Een armoedzaaier droomt van wraak

Het lijden en ploeteren van straatarme herders in een woeste en onherbergzame streek van Zuid- Italië, werd grandioos beschreven door Corrado Alvaro.

Corrado Alvaro: Verhalen uit Aspromonte. Vertaald uit het Italiaans door Jan van der Haar, Anthonie Kee, Els van der Pluijm. Serena Libri, Amsterdam ISBN 9789076270425; 230 blz.. euro 18,90

Vorig najaar verscheen een nieuwe vertaling van Giovanni Verga’s ’I Malavoglia’, een beroemd epos over een arme Siciliaanse vissersfamilie. Het ’verisme', waartoe deze objectief-realistische roman behoort, bloeide in de laatste decennia van de negentiende eeuw, maar de invloed ervan reikt tot ver in de twintigste. Een belangrijke roman is ’De onverschilligen’ (1929), waarmee Alberto Moravia een verbijsterend portret schetste van het leven achter de burgerlijke façade. Andere toonaangevende boeken vertellen over Italianen die ver van steden en moderniteit zijn blijven steken in een arm en archaïsch bestaan. Beroemd is ’Christus kwam niet verder dan Eboli’ (1945), Carlo Levi’s verslag van zijn ballingschap in het tussen Napels en Potenza gelegen dorpje Eboli. In deze traditie staan ook Corrado Alvaro's prachtige ’Verhalen uit Aspromonte’ (1930) over het leven in Calabrië, de regio in de punt van de Italiaanse laars. Bij Levi en Alvaro krijgt het realisme een magische, soms mythische dimensie.

Corrado Alvaro (1895-1956) werd zelf geboren in een klein stadje aan de rand van Aspromonte, wat letterlijk de woeste berg betekent.

Als schrijver werd hij beroemd met deze ’Verhalen uit Aspromonte’, die vol staan met verrassende, soms surreële situaties, ontmoetingen, en liefdes. Maar vooral dankt deze bundel zijn faam aan de grandioze ouverture, het openingsverhaal ’Mensen van Aspromonte’: dit lange verhaal, eigenlijk een korte roman, fungeert als achtergrond, als ruggengraat van de hele bundel. Het geeft een schitterende beschrijving van een verdwenen landschap en beschaving, van een primitieve feodale gemeenschap waar de tijd stil heeft gestaan, waar herders niets bezitten, waar het moeizame leven slechts bij momenten draaglijk is.

Op een noodlottige avond in het woeste gebergte storten vier ossen de afgrond in. Een onbeschrijflijke ramp voor de herder Argirò. Hij verkoopt het vlees van de dode dieren en gaat, samen met zijn zoontje Antonello, het geld bij de landheer Filippo aanbieden in de hoop op een sprankje mededogen. In het huis van de landheer ’drongen maar weinig mensen door zonder heimelijke vrees’. Hier wonen zij die alles bezitten, ’van de bossen op de bergen tot de moestuinen aan het water bij de zee’.

Argirò’s hoop op mededogen is ijdel en het gesprek verloopt dramatisch. Hoe diep hij ook door het stof gaat, zijn welwillendheid stuit op een muur van gevoelloosheid, egoïsme en agressie. Met de moed der wanhoop werpt de gefrustreerde herder tegen dat hij, als Filippo hem zijn bestaan ontneemt, recht heeft op de helft van het geld. Filippo Mezzatesta wordt er alleen maar valser van. Wanneer Argirò de grote trappen afdaalt, zoekt Antonello's handje de hand van zijn vader.

Hierna wordt Argirò's leven een weddenschap, een eenzame rebellie die samenvalt met andere veranderingen die in de lucht hangen: „Het is een feit dat hier de geometrische notie van het wiel ontbreekt. Maar nog maar even. Zoals oude mummies in aanraking met de lucht verpulveren, zo raakte dit leven verpulverd.”

Voor Argirò's wraak lijkt het te vroeg. Hoe hard hij ook probeert op te krabbelen, alles mislukt. Dan vestigt hij zijn hoop op zijn pasgeboren zoon, Benedetto, de nieuwe spil van zijn wraakplannen. Het gezin moet er alles voor over hebben om dit kind een priesteropleiding te geven. Ook de kleine Antonello offert zich gewillig op en gaat ver van huis werk zoeken. Nog even en iedereen zal voor Benedetto moeten buigen, ook de ellendelingen en bullebakken die Argirò's leven hebben kapotgemaakt. Deze zoon is zijn enige ’kapitaal op de bank’.

Wanneer zelfs dit kapitaal niet lijkt te renderen, neemt het verhaal een onverwachte wending. Op een nacht klinkt er een bovennatuurlijke stem uit de bergen: „O, jullie allen die arm zijn, wat lijden en ploeteren jullie om te leven! De dag is gekomen dat jullie wat vrolijkheid krijgen. Jullie ellende zullen jullie vergeten, want het carnaval komt eraan, al is het zomer. Dat zeg ik jullie! Binnenkort is er overdaad en vrolijkheid voor iedereen. Binnenkort komen jullie bazen bij jullie smeken, binnenkort zullen jullie vrolijk zijn. Jullie zullen lachen. Leve de vrolijkheid!” Er zal inderdaad het een en ander veranderen...

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden