Een ambitieuze postbode

De moord op de Armeniërs in 1915 is in het Nederlandse parlement sinds deze week weer actueel: twee kandidaten op de CDA-lijst, beiden van Turkse komaf, ontkennen die gebeurtenis – tegen het officiële CDA-standpunt in dat de volkerenmoord opeen miljoen Armeniërs wel degelijk heeft plaatsgehad.Het brein erachter was Talat Pasja. Hij was een postbode die het tot premier schopte, belust op macht en een groot organisator.

Berlijn, 1921. De Armeense student Salomon Taleyran heeft een huis gehuurd dat precies tegenover het huis van Talat staat. Hij volgt dagelijks uit het raam de verrichtingen van Talat. Op 15 maart verlaat die in zijn eentje zijn huis: hij ging de stad in om handschoenen te kopen. De Armeense student naderde Talat van achteren en roept: ’Hé, Talat...’

Talat werd in 1874 geboren en groeide op in Edirne. Hij speelde in de hal van de architectonisch betoverende Selimiye-moskee. Edirne werd in die tijd overspoeld door migranten uit alle delen van het Rijk. Edirne, eeuwenlang ver verwijderd van de grenzen van het Rijk, was na de verloren veldslagen van de laatste eeuw ineens een grensstad geworden.

Vooral de moslimbevolking uit de Balkan trok zich terug naar deze veilige haven vlakbij Istanbul. De Turken verloren de ene na de andere oorlog tegen de minderheden. De Serviërs, de Bulgaren, de Grieken, de Arabieren verklaarden in het laatste deel van de 19de eeuw achter elkaar hun onafhankelijkheid. Het ooit zo machtige Ottomaanse Rijk viel in rap tempo uit elkaar.

De jonge Talat groeit uit tot een agressieve jongen die zelfs een keer zijn leraar op de militaire school sloeg. Dat kostte hem zijn militaire carrière, waar hij zo van gedroomd had. Hij had het als officier op willen nemen tegen de vijanden van het rijk, die in zijn ogen verantwoordelijk waren voor de migratie, de armoede en de ellende in Turkije.

Maar de militaire academie weigerde hem, en Talat vond werk op het postkantoor. Dat was een baan die hem alle informatie zou verschaffen die een man met politieke ambities zich kon wensen.

Hij sloot zich aan bij de ’Jonge Turken’. Deze in Europa opgeleide jonge Turken – voornamelijk officieren – verzetten zich tegen het oude Ottomaanse systeem en tegen sultan Abdül Hamit. Ze wilden het rijk hervormen naar Europees model. Er moest meer democratie komen. Een Grondwet en een parlement waren noodzakelijk om het land van de ondergang te redden. De Jonge Turken richtten de Partij van Eenheid en Vooruitgang op. Talat sloot zich erbij aan.

De postbode met grote ambities vond dat het Turkse volk in opstand moest komen, zoals bij de Franse Revolutie. Maar het Turkse volk was onderontwikkeld, slecht opgeleid en voor een groot deel analfabeet. Talat dacht dat zelfs een achtergebleven volk als het Turkse in beweging gebracht kon worden, mits een goede organisatie de revolutie kon leiden. De jonge postbode was goed in netwerken en organiseren, had toegang tot de inhoud van alle telegrammen en had grote plannen.

Maar de geheime agenten van de sultan zaten ook niet stil. Ze kregen lucht van de geheime vergaderingen van Talat en zijn vrienden. Ze werden gearresteerd. Talat moest twee jaar gevangenisstraf uitzitten. Daarna werd hij verbannen naar Tessaloniki. Met die straf gaven de toenmalige leiders Talat als het ware een duwtje in de rug. Tessaloniki was het centrum van het intellectuele en politieke leven. Het duurde niet lang of Talat verzamelde weer een groep om zich heen. Ze praatten urenlang over de toekomst van het Rijk en dronken het beroemde Olimpos bier. Deze nieuwe groep sloot zich snel aan bij de Partij van Eenheid en Vooruitgang. Talat was inmiddels uitgegroeid tot een van de voornaamste mannen van de partij. In Istanbul dwong de partij de sultan om een Grondwet en een parlement in te stellen. Talat vertrok naar Istanbul en werd er lid van dat nieuwe parlement.

Talat was er echter niet de man naar om tevreden te zijn met een zetel in het parlement. Hij wilde de lakens uitdelen. In dat streven stond hij niet alleen. Ook generaal Envers dorst naar macht kende geen grenzen. Toen Talats geboortestad Edirne door de Bulgaren bezet werd, zorgde dat voor een immense schok in het land. Volgens velen handelde de regering te terughoudend. Dat was de kans waar Talat en Enver zo lang op hadden gewacht. Ze achtten de tijd rijp voor een staatsgreep – tegen hun eigen partij, die het land leidde.

Op 23 januari 1912 motregende het in Istanbul. Hoewel er rond het parlementsgebouw geen sprake was van een menigte waar ze op hadden gerekend, stuurde Talat toch het bericht naar Enver dat de omstandigheden goed waren en dat hij moest komen. Even later verscheen Enver op een prachtig wit paard. De generaal en zijn medestanders kregen wonder boven wonder vrije toegang tot de kamer waar het kabinet zat te vergaderen: de soldaten durfden het niet aan om op de generaals te schieten. De coupplegers schoten de minister van oorlog, die naar zijn pistool greep, ter plekke dood.

Enver en Talat liepen vervolgens naar de kamer premier Kamil Pasja, die probeerde het hoofd koel te houden. „Wat komen jullie hier doen?”, vroeg hij. Talat was heel direct: „Je moet aftreden.” De premier wilde zich eerst verzetten. Maar Talat begon te schreeuwen: „Aftreden, aftreden, aftreden.” De premier schreef een brief naar de sultan waarin stond dat hij aftrad. Talat en Enver waren aan de macht.

Ze wilden de glorietijden terug. Ze wilden grond terugwinnen. Ze zetten hun geld in op Duitsland. De Eerste Wereldoorlog brak uit. Enver en Talat lieten Het Turkse Rijk aan de zijde van Duitsland vechten. En in een dergelijke oorlog kon men geen minderheid gebruiken die ’samenspande’ met de grote vijand Rusland.

Talat was minister van binnenlandse zaken. Hij was de man die de instructies gaf voor de deportatie van de Armeniërs uit alle delen van het land, met name uit het bergachtige frontgebied in het oosten. Onderweg naar Syrië leden ze honger en werden ze slachtoffer van onder meer Koerdische bendes. Dat Talat genocide voor ogen stond, blijkt volgens sommige historici uit het feit dat hij telegrammen stuurde waarin stond dat zelfs kinderen niet gespaard mochten worden.

De Eerste Wereldoorlog liep voor Turkije rampzalig af. Het rijk viel uit elkaar. Talat en Enver moesten het land ontvluchten.

In 1921 ging Herbert Aubrey, een ex-medewerker van de Engelse Ambassade in Istanbul en een oude kennis van Talat, bij hem langs in Berlijn. Aubrey nam dat gesprek op in een boek dat hij later heeft gepubliceerd. Hij schrijft daarin: „Talat verscheen om negen uur in de verte. Hij was erg afgevallen en was niet meer zo knap als vroeger. Zijn blikken waren zo angstaanjagend als die van een roofdier. Hij was nog steeds netjes gekleed, maar zijn kleren verrieden wel de armoede waarin hij leefde.”

Talat vertelde tegen Aubrey: „In Engeland zien jullie slechts de ene kant van de medaille. Ik twijfel er niet aan dat jullie geen genade hebben met Sinn Féin. Je moet maar zo denken, het Ierse probleem is niets vergeleken met het Armeense probleem dat wij hadden. Geen enkel land zal accepteren dat een minderheid tijdens een oorlog aan het verraden gaat.”

Een maand na dit gesprek roept de Armeense student Salomon Taleyran: ’Hé, Talat...’ De oude premier draait zich om naar de roepende jongen. Die haalt een pistool uit zijn zak. Het is een parabellum revolver. Van dichtbij schiet hij Talat in het hoofd. Talat valt op zijn buik neer en is op slag dood.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden