Een ander leven heb ik niet

Karin Melis is precies tien jaar katholiek: in 2002 liet zij zich dopen. Wat verwachtte ze er toen van, en wat heeft die opmerkelijke keuze haar gebracht?

'In haar lijdensweg zien we het lijden van Jezus terug." Sprak de voorganger nadat hij al een aantal keren verzekerd had dat onze God haar, deze vrouw die ons was ontvallen, welgezind zou zijn. Ik veerde op in de kerkbanken. Wat bedoelde de man?

Voor zover ik wist lag 'God' niet bestorven op de lippen van mijn vriendin. En ik wist dat de voorganger dat wist. En dan toch die vereenzelviging met het lijden van Jezus als ware het de enige toegangspoort tot de hemel.

Begrijpen doe ik het niet, maar begrijpen hoef ik ook niet. Zoveel heb ik wel geleerd sinds de intrede nu zo'n tien jaar geleden van mijn dochter en mijzelve in de katholieke kerk. Terecht, vind ik. Je moet niet met de vingers van het verstand aan het mysterie peuteren. Je zou het maar kunnen grijpen en verslinden. En toch. Die woorden van die voorganger, in mijn oren zo achteloos uitgesproken, waren er niet voor niets. Maar ze werden op zo'n plompverloren wijze uitgesproken dat ik me er geen raad mee wist. Zonder context, zonder diepte bleven ze zinloos in mijn hoofd rondtollen.

Ik weet wel: de katholieke kerk moet het niet louter en alleen van het woord hebben. Ook al smeken we eensgezind: 'Spreek slechts een woord en ik zal gezond worden', het gaat in deze kerk vooral om het mysterie zoals het ritueel wordt vormgegeven in de eucharistie, de eindeloos cirkelende dankzegging voor het leven.

Eigenlijk is het elke zondag Pasen in de katholieke kerk. Want steeds opnieuw vieren we het laatste avondmaal van Jezus en breken we het brood als blijvend teken van het eeuwige leven. Het zijn die instellingswoorden, onvermoeibaar herhaald over heel de wereld, die het hart vormen van deze kerk. Ze moeten een aanwezigheid oproepen, die woorden. Vandaar ook dat zowel voorganger als kerkganger zijn hart verheft om die aanwezigheid af te smeken.

Maar wee je gebeente als de woorden niet worden gedragen door die bezieling, dan klinken ze hol en tollen ze doelloos in de leegte van mijn borstkas, geen Anklang vindend. Het woord en het innerlijke gebaar zijn naar mijn idee onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Daar, tijdens die uitvaart ervoer ik weer eens hoe nietszeggend woorden gebruikt kunnen worden. Tegelijk kan ik me voorstellen hoe moeilijk het is voor voorgangers om bezieling op te brengen, staand voor een geseculariseerd publiek dat geen weet meer heeft wanneer te zitten of te staan. Het moet uitputtend zijn als je woorden niet resoneren bij de toehoorders.

Er is iets in mij dat onverminderd blijft hunkeren naar het woord dat gedragen wordt en onverhoeds contact met me maakt. Als de Eeuwige iets bovenmatig goed begrepen heeft dan is het wel de scheppende kracht van het woord.

Ik word niet moe te vertellen hoe ik sympathiseer met de rabbijn die elke keer als hij bij de derde versregel van Genesis aankwam in snikken uitbarstte. Het kostte hem jaren voordat hij de woorden 'Er moet licht komen' hardop kon voorlezen. Dat is namelijk de eerste keer dat God in de directe rede zijn stem laat horen. Dat woord van Hem heeft het vermogen om werelden te ontsluiten en te bouwen. De stem en het woord, ze hebben me regelrecht de kerkbanken in doen belanden.

Toen de voorganger die negentiende maart 2001 met precies het juiste timbre de woorden barmhartige Vader sprak, werd er diep in mij iets aangeraakt. Het was als met Ruth die tegen haar schoonmoeder uitriep: "Uw God is mijn God." Dus ook ik, ik mag ook.

Er lagen werelden in me te wachten om zich te laten openen en nog geen tien maanden later heb ik me met mijn dochter in de katholieke kerk in Noordwijkerhout laten dopen.

Lang heb ik het moeilijk gehad met het gegeven dat mijn leven méér was dan louter organische groei en eigenmachtig uitgestippelde wegen, dat het als gave een aanhankelijkheid betekent. Een gave, die ik niet kan teruggeven en, verzucht ik soms, ook niet kan uitbesteden. Het leven als gift. Een gift die, zo begin ik te beseffen, gek genoeg niet alleen van mij is. ¿

Bij mijn doop voegde mijn pastoor me toe: "Wees niet bang, je hoeft het niet alleen te doen." Nee, maar met wie dan? Mijn ongelovige vrienden hadden destijds de houding: laat haar nu maar, het biedt haar houvast. Ze zeiden nog net niet: die arme ziel.

Anderen namen het me ronduit kwalijk dat ik me verbond met zo'n verderfelijk machtsbolwerk. Hoe kon ik? Immers, geloven is één ding, er rond voor uitkomen door je aan te sluiten bij een kerk is een geheel ander verhaal.

Ik geloof niet dat mijn antwoord ooit afdoende zal zijn. Er is geen laatste grond of een laatste rechtvaardiging. Geloven is altijd belijdend geloven en dat behoeft een context, een dak boven je hoofd. En woorden. Opgenomen worden. Is dat wat ik eigenlijk verwacht?

Ik kan er natuurlijk niet omheen dat dat dak nogal aan afbraak onderhevig is gezien het omvangrijke seksschandaal. Ik weet niet hoe ik me als lid van die club kan verdedigen, wat me overigens ongepast lijkt. Ik sta wat dat betreft met lege handen. Ik kan het schandaal uiteraard niet verantwoorden en tegelijk weiger ik mijn lidmaatschap op te zeggen. Dat zou ook niet kunnen: wat God verbonden heeft, kan niet ontbonden worden. Tot op de dag van vandaag wil en kan ik me niet laten ontdopen zoals je je op Facebook kunt laten ontvrienden. Dit gaat een leven lang mee en dat is goed.

Excommunicatie is voor mij een woord zonder inhoud, een loos dreigement. Mijn vriendin had de moeite niet genomen om zich uit te laten schrijven. Voor haar maakte 'het katholieke' deel uit van haar inventaris ¿ zo vanzelfsprekend dat je er geen acht op slaat. Ik vond het dan ook niet vreemd dat er een uitvaartmis was: zo doen we dat hier. Daar maak je verder geen woorden aan vuil.

Er was wel iets anders dat me trof. In haar stervensdagen, in die tijd dat het ons wel eens te machtig kon worden, liet ze zich opeens die schrijnende woorden uit Psalm 22 ontvallen: "Mijn God, mijn God waarom hebt u mij verlaten?" Ze leek zelf verrast dat dit aan haar lippen ontsnapte. In tijden waarin we met stomheid geslagen zijn, blijken eeuwenoude woorden precies uit te kunnen drukken wat er in ons omgaat. Ik kan niet bevroeden uit welke diepte zij sprak, maar aan haar toon hoorde ik hoe ze zich aan die woorden toevertrouwde. En hoe die nabijheid opriepen. Zo paradoxaal is het dus: je krijt het uit, want nimmer voel je de gemiste persoon zo intens aanwezig als in zijn hemeltergende afwezigheid.

Had de voorganger tijdens de uitvaartmis haar akelige besef van godverlatenheid maar verbonden met zijn uitspraak over Jezus' lijden. Had hij de woorden maar verteld over hoe Jezus gesmeekt had om bedding te geven aan de onafwendbaarheid van het afscheid. Woorden die ons weer even heel maken. Zoals gezegd: en ik zal gezond worden.

Is dat wat ik uiteindelijk verwachtte, het afgelopen decennium ¿ genezing? Als ik eerlijk ben: ik vrees het wel. ¿

De verhalen in de Bijbel ontregelden mijn denken. En ze openden nieuwe vergezichten in mijn hart. Het is thuiskomen op plaatsen waarvan ik het bestaan niet kende. Een eigenaardige mengeling van bevreemding en innige vertrouwdheid.

Dit mysterie zou ik wel graag willen oplossen. Hoe eeuwenoude woorden me kunnen aanraken en hoezeer ik ze kan missen. Deze dag ¿ Stille Zaterdag ¿ is me dan ook een gruwel. Zoveel stilgevallen woorden benemen me de adem. Wat wordt me hier verteld? Is deze stilte het bedrukte antwoord op de duisternis die op klaarlichte dag viel toen Jezus gekruisigd werd? Of is zij juist de aankondiging van het nieuwe, opgestane leven?

Dat leven dat op Paasmorgen om Maria Magdalena zweeft. Ze wil hem aanraken, maar hij zegt dat ze hem niet mag vasthouden. Er bestaan veel schilderingen van de zwevende gestalte van Jezus en de verlangend uitgestrekte armen van Maria. Volgens mij heeft zij Jezus helemaal niet met haar blote ogen gezien. Ze heeft zijn aanwezigheid met haar hart gevoeld en gehoord. En ze gelooft die gewaarwording, hoe empirisch onbewijsbaar ook, ze kan niet anders.

We zijn mensen en dus willen we onze geliefde omarmen, vasthouden, hem tegen ons hart aandrukken. Maria moet Jezus laten gaan; hij is niet meer aanraakbaar voor aardse handen. Het eeuwige leven is geen hebbedingetje, en bovendien verknoopt met de dood.

Wie het weet mag het zeggen. Ik weet het in elk geval niet. Het eeuwige leven is te groot voor mij. Het zou me niets verbazen als Jezus met zijn woorden 'Hou me niet vast' eigenlijk bedoelt te zeggen dat Maria moet leven en niet met hem moet opstijgen.

Jezus heeft laten zien dat we eerst moeten sterven willen we kunnen leven. Toen ik in de tijd dat ik getroffen was door kanker 's nachts bevangen werd door de angst dat ik dood zou gaan, werd ik vooral benauwd door de onherroepelijkheid die als een muur op me afkwam. Nooit meer zou ik kunnen ruiken, horen, voelen, zien, rondwandelen, een blik wisselen, mijn dochter vasthouden. Dat zou nooit en te nimmer meer terugkeren. Dit aardse bestaan is het enige wat ik heb. Het enige wat er is. Al wat na de dood op me wacht is in elk geval niet dit leven dat ik deel met anderen die het met mij delen.

Toen André Hazes stierf, dachten velen dat hij boven in de hemel bier zat te drinken. Ik geloof er niets van. Juist dat schuimende bier behoort tot de aardse genoegens. Alleen hier op deze aarde mogen wij genieten van de zon en de sterren, van het danken en het lijden, van elkaar, ook al slijten we aan elkaar. Alleen hier op aarde is mijn liefde een teken Gods. En nergens anders. Aan gene zijde kan ik dit niet ruiken, zien, horen, voelen, proeven.

De tegenwerping van mijn doper is dat het eeuwige leven aan gene zijde van onze zintuiglijkheid is. Het gekke is dat ik na tien jaar voel dat mijn geloof in de Schepper mijn verknochtheid aan het aardse juist heeft verdiept.

Kerkvader Augustinus zegt: heb lief en doe wat je wilt. Ik zeg: geniet van al dat wat geschapen is. Lijkt mij ook van eerbied getuigen. Ik zal de beker tot de laatste druppel leegdrinken. Juist nu mijn dierbare vriendin is gestorven, ervaar ik met terugwerkende kracht dat mijn leven gedeeld is; precies in die poëtische zeggingskracht. Zonder haar is mijn wereld, mijn aarde, mijn rangschikking niet meer die hij was of ooit nog zal zijn. Ik dacht dat haar aanwezigheid zo vanzelfsprekend was, ingeweven in de vezels van ons bestaan, de gang van zaken. Is niet zo. De dood van deze vrouw rukt die vanzelfsprekendheid, die sluier over de zekere alledaagsheid weg en laat de afgronden van mijn werkelijkheid zien.

Het is de wereld op z'n kop. Maar daar waar verwachtingen met de staart tussen de benen het veld ruimen, mag het onverwachte gebeuren. Ik heb het niet voor het zeggen. Ik heb mijn leven maar te delen en te breken. Als me de afgelopen tien jaar iets duidelijk is geworden, dan dat. Zo strekt Maria Magdalena toch onbeheerst verlangend de handen naar de voor eeuwig opstijgende Jezus. Want wij willen leven, liefhebben.

Misschien dat mijn vriendin daarom wel als nummer dat haar uitvaart afsloot Morning has broken had gekozen. Een lofzang op het aardse leven, een laatste groet.

Maar hou me niet vast. ¿

'Pas ik in de kerk? Nee'
Toen Karin Melis vijf jaar katholiek was, in 2007, interviewde Trouw haar:

Op de dag van haar doop stuitte ze al op de grenzen van wat de rooms-katholieke kerk aanvaardbaar acht. Die ochtend zat ze aan de ontbijttafel, "mijn lichaam was nog warm van de liefde en als het aan mij had gelegen had ik me helemaal niet gedoucht, louter uit een pervers soort van recalcitrantie. De liefde is wat mij betreft altijd de meest voortreffelijke voorbereiding tot het hogere."

Maar voor haar kerk was deze liefde 'de zonde bij uitstek'. Melis: "De rk kerk weet niet om te gaan met de lichamelijkheid, terwijl de communie toch over lichaam en bloed van Christus gaat." De communie is, zegt Melis, "stuitend - wie belijdt er nou iemands dood? - en tegelijk het mooiste wat er bestaat".

Aan de ontbijttafel anno 2002 werd Melis te verstaan gegeven dat ze na zo'n nacht eigenlijk van de doop moest afzien. Ook zelf vindt ze haar stap 'discutabel': "Wie stapt nou een kerk in die tegen je wezen indruist? Nou, ik. Want ik denk dat de kerk met zichzelf in strijd leeft. Daartegen kom ik in opstand. Voor opstandigheid kun je beter binnen wezen dan buiten staan."

Volgens Melis kan de rk kerk het zichzelf aanrekenen dat ze het sensuele buiten de muren heeft gezet en dat dat nu is 'prijsgegeven aan de buitenkerkelijke spiritualiteit'.

Trouw-recensent Jan Greven schreef over Melis' toetredingsboek 'Geen weg meer terug' (2003): "Ik ben benieuwd wie de langste adem heeft: de katholieke kerk met Melis of Melis met de katholieke kerk?"

Karin Melis voelt zich, zegt ze, thuis in de rk gemeenschap, maar niet zozeer in de leer van de rk kerk. "Pas ik er wel in? Op de keper beschouwd: nee. Waar ik over vijf jaar ben? Geen idee. Maar ik heb een lange adem."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden