EEN AKKOORD VAN TWEE MANNEN

De oorlog in Guatemala had meer dan dertig jaar geduurd en er waren 150 000 doden en vermisten toen de hoogste generaal van het land op zoek ging naar de machtigste guerrillero. Ze ontmoetten elkaar in het diepste geheim op een hotelkamer in Mexico.

“Comandante”, zei de generaal, ik stel voor dat we vrede sluiten.” De rebellenleider wilde dat ook. “Maar”, antwoordde hij, “hoe denkt u ooit de guerrilla te kunnen overtuigen dat het u ernst is?”

Daarop verzon de generaal een list. Hij besloot door het stof te gaan en bood aan de vredesakkoorden voor te leggen aan president Fidel Castro op Cuba. Plotseling was alle argwaan weg.

De eerste ontmoeting tusen de twee was in 1989. Dertig jaar na 'Operatie Succes', waarmee president Eisenhower multinational United Fruit Company, in die jaren het symbool van het Amerikaanse imperialisme, te hulp schoot op de bananenplantages in Guatemala. De wettige eigenaren en kleine Indiaanse boeren moesten het veld ruimen voor het Amerikaanse grootkapitaal. Sindsdien was er een burgeroorlog met overal spionnen van het leger, geweld, martelingen, doodseskaders en verdwijningen. Beruchte presidenten als Lucas Garcia en Rios Montt, alias de 'slagers', begonnen een politiek van verschroeide aarde en vermoordden honderdduizend Indianen.

Een over heel het land verspreide guerrilla vocht terug. Het verzet bestond voor 85 procent uit Maya's, honderdduizenden kleine Indiaanse boeren steunden de strijd. De regering noemden hen communisten.

Toen stond een generaal op die niet van oorlog hield: Julio Balconi. Hij zegt: “Ik wil één ding vastleggen. De vredesbeprekingen in Guatemala waren het idee van één man uit het leger en één man uit de guerrilla. Ze waren het resultaat van persoonlijk initiatief. Pas toen wij het eens waren, ging ik de president en het kabinet informeren.”

De guerrillero is Rodrigo Asturias. “Toen na onze eerste ontmoeting bleek dat wij beiden serieus vrede wilden, hebben we een plan opgesteld om elkaar geregeld en in alle rust te ontmoeten. Dat gebeurde in het geheim, in het begin vooral in toeristische plaatsen waar niemand ons zou herkennen. De eerste bijeenkomsten waren tussen de commandanten van de UNRG (het verenigd verzet van Guatemala) en de zes hoogste generaals van het leger. We hebben elkaar drie keer gesproken in Oslo, we vergaderden in Madrid, El Salvador en Mexico. Tenslotte ontmoette de guerrilla vijfentwintig legerofficieren, de complete militaire top, op het Hondurese eiland Roatan.”

De generaal: “Ik heb eerst zelf met de vier commandanten van de guerrilla gepraat. Zij zeiden dat ze mij persoonlijk ernstig namen. Maar, vroegen ze, hoe kunnen we ooit uw collega's binnen de strijdkrachten vertrouwen? Ik moet bekennen dat binnen het leger het aantal mensen dat geloofde in oorlog, aanvankelijk aanzienlijk groter was dan onze groep, die onderhandelingen en vrede wilde.

Daarom zijn we naar Roatan gegaan om de officieren die twijfelden te laten praten met de guerrilla-commandanten. Van de guerrilla zelf moest ook het vertrouwen worden gewonnen. Op een gegeven moment heb ik voorgesteld een gesprek op Cuba te houden. Fidel Castro is immers altijd een symbool geweest voor het verzet in Guatemala en in Latijns-Amerika. Ik moet zeggen dat de bijeenkomst in Roatan een breekpunt was. Iedereen raakte overtuigd van elkaars oprechtheid.''

De guerrillero: “Aan de bijeenkomst op Cuba gingen zeven jaar geheime onderhandelingen vooraf. Niemand die daar iets van wist. Toen we tenslotte de deelakkoorden gingen sluiten en ook politici en burgers betrokken raakten bij de onderhandelingen, was het voor hen een grote verrassing dat leger en guerrilla elkaar kenden en hartelijk met elkaar omgingen.”

De generaal: “Nog altijd is dat een geschiedenis die we helaas niet in Guatemala kunnen vertellen. Er zijn partijen die ons zouden kunnen beschuldigen van landverraad.”

De guerrillero: “We werden door Fidel in 1996 ontvangen tijdens een banket. Hij was heel terughoudend en gaf geen oordeel over onze akkoorden. Het was heel bijzonder, de militaire top van Guatemala, wij en hoge legerofficieren van Cuba in het Paleis van de revolutie in Havana. We hebben getoast op de vrede.”

Boven de Avenida 7, die het hart van de stad doorsnijdt, ligt de aan- en afvliegroute van het vliegveld. Het is daarom nooit stil in Guatemala-Stad. Ook niet als de duisternis is gevallen, het autoverkeer vrijwel tot stilstand komt en de mensen zich verschuilen achter de muren van hun huizen. Want sinds het vrede is en de militairen zich hebben teruggetrokken in hun kazernes, is de stad op een andere manier onveilig geworden. In het oude centrum regeert in het donker de misdaad en in de rest van de stad heerst de angst. Overdag staan voor de kleinste bakkerij en boekwinkel zwaar bewapende mannen. Elk restaurant is een bastion, omringd door namaak-militairen.

Op het ommuurde terrein van een hotel arriveert een gepantserde en geblindeerde jeep. Als drie bodyguards de omgeving hebben verkend, komt een forse man naar buiten: Rodrigo Asturias. Hij is achter in de vijftig, heeft een verlegen lach en excuseert zich met zachte stem voor zijn entree. De drie compañeros, zegt hij, zijn vrienden uit het verzet met wie hij altijd samen is geweest. Zestien maanden nadat de vrede werd getekend, wordt hij nog regelmatig bedreigd door vijanden uit het verleden. Hij kan niet vrij over straat gaan en houdt er rekening mee nog jarenlang gijzelaar te zijn van de haat- en wraakgevoelens van gemankeerde militairen.

Rodrigo Asturias, die vijfentwintig jaar lang de guerrilla in Guatemala leidde, slaagde er met oneindig geduld en volharding in een verzetsbeweging op te zetten die tenslotte het einde zou betekenen van de militaire dictactuur. Eigenlijk begon zijn verzet al in 1954, toen de Amerikaanse geheime dienst, de CIA, de progressieve president Jacobo Arbenz ten val bracht, omdat diens plannen de grond te verdelen onder de Indiaanse bevolking schadelijk waren voor United Fruit Company.

Rodrigo Asturias is de zoon van schrijver en nobelprijswinnaar Miguel Angel Asturias. De vader inspireerde de zoon tot verzet tegen onrecht en onderdrukking. Binnen de guerrillabeweging noemde Rodrigo Asturias zich Gaspar Ilom, naar de onoverwinnelijke hoofdfiguur uit het boek van zijn vader 'Hombres de Maiz', De doem van de maïs. Het boek symboliseert de strijd van de Maya's tegen de emaiceros en de grootgrondbezitters van de Amerikaanse multinational United Fruit Company. (“Hoor me aan Luizenbos”, zei Gaspar, “nu gaat het beginnen. De grond van Ilom moet gezuiverd worden van de bomenvellers en van de bossenbranders, van de mensen die het water tegenhouden van de rivier, dat stromende slaapt en in de putten de ogen opendoet en van slaap gaat rotten en het moet gereinigd worden van de maïsmannen en de schaduwdoders.”)

“Ik noemde mijzelf Gaspar Ilom, als eerbetoon aan hem. Om zijn intellectuele erfenis, maar ook om zijn diep menselijke persoonlijkheid. Gaspar identificeert zich met de Maya-beweging. Toen ik begon te vechten in het gewapend verzet, was hij voor mij het symbool. Mijn vader sympathiseerde met mijn ideeën, maar was als iedere vader ook heel ongerust over wat me kon overkomen. Hij schreef me dat ik de maximale risico's had gedragen en dat ik beter kon stoppen. Dat was zijn stelselmatige reactie: sympathie, maar ook zeggen: pas op.”

De eerste actie van de zoon in het verzet liep uit op een drama. Hij keerde terug uit Argentinië, waar hij rechten had gestudeerd en arriveerde in een land vol spanning en tumult. De CIA was bezig in Guatemala bases in te richten voor een invasie in de Varkensbaai op Cuba. Demonstraties werden met harde hand neergeslagen.

Boeren die protesteerden, werden van hun grond verdreven. Asturias werkte in die tijd als journalist en kreeg een helder beeld van de maatschappij. Met 23 andere vrijwilligers trok hij tenslotte de bergen in. Al op de tweede dag werd de eenheid opgespoord en vernietigd. Er waren dertien doden en acht gevangenen, onder wie Rodrigo Asturias. Hij werd vijftien maanden opgesloten in een interneringskamp, later opnieuw opgepakt en in de grensrivier met Mexico gegooid. Hij wist de overkant te bereiken, kreeg asiel en keerde pas in 1971 terug in Guatemala. Deze keer minder naïef en beter voorbereid.

Behalve door zijn vader zegt hij ook beïnvloed te zijn door het humanistisch christendom en door Che Guevara. Maar waar Che, eerst in Guatemala en later in Bolivia, faalde om contacten te leggen met de lokale bevolking, slaagde Asturias.

“Ik wist al heel vroeg dat we, wilden we als guerrilla op lange termijn succes hebben, ons moesten verbinden met de Indiaanse bevolking. Daar hebben we jaren over gedaan. We deelden het leven van de Indianen, we leden honger met hen. Ik liep tuberculose op door het zware leven in de bergen. Twee van mijn medecommandanten werden in gevechten gedood. Ik schreef in die tijd twee boekjes over het racisme in Guatemala tegen de Maya-maatschappij. Het verzet was voor ons een roeping, een missie. We kregen tenslotte massale steun vanuit de bevolking.”

Julio Balconi arriveert in z'n eentje, zelfverzekerd en ontspannen. Een carrière-militair die begon als infanterist, divisiegeneraal werd en tenslotte (tot juni vorig jaar) minister van defensie in het huidige kabinet van Alvaro Arzu. Hij is nog altijd onder de indruk van het succes van de guerrilla. Het verzet, zegt hij, begreep de manier waarop de Indiaanse gemeenschap geminacht werd. “Daardoor kreeg het verzet sympathie en vertrouwen van de Maya's.”

Maar is hij er ook in geslaagd die Indiaanse gemeenschap duidelijk te maken wat de vrede inhoudt? De generaal vervalt in somberheid: “Laat ik eerlijk zijn, noch de guerrilla, noch de regering heeft de bevolking kunnen overtuigen waar het om gaat. Bijna de helft van de mensen is Maya en maakt geen deel uit van de ontwikkeling van het land. Communicatie is daarom heel moeilijk.

Onder de Indianen zijn drieëntwintig aparte taalgroepen. Wij hebben de bevolking via radio en kranten natuurlijk geïnformeerd. Maar dat gebeurde alleen in het Spaans, daardoor was het bereik onder de Indiaanse bevolking praktisch nul. De dialoog van de laatste jaren heeft ons meer opgeleverd dan zesendertig jaar burgeroorlog. Ik geloof dan ook dat het risico op een nieuw gewapend conflict erg klein is. Er is een veel groter probleem: de bittere armoede in dit land. Onze grootste opgave is de Indiaanse bevolking, die altijd uitgesloten was en gediscrimineerd werd, deel te laten nemen aan de maatschappij. De komende regeringen zullen daar veel in moeten investeren.''

In Solala, voorbij het bergmeer Atitlan, boekte de guerrilla van Rodrigo Asturias het eerste succes, door een bataljon van het leger in een hinderlaag te lokken. In het begin van de jaren tachtig werd hier en in de Sierra Madre zwaar gevochten. Via tunnels en de riolering drongen guerrillastrijders soms kazernes van het leger binnen. Met snelle acties werden militaire kampementen tegen de heuvels verwoest.

Landerijen en plantages van rijke eigenaren uit Guatemala-Stad of van buitenlanders werden bezet en overgedragen aan de lokale bevolking. Soms reisde een vertegenwoordiger van het verzet via El Salvador of Nicaragua naar Vietnam voor onderricht over de stadsguerrilla die later begon. Toch was het een oorlog, zegt Rodrigo Asturias, die door het verzet in groot isolement werd uitgevochten. Van buitenaf kwam nauwelijks logistieke steun. Cuba steunde in die jaren Nicaragua en El Salvador. Zich nog in een derde burgeroorlog te mengen, dat ging in die tijd het vermogen van Cuba ver te boven.

Asturias: “Ik kan hen dat uiteindelijk niet kwalijk nemen. Als ik erop terugkijk, denk ik dat het isolement onze kracht is geweest. We zijn nooit gedwongen naar de onderhandelingstafel te gaan en eisen van andere partijen te aanvaarden door het plotseling wegvallen van internationale steun. We hebben die immers niet gehad. Van de Sandinisten hebben we in al die jaren vierhonderd geweren kunnen krijgen, die we overigens in harde valuta moesten betalen.

De meeste wapens maakten we zelf of kochten we op de zwarte markt in Centraal-Amerika. En wat de militairen in Guatemala nooit hebben geweten, is dat onze hoofdinkoop via een kanaal in de Verenigde Staten ging. Zo konden we in 1991 prachtige wapens kopen, terwijl binnen de inlichtingendienst en het leger werd gedacht dat we reserves hadden voor hoogstens vijftien dagen. De regeringstroepen begonnen een groot offensief, maar onze taaiheid verraste hen. Het aantal manschappen binnen de guerrilla is trouwens ook altijd overschat. We hadden er hooguit drieduizend, terwijl het leger uitging van het dubbele aantal. En we hebben nooit voldoende wapens gehad om die drieduizend goed uit te rusten.''

In Solala zetelt het inheemse bestuur, drie Indianen in nationaal kostuum, achter een lange tafel in een kantoortje boven de markt. Ze zijn er om kleine lokale problemen op te lossen, religieus of materieel, en een residu van het koloniale bestuur. Ik vraag ze over de vrede. De enige verandering is, zeggen ze, dat de militairen weg zijn. Over de inhoud van de akkoorden weten ze niets. “Akkoorden zijn papier.”

Tegen de helling van een gedoofde vulkaan voorbij Quetzaltenango ligt Santa Cruz. Een dorp met tachtig weduwen. Op een dag kwam de guerrilla om zich te verbroederen met de mannen van het dorp. Toen de guerrilla vertrok, kwam het leger. De militairen bonkten op deuren en namen zonder iets te zeggen de mannen mee. Ze keerden nooit meer terug. Martine Pos Martinez, die de plaatselijke winkel en molen beheert, vertelt zacht in droevig Quich dat de guerrilla ooit betere tijden beloofde. Die zijn nooit gekomen. Ze weet dat er een verdrag getekend is, maar weet niet waar dat over gaat. En ze wil met rust gelaten worden.

In Guatemala voltrok zich de afgelopen decennia een van de ergste mensentragedies in de regio, schrijft Amnesty International in een vorige week gepubliceerd rapport. De schendingen waren massaal, wijdverspreid en systematisch en werden waarschijnlijk op hoog regeringsniveau gepland. De bureaucratie had invloed in het aanwijzen van slachtoffers: de ministeries van binnenlandse zaken en defensie stelden lijsten samen wie opgepakt moest worden. De uitvoerders voerden de verdwijningen, martelingen en buitenrechtelijke executies soms openlijk uit, maar werden door de staat beschermd. Vaker waren ze onherkenbaar. Wat er na de 'arrestatie' gebeurde, was eveneens geheimzinnig. De familie bleef lang in onzekerheid.

Pas het afgelopen jaar werd duidelijk dat de lichamen meestal - onherkenbaar verminkt - op geheime plekken werden gedumpt. Amnesty verwijt de regering van Guatemala dat die te weinig medewerking verleent aan de Ophelderingscommissie die de schendingen van de mensenrechten tijdens de burgeroorlog onderzoekt.

Rigoberto Queme Tsjai is burgemeester van Quetzaltenango, de tweede grote stad van Guatemala. Hij is de eerste echt gekozen Maya-burgemeester in de geschiedenis en tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar werden tot ieders verrassing voor het eerst 33 procent Indianen in het lokaal bestuur gekozen. Queme ontvangt in een groot koloniaal gebouw. Buiten gaat een kinderprocessie voorbij op de tonen van neerslachtige muziek.

Hij is uiterst negatief over het resultaat van de vrede voor de Indianen. “Wat in feite gebeurd is, is dat het gezamenlijke verzet, de UNRG, de uitvoering van de akkoorden heeft overgedragen aan de staat. En de staat is nog altijd racistisch. Ik verwijt de guerrilla dat geen specifieke akkoorden zijn opgesteld over de identiteit, de rechten en de toekomst van de maya's. Er is een amnestiewet aangenomen door een staat waar de vertegenwoordigers van de repressie nog altijd de overhand hebben. Wat gebeurt dan? In allerlei dorpen hier in de omgeving gaan mensen voor eigen rechter spelen. Er worden mensen gelyncht die een rol hebben gespeeld in de repressie. Ik begrijp dat. De maya's zijn altijd systematisch veracht, altijd gemanipuleerd door kapitalisme of marxisme.”

Rodrigo Asturias begrijpt het ongeduld. Hij zegt: “Op een gegeven moment is de bevolking misschien gaan denken dat nu alles verandert. Helaas is het zo dat de grote veranderingen, de sociale transformatie, veel tijd nodig hebben. Zelfs als we de oorlog hadden gewonnen, had het tientallen jaren gekost het land fundamenteel te veranderen. Ik begrijp dat gevoel van frustratie en teleurstelling.

Maar er is een eerste stap gezet in de afbraak van een racistische maatschappij. De Maya-wereld is trouwens hevig gefragmenteerd. Die loopt uiteen van fundamentalistische Maya's tot hen die volledige integratie willen. Maar de positie van alle Maya's is tenslotte verbeterd, dankzij de oorlog die is gevoerd en de lange onderhandelingen daarna. Nu moet de politieke strijd worden uitgevochten.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden