verminder je de werking van de gewone kaders waardoor je ’anders’ gaat kijken.”

Bijvoorbeeld naar de compositie.

„Daarop kun je je inderdaad richten. Als je dat doet, zie je vrijwel meteen dat er een diagonaal loopt van linksboven, van net boven het grijzige vlak, naar rechtsonder. Kijk je beter dan zie je dat deze diagonaal een doorlopende golvende lijn is, die vanaf de donkere buitenrand van de hoed linksboven, langs de uitstekende wang, de baard, de witte lijn van de kraag en de donkere rand van de cape naar rechtsonder loopt. Linksonder begint een andere diagonaal, die langs de hand en langs de cape loopt, maar eindigt in het midden. En je ziet dat er een lijn loopt door het midden van het schilderij, van boven naar beneden, over de grijze rechte rand van de neus, de hoek van de mond, het midden van de kraag en daaronder de knopen en de verticale band.”

Behalve compositie noemde je aandacht ook een mogelijk criterium voor moderne kunst.

„Bij de zoektocht naar de juiste uitdrukkingsvorm is aandacht essentieel. Een schilder schildert gewoonlijk niet iets na, maar probeert iets van het onderwerp tot uitdrukking te brengen, iets wat er daarvoor nog niet was. Om dat te kunnen, moet hij tegelijkertijd aandachtig kunnen kijken naar wat hij ziet, en naar wat hij daarvan tot uitdrukking zou willen brengen. In die wisselwerking komt het schilderij tot stand.”

Dat klinkt abstract.

„Concreet: Picasso was al op jonge leeftijd in staat om met één lijn een onderwerp, bijvoorbeeld een stier, uit te beelden. Door zo te tekenen of te schilderen, laat hij veel weg en pakt hij een soort essentie.”

Wat pakt hij dan?

„Kracht, intensiteit, levenslust, tegenstrijdigheid en robuustheid – om maar iets te noemen.”

„Zijn trefzekerheid valt op als je de afzonderlijke delen van dit schilderij bekijkt. Neem de hoed. Als ik naar de zwarte en witte lijnen kijk, naar de contouren van de hoed, voel ik bijna de beweging, alsof het werk een ballet is. Het gemak waarmee hij die lijnen maakt, heeft niets van de achteloosheid waarmee kinderen schilderen. Zo’n lijn is niet willekeurig, hij is het resultaat van eindeloos veel oefening, zoals Japanse schilders hun leven lang oefenen om met één ononderbroken beweging een figuur neer te kunnen zetten.”

Is dat bij zijn haar ook zo?

„Het haar is anders geschilderd: niet in een snelle beweging, maar met een aantal identieke snelle golfjes. Ook daarin zit de beweging.”

„Moderne schilderijen zijn vaak opgebouwd uit delen die ook afzonderlijk de moeite van het bekijken waard zijn. In dit schilderij vormt dat haar zo’n onderdeel, en ook de hoed, en de baard, zijn uitstekende rechteroog en zijn linkeroog dat in een apart vlak lijkt te staan. In dat bijna vierkante vlak is ook weer een compositie te herkennen: de scheiding tussen zwart en wit is een diagonaal die van linksboven naar rechtsonder loopt. En kijk eens naar de mond, de ogen, de neus, de spaarzame toetsen blauw en roze.”

Als ik dat doe, zie ik eerder een oude man dan een musketier.

„Je ziet tegelijk een musketier en een oude man. Een musketier staat bekend als het toppunt van mannelijkheid en superioriteit, als iemand die met name gericht is op verovering en vrouwen. Zodra een musketier in beeld verschijnt, draait alles om strijd en lust en liefde. Bij de afbeelding van een musketier wordt het erotische karakter vaak tentoongespreid. Een musketier staat bekend om zijn vitaliteit en viriliteit. Maar de overheersende kleur grijs geeft deze musketier iets droevigs. Ook de ingevallen wangen zijn geen toonbeeld van kracht. Het spaarzame gebruik van roze bij de mond maakt de man kwetsbaar. Het is een oude man en daardoor juist helemaal geen strijder of versierder, eerder een kwetsbaar iemand. De tegenstrijdigheid van al die karaktertrekken houdt mijn aandacht vast.”

„Bovendien roept die tegenstrijdigheid vragen op die de fantasie prikkelen, nog zo’n criterium bij de beoordeling van moderne kunst. Is dit nog een toonbeeld van vitaliteit? Is het vergane glorie? Wat suggereert ouderdom, en wat kracht? Wat verval, lijden, kwetsbaarheid en wat stoerheid? Dit werk zet mij aan het denken over al deze termen.”

Dan ben je niet op zoek naar wat Picasso hier heeft bedoeld te schilderen.

„Nee. Picasso heeft deze musketier willen schilderen, verder niet. Dit beeld representeert niet, verwijst nergens naar: het beeld staat op zichzelf. Picasso vond nieuwe uitdrukkingsvormen door te abstraheren van de werkelijkheid, door tegenstrijdigheden in het karakter weer te geven en door lijnen, compositie en kleuren te hanteren die hem in staat stelden een schilderij te maken waar grote expressieve kracht in zit.”

Mieke Boon is filosofe aan de Universiteit Twente. Vandaag verschijnt bij uitgeverij Lemniscaat ’Filosofie van het kijken. Kunst in ander perspectief’, ISBN 978 90 477 0028 9, 256 blz., geb. euro 34,50.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden