Een apenpoot om je schouder: ware troost?

(Trouw)Beeld EPA

Geen dier maakt vuur, sterft voor zijn idealen, of navigeert met een landkaart. Toch meende Darwin dat mensengeest en dierenpsyche slechts gradueel van elkaar verschillen. Een dwaling? Een tweeluik over het dierendenken, met als slotvraag: snappen beesten iets van oorzaak en gevolg en van hun mededier?

Baviaan Jack runde een spoorwegstation, Jackie werd korporaal in het leger en Johnnie bestierde een boerderij, op de tractor. Handige jongens, die apen, maar overtuigend bewijs voor logisch redeneren en ander hoog denkwerk onder dieren vonden we tot nu toe niet. Beschikken ze wel over causaal en sociaal inzicht?

Eerst laten we ons imponeren. Door de groene reiger: hij gooit brood in het water waar vissen op afkomen en hapt dan toe. Een pluim ook voor de raaf die een brok vlees bengelend aan een touw wilde bemachtigen. Dat lukte niet, tot de raaf inzag dat hij een stukje touw moest inhalen, poot erop; weer een stukje, poot erop; nog een stukje, poot erop, en hebbes.

Dat zijn echte goochemerds, vanuit de maag bekeken. Nu vereist de zorg voor de dis of voor je hachje ook sociale kienheid. Ooit liep een aap, gevierd om zijn neus voor het vinden van lekkere dingen, opzettelijk langs een verborgen tros bananen. De meute volgde enthousiast en stoof hem voorbij, waarna hij stiekem omdraaide. En twee ’onderapen’, beiden verkikkerd op hetzelfde vrouwtje, namen om beurten de dominante aap mee uit wandelen, zodat de achterblijver onbedreigd aan zijn gerief kon komen.

Ook lager dierenvolk verdient eer. Zo houdt de kip zich dood in de bek van een vos, die zijn buit daarom rustig neerlegt. Af en toe zie je het dooie kippenoog half open gaan, tot vos even niet oplet. En de kromneusslang ligt achterover, voor lijk, en laat bloed uit de mondhoeken druipen, tot de rat dicht genoeg is genaderd. Zie voor meer bedrog ’Het Dierenbrein’ (’The Animal Mind’) van James Gould.

We knikken instemmend bij deze doortraptheid. De kip denkt dat de vos denkt dat ze dood is. Zulk vernuft vermoeden we niet in lagere dieren: instinct, zeggen we dan. Maar de aap die collega’s misleidt, die dichten we intentionele overwegingen toe: ’Zij weten dat ik van bananen weet, dat ik daar nu naar op weg ben, dus*’ Zoiets moet er in apenkoppen omgaan, hun brein moet causaal en sociaal verlicht zijn.

Maar hoe ver reikt hun inzicht werkelijk? Hoe vaak worden wij niet misleid door de onverwachte gehaaidheid van dieren?

Bekend is het heldere moment van pimpelmezen die in een Engels dorp plotseling de dekseltjes van aluminiumfolie van melkflessen begonnen te verwijderen. Vanwege de heerlijke room bovenin de fles. Het roompikken verspreidde zich snel, alsof de vogels vergaderden over hun briljante idee. Echte brille? Welnee, mezen pulken van alles los, zoals stukjes boomschors, op zoek naar insectenlarven.

En de chimpansees van Wolfgang Köhler dan, halverwege de vorige eeuw? Zij stapelden kratten om een banaan in de lucht te bereiken, of schoven stokken ineen om een lekkernij ver buiten bereik binnen te halen. Maar chimpansees stapelen vaker, ze zitten graag hoog. En knutselen en porren met stokken zit in hun DNA. Geef je ze een stok, maak dan dat je wegkomt.

We zetten de aap hier treurig neer. Hij bouwt een toren naar een banaan maar we ontzeggen hem inzicht in zijn vindingrijkheid. Terecht? In Behavioral and Brain Sciences discussieerden ethologen onlangs over de kloof tussen mens en dier. Darwin vergiste zich, was de hoofdstelling: er gaapt geen graduele maar een onmetelijke kloof tussen onze inventiviteit en het schijntje inzicht binnen dierenschedels.

Wat begrijpen dieren nu echt van causale verbanden? Van onzichtbare oorzaken – achter het stuwende water van een tsunami – hebben ze geen benul. Maar wel van hun eigen slimheid? Als ik kratten stapel, dan*

Het bewijs van kien causaal redeneren werd gezocht bij kapucijneraapjes, chimpansees en de beroemde kraaien van Nieuw-Caledonië. Alle respect voor die laatsten: zij vissen met allerhande twijgjes en buigen zelfs een haak aan de hengel om een emmertje met larven uit een putje op te halen.

Maar nu de ware proeve: er ligt iets lekkers halverwege in een transparante buis. Vlak daarnaast zit een gat, waar de traktatie niet in mag vallen, want dan is die weg. Aap en vogel krijgen een stok om de hap binnen te halen. Lukt dat? Na honderden pogingen redde één van vier kapucijners het om de lekkernij van het gat weg te houden. Drie van de zeven chimpansees slaagden, en zeven van de acht kraaien.

Kwartje gevallen? Niet in causaal-inzichtelijke zin. Want als de glazen buis werd omgedraaid, het gat aan de bovenkant zat en geen gevaar meer vormde, bleven aap en kraai volharden in hun strategie. De onnozelen hengelden even omzichtig als voorheen.

Dommies! De ethologen die onze suprematie benadrukken, menen dat het dier zich hier inderdaad diskwalificeert. Aap en kraai doorzagen oorzaak en gevolg niet. Gedragsbiologen vragen zich wel af hoe analytisch we nu zelf zijn in zulke situaties. Wij gaan prat op onze kennis van zwaartekracht en verborgen invloeden, maar stoelt ook ons oorzakelijk inzicht niet op wat onze ogen zien en handen voelen? En op eindeloze herhaling daarvan, in een concrete, tastbare wereld?

Maar in één domein zijn we volgens de pleitbezorgers van het hiaat tussen mens en dier radicaal andere wezens: we poneren een onzichtbare, mentale regisseur in andermans hoofd. Daar is het vreselijk jargon theory of mind voor verzonnen: wij hebben gedachten over de geest van de ander. Kraaien niet, en dolfijnen en apen niet.

Hier wordt het rumoerig in het debat. Wat moet je denken van een ondergeschikte aap die buiten het zicht van de dominante groepsbaas met een verboden vrouwtje paart en daarna, als hij de baas tegenkomt, het schaamrood op de kaken krijgt? „Hij kijkt dwars door me heen”, spreekt uit de zondaar.

Neem nog eens wat situaties waarin je stellig vermoedt dat de aap zich verplaatst in de medeaap. Een groene meerkat hoort het geschreeuw van een jong, kent haar moeder en kijkt haar kant op: „Actie, ze is in nood.” Elders zit een bavianenvrouw een man met een lekker fruitje te vlooien tot hij even ontspant en achterover leunt: weg is ze met het fruit.

Zo zijn er talloze observaties van uitgekookt gedrag waarin het „Ik denk dat hij denkt...”, zich opdringt. Toch werpen ethologen tegen dat apen daarvoor niet hoeven uit te gaan van enige gedachte in andermans schedel. Ze kunnen zonder één zielkundige overweging simpel leren dat je met het vlooien van de buurman zijn banaan kan veroveren.

Zou kunnen, maar soms gaat die relativering er niet meer in. Denk eens mee met deze resusaap: hij kon rozijnen stelen van iemand die toekeek, óf die zijn gezicht juist had afgewend. U wist wel wat u zou doen, en de resusaap ook. In een ander experiment kon hij fruit gappen uit een ’lawaaidoos’, met bellen erin, of uit een ’stille doos’. De experimentator keek de andere kant op. U wist wel wat u zou doen, de resusaap ook. Maar als de baas toekeek, liet de aap zijn heimelijke gedrag varen. Wat herrie maakte toch niet meer uit. Dan moet moet die aap denken vanuit de ander, zou je zeggen.

Nog amusanter is de proef met gaaien die voedsel mochten verstoppen, onder het toeziend oog van andere gaaien of juist ongezien. Na een paar uur keerden de vogels in hun eentje terug.

Je snapt het: alleen de bespiede gaaien groeven het eten op en verstopten het elders. Daar zit toch iets in van ’ons kent ons’. Opvallend daarbij was dat alleen gaaien die zelf al eens voedsel van een ander hadden verdonkeremaand, besloten om het verstopte voer te verkassen.

Toch geloven sceptische ethologen wederom niet dat hier sluitend bewijs wordt geleverd van de psycholoog in de gaai. Ook dit kan geleerd zijn: pottenkijkers, dan herbegraven. Zonder dat de gaaien een gaaiengeest in de toekijkende kapers hoeven te vermoeden. Waak ervoor om mensendenken in een dierenkop te projecteren, waarschuwen sceptici.

Het gevaar voor dit zogeheten antropomorfisme loert ook bij het inschatten van emotioneel gedrag van apen. Ze trekken verschillende bekken, afhankelijk van hun stemming, ze rouwen om hun kind. Dat is bij treurende bavianenmoeders gemeten aan hun stresshormonen. Toch kunnen diezelfde bavianen niet het verdriet op het gezicht van een medebaviaan lezen.

Primatologen maken een sympathiek rapport op over chimpansees die elkaars emoties begrijpen, ruzies sussen en de onderliggende partij na een gevecht weer fatsoeneren. Stel je voor dat ze een poot om je schouder slaan: ware troost? Of geconditioneerd mededogen? Gedragsbiologen vrezen dat het niet nobeler of diepzinniger is.

In 2006 bewees een studie onder prairiehonden dat ze elkaar verschillend toeblaffen, afhankelijk van of een mens, havik of coyote nadert. Meerkatten beschikken eveneens over zo’n alarmrepertoire: op de luipaardkreet vliegen ze de bomen in, op de adelaarschreeuw vlucht het gezelschap het bos in en na het slangenalarm gaan allen rechtop staan en turen in het gras. Dat scheelt levens, maar zit hier echte zorg achter? Biologen kunnen de empathische lading ervan niet bevestigen. Die meerkatten wachten het heus niet af of hun alarm is overgekomen. Wegwezen!

Zo wordt het een droevig verhaal, want op elke goeie beurt van het beest volgt een ontluisterende relativering van zijn diepere motief. Ze strooien ons ook zand in de ogen. Neem die nobele resusapen: ze laten eten staan als ze merken dat elke hap ertoe leidt dat het aapje in de kooi ernaast een elektrische schok krijgt. En het uitgilt. Dat wil je niet. Maar de zorg om de ander bleek zorg om zichzelf: resusapen raken gespannen door kabaal en verhongeren desnoods om de rust te bewaren.

Mogen we dan niet één verdiende pluim uitdelen voor ware meelevendheid? Vreemd genoeg kunnen biologen dat maar niet definitief vaststellen. Dieren zijn onstandvastig. Vandaag doen chimpansees zorgzaam, morgen zijn ze onverschillig.

Ze jagen gezamenlijk, lopen om beurten wacht. Maar andere keren laten ze de medeaap in de kou staan. Zo kregen chimpansees de keuze om aan een van twee touwen te trekken, waardoor alleen zij of ook de buurman eten kreeg. Zorg voor die buurman ging niet ten koste van hun eigen portie, dus waarom niet? Dit keer bekommerden de chimpansees zich niet om hun maat.

Maar in een recent experiment bleek een chimpansee die zelf niet bij een lekkere hap kon komen wel een ander te helpen, terwijl hem dat niets opleverde. Een vriendendienst? Het blijkt een toer om echt verhelderend op aaps overwegingen in te zoomen.

Hier volgt geen slotconclusie; we komen er niet goed achter hoe een aap tegen de dingen en de medeaap aankijkt. Of tegen het leven.

En tegen de dood? Dat kun je misschien vaststellen, met een akelig experiment. Laat een moederaap door een luidspreker het opgenomen gekrijs horen van haar overleden kind. Als ze daar verbijsterd en vol twijfel naar luistert, dan heeft ze besef van leven en dood, en van de ander. Onethisch, vonden de bedenkers ervan zelf ook, laat de dierenziel dan maar met rust.

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden