Een akker van souplesse

Europa kent een uitermate rijke en sterk gevarieerde plattelandscultuur. Ze komt tot uiting in de vele, onderling vaak sterk contrasterende, landschappen die elk voor zich mede gevormd zijn door eeuwen van landbouwbeoefening. Veel van deze landschappen dragen essentiële en hoog gewaardeerde natuurwaarden, maar ook tal van cultuurhistorische monumenten in zich. Het voedsel, de culinaire tradities, maar ook de vaak unieke sociale patronen en culturele repertoires vormen andere kwaliteiten die inherent zijn aan de plattelandscultuur.

Het belang van deze plattelandscultuur reikt ver voorbij de grens van het platteland. Ze is ook de meeste stedelingen dierbaar. De enorme betekenis van recreatie en toerisme in de buitengebieden, de hang naar het wonen buiten, de waardering voor een veelvormige dis, de ontelbare volkstuintjes, de weer sterk opkomende paardensport - het zijn allemaal uitdrukkingen van de wijze waarop de stedeling het platteland consumeert. Het platteland is de Europeanen lief - vrijwel iedereen heeft er op een of andere wijze deel aan.

Voor het instandhouden van de rijke plattelandscultuur die Europa kent is de landbouw onmisbaar. Zonder Chianina-koeien, geen orchideeën op de Monte Subasio bij Assisi in Italië. Zonder een robuuste melkveehouderij, geen open veenweidegebieden in Noord- en Zuid-Holland of greide landschappen in Friesland. Zonder de vele Franse landbouwstelsels, geen keur aan kazen en wijnen. En zonder ecologische landbouw zelfs niet eens de belofte van smakelijk en veilig voedsel.

De onmisbaarheid van landbouw komt misschien nog wel op de duidelijkste (hoewel ook pijnlijkste) wijze naar voren, daar waar ze ontspoort. Dan volgen er vroeger of later sterke maatschappelijke tegenbewegingen. Dat is gebeurd naar aanleiding van de grote ruilverkavelingen uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Standaardisatie of het zelfs helemaal wegvlakken van landschappen wordt niet meer geaccepteerd. Daarom is het behouden en verfraaien van landschappen, net als het behouden van natuurwaarden, nu geworden tot een allereerste gebod bij landbouw. Ook de meeste boeren hebben zich daarmee verzoend - sterker nog: ze nemen de daarbij behorende taken in toenemende mate op zich. Zo ook de voedselschandalen - elke keer leiden ze tot veel maatschappelijk ongenoegen. ,,Zo kan het niet, we willen een landbouw die past bij onze cultuur en beschaving'', klinkt het.

Ondanks zijn essentiële betekenis zit de landbouw, overal in Europa, in de knel. Stijgende kosten en stagnerende opbrengsten creëren een klemsituatie, een squeeze zoals Engelse boeren zeggen. In Nederland bijvoorbeeld daalde het totale boereninkomen de laatste drie jaar van bijna elf miljard, via negen naar acht miljard gulden. Zo'n veertig procent van de boerenfamilies hier kent tijdelijke of zelfs permanente armoede. Daaroverheen komen diep ingrijpende drama's als BSE, varkenspest en nu de dreiging van mond- en klauwzeer.

Dit alles is slechts één kant van de medaille. De andere kant, die even zorgelijk is, is een groeiende onverschilligheid in de maatschappij als geheel. Het gaat nog maar om zo'n twee procent van de werkgelegenheid en om drie à vier procent van het bruto nationaal product (bnp). We kunnen er wel zonder, zo denken en schrijven sommigen.

Ook vanuit de sector zelf is men op sommige plaatsen doorgeschoten en wel zo dat het maatschappelijke krediet is verspeeld. Een te ver doorgevoerde schaalvergroting die hele landschappen heeft ontwricht, een doorgeslagen industrialisatie (bijvoorbeeld in de vorm van gigantische feedlots waar duizenden beesten zo goedkoop en zo snel mogelijk worden afgemest) en felle protesten tegen het milieubeleid hebben de landbouw bepaald geen dienst bewezen.

De vooruitzichten zijn dan ook niet vrolijk. Het landbouwbeleid kraakt, piept en faalt aan alle kanten. De voorgenomen liberalisering van de landbouwmarkten - mede onder invloed van de Wereldhandelsorganisatie - demotiveert boeren en hun gezinnen en maakt ook anderszins veel onrust los. Voedselveiligheid en een vrije wereldhandel vertegenwoordigen tezamen genomen een ernstig dilemma. Zie bijvoorbeeld de mond- en klauwzeer: de internationale handel in dieren vergroot het risico enorm terwijl tegelijkertijd de wereldwijde handel in vlees het nemen van maatregelen (inenting) uitsluit. Er wordt wel erg veel geofferd op het altaar van de vrije wereldmarkt.

De plattelandscultuur is geen statisch geheel. Er zijn altijd veranderingen geweest. Op zich zijn veranderingen en dynamiek absoluut niet problematisch. Tenminste, zolang 'het nieuwe maar beter is dan het oude', zoals de grote Nederlandse landbouwhistoricus Slicher van Bath ooit schreef. Precies daaraan lijkt het nu te schorten. Het is alsof de Europese landbouw in een vrije val terechtkomt en door een kritische grens zakt, waarna geen weg terug meer mogelijk is.

De grote systeemfout die in het landbouwbeleid zit ingebakken, is de generieke aard ervan. Dat geldt zowel op Europees als op nationaal niveau. Een generiek beleid houdt in dat het beleid zich bedient van mechanismen die overal gelden. Ongeacht de omstandigheden en ongeacht de specifieke problemen. Een goed voorbeeld is de zogeheten ooipremie. Zo'n 15 jaar geleden geraakten bepaalde landbouwstelsels in Europa in een ernstige crisis, vooral wegens de importen van goedkoop lamsvlees uit Australië en Nieuw-Zeeland.

De crisis sloeg vooral toe in bergachtige gebieden, waar het trekken met schapenkuddes (door het seizoen van laag naar hoog en dan weer terug) essentieel is. Om deze gebieden (de Pyreneeën, delen van de Apennijnen, delen van Wales, Schotland en Ierland) te ondersteunen voerde Brussel de ooipremie in. Deze ooipremie werd echter niet beperkt tot de genoemde gebieden, maar was generiek van aard.

Het gevolg was dat overal in Europa (ook in Nederland) gigantische kuddes werden gevormd (vaak door massaal schapen uit Oost-Europa in te voeren), teneinde dit onverwachte (en inderdaad onbedoelde) 'voordeeltje' mee te pikken. Dit leidde vervolgens tot een nog scherper daling van de prijs voor lamsvlees als ook tot de budgettaire noodzaak de ooipremie fors te reduceren. Zo bleken uiteindelijk de gebieden waar de ooipremie voor was bedoeld het kind van de rekening.

Generieke premies en vooral ook de prijsondersteuning die per definitie generiek van aard is, werken even vaak ontwrichtend als ondersteunend. Het probleem is dat op sommige plaatsen harder gesneden wordt dan op andere. Tachtig procent van Europa's boeren moet het doen met twintig procent van alle steun en omgekeerd krijgen de twintig procent rijkste boeren tachtig procent van alle steun.

Goedbeschouwd is er maar één uitweg. Het landbouwbeleid zal zo niet volledig, dan toch in zeer sterke mate moeten worden geterritorialiseerd. Landbouwstelsels zullen weer moeten worden geënt op de regionale ecosystemen. Schapen horen vooral daar thuis waar het ecosysteem er het meest geschikt voor is en er, qua onderhoud, ook om vraagt. Landbouwstelsels zullen ook weer veel meer moeten worden ingevlochten in netwerken voor de vermarkting van bijzondere streekproducten als Fleur d'Aubrac (zie Trouw van tien januari jongstleden). Dat alles vraagt om een regionaal beleid, waarbij de terroir, zoals de Fransen zeggen, centraal staat. Alleen dan kan de landbouw weer maatschappelijk worden ingebed en worden geaard, letterlijk en figuurlijk, in de regionale ecosystemen.

Vanaf nul hoeven we niet te beginnen. De landbouw is altijd en overal een broedplaats van vernieuwingen. In de grote verscheidenheid liggen de antwoorden vaak al besloten. Europa kent tal van boeiende, dynamische en veelal ook robuuste regionale landbouwstelsels. Ik denk aan de Dehesa in het zuiden van Spanje, aan het productiegebied van de Parmigiano-Reggiano of Parmezaanse kaas zoals wij hier zeggen, in Italië. Of aan Toscane en Umbrië, eveneens in Italië, waar de Chianina-koe borg staat voor kwalitatief hoogwaardig en veilig vlees. Het zijn evenzovele vertrekpunten voor een regionale aanpak, voor een nieuw plattelandsbeleid dat de regionale economie versterkt en tegelijkertijd de landbouw vitaliseert en heroriënteert op de maatschappelijke behoeften.

Ook in Nederland hebben we zulke regionale aanzetten. Ik verwijs naar de Alblasserwaard en de Vijfherenlanden waar boeren een bloeiend samenwerkingsverband - Den Haneker - hebben opgericht. Vanuit deze vereniging (de naam verwijst naar de mannetjesgrutto) wordt het beheer van landschap en natuur, het vergroten van de toegankelijkheid, het bieden van recreatieve en toeristische faciliteiten en de productie van streekproducten met vaart ter hand genomen.

Een ander voorbeeld is de Waddengroep, een samenwerkingsverband van vijftig boeren en twintig verwerkers, die tezamen een breed palet van meestal ecologische streekproducten voortbrengen. De Waddengroep zorgt daarmee ook voor een onmiskenbare economische impuls voor de regionale economie van de eilanden.

Aanzetten voor een nieuw plattelandsbeleid zijn er volop. Maar het is wel nodig dat er in het Europese, maar vooral ook in het nationale landbouwbeleid een aantal drastische omslagen wordt gemaakt. De financiële stromen waarop het ontkiemende plattelandsbeleid en de klassieke prijsondersteuning zijn gebaseerd verhouden zich nu als 10 staat tot 90. Dat is een wanverhouding die snel moet worden gecorrigeerd.

Daarnaast is, mede met het oog op de komende WTO-onderhandelingen en de uitbreiding van de Europese Unie naar het oosten, een verdere precisering van het Europese Landbouwmodel hard nodig. We hebben in Europa een landbouw die in allerlei opzichten anders is dan de Amerikaanse. Die eigen Europese landbouw willen we ook handhaven en dus beschermen (en waar nodig afschermen) - precies omdat het een integraal deel van onze Europese beschaving is. In het kader van de WTO-onderhandelingen is een eigen Europees plattelandsbeleid een voorname troef. Prijsondersteuning zal steeds meer worden uitgesloten. Ondersteuning evenwel van het leveren van 'groene diensten' (het onderhouden van natuur en landschap, agro-toerisme, kwaliteitsproductie, het versterken van regionale werkgelegenheid) kan door de internationale onderhandelingen heen worden geloodst. De keuze van Franz Fischler is in dit opzicht ook zonneklaar: ,,Op die wijze bouwen we een nieuwe verdedigingslinie op voor het Europese platteland en de Europese landbouw.''

De wijze waarop het plattelandsbeleid vorm wordt gegeven, zal echter wel sterk moeten veranderen. De generieke aanpak, die steeds meer uitmondt in een verstikkend geheel aan voorschriften, regels en bureaucratie moet plaats maken voor een nieuwe benadering. Op Europees niveau zullen duidelijke doelstellingen moeten worden geformuleerd en een aantal criteria waarmee achteraf wordt vastgesteld of en in hoeverre men deze doelstellingen heeft gehaald. Vervolgens moet het aan de regio's worden overgelaten om te bepalen op welke wijze deze doelstellingen kunnen worden gerealiseerd.

Zo ontstaat de souplesse die nodig is om bij lokale en regionale omstandigheden en behoeften aan te kunnen sluiten. Regionale enveloppes kunnen deze aanpak verder schragen. De regio's krijgen, van Brussel, een eigen budget. Als na bijvoorbeeld een vijfjarige evaluatie blijkt dat de doelstellingen (als duurzaamheid, versterking regionale economie, behoud van het ecologisch kapitaal, voedselkwaliteit en -veiligheid) zijn gehaald, wordt het regionale budget gehandhaafd of zelfs opgevoerd. Zo niet dan kan het budget worden verminderd. In gebieden waar men een zogeheten wereldmarktlandbouw wil ontwikkelen, daar zal men, zoals een functionaris van de Europese Commissie zei, 'zijn eigen broek moeten ophouden'.

Overigens is de besproken beleidsomslag ook in Nederland hard nodig. Typerend genoeg lopen de provincies wat dat betreft voorop. Maar in Den Haag en met name op het ministerie van landbouw is het plattelandsbeleid vooralsnog een stiefkindje. Wellicht brengt de nota plattelandsbeleid die minister Brinkhorst voor juni heeft aangekondigd, hierin verandering. Hetzelfde geldt voor de regelgeving, waarin doel en middel nog steeds hopeloos worden verward. Men krijgt er de tranen van in de ogen: boeren die erin slagen zeer schoon te produceren maar dat met andere middelen doen dan die welke Den Haag voorschrijft, worden nog steeds voor de rechter gedaagd. Op het grensvlak van een oud beleid en een nieuwe landbouw worden uitgerekend de voorlopers tegengewerkt, soms zelfs gecriminaliseerd. Het is werkelijk de hoogste tijd voor veranderingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden