Een akker in de stad heeft voordelen

Collage van Walter van Peijpe (zie box). De eerste foto toont een typische wederopbouwwijk, de tweede diezelfde wijk, voorzien van een gemeenschappelijke tuin. (Walter van Peijpe)

Zelfs in het oude Rome moest het eten van ver komen. Dus hoe realistisch is stadslandbouw nu eigenlijk? ’Kleine percelen brengen naar verhouding meer op dan grote akkers’. En duurder hoeft het ook niet te zijn.

Een groeiend aantal consumenten wil weten en soms ook zien wie zijn eten produceert en hoe dat gebeurt. De discussie over hoe je die lokale en regionale voedselketens moet organiseren begint nu op gang te komen. De opdracht lijkt simpel: vul de schijf van vijf met uitsluitend regionale producten.

Dat blijkt echter nog niet zo eenvoudig, volgens sommigen is het zelfs onmogelijk. „De situatie waarnaar Pollan en de zijnen terugwillen, heeft eigenlijk nooit bestaan. Voedsel werd al in de klassieke oudheid van verder weg aangevoerd. Een stad als Rome kon niet worden gevoed door de omgeving”, concludeert Pim Kooy, met de nuchtere afstandelijkheid van de historicus. „In onze Gouden Eeuw kwam het graan uit de Baltische gebieden. Als je de klok terug wilt zetten, moet je de steden opdoeken. Voedselzekerheid kun je alleen door wereldhandel garanderen.” Kooy, hoogleraar agrarische geschiedenis in Groningen en Wageningen, ziet echter ook dat de huidige grootschalige landbouw problemen oplevert. „Vanaf het moment dat de mens zich is gaan bemoeien met zijn natuurlijke omgeving zijn er problemen. En hoe intensiever die bemoeienis werd, des te groter de problemen: verlies aan biodiversiteit, milieuvervuiling, gezondheid. Er zijn eigenlijk te veel mensen op de wereld, maar dat is een zeer lastige discussie. Beter is het de consument bewuster te maken met campagnes.”

Peter Scholliers, voedselhistoricus en hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel, zegt wel een stuk mee te kunnen gaan met Pollan. „Al sinds de jaren zeventig is er verzet tegen de grootschaligheid en globalisering. Het geloof in streekgebonden voedsel groeit daarmee en is groter dan ooit. Anderzijds is er nu een situatie waarbij er veel en goedkoop voedsel beschikbaar is voor iedereen. Dat is uniek in de geschiedenis. Dat is zo fundamenteel, dat kan niet in tien jaar worden omgedraaid. We moeten oppassen dat die draai, Pollans grote wens, niet alleen ten goede komt aan de happy few. Maar gezien alle kwalijke gevolgen van de massaproductie moet er wel gedraaid worden.”

Scholliers ziet daarbij een grote rol voor de staat weggelegd. „Onder druk van de milieubeweging is er ook wetgeving gekomen die de auto-industrie heeft gedwongen schonere auto’s te maken. Ik ben optimistisch over de mogelijkheden van verandering in de voedingssector. Kijk naar Los Angeles waar in bepaalde arme wijken fastfoodwinkels zijn verboden en supers meer vers voedsel moeten aanbieden.”

Een manier om de voedselproductie dicht bij de consument te brengen, is stadslandbouw. Ruraal socioloog Han Wiskerke, hoogleraar aan de Wageningen Universiteit, ziet daarvoor veel mogelijkheden. „Eerst waren er vraagtekens over de grootschalige en anonieme voedselproductie bij de consument. Later groeiden ook bij boeren de twijfels. Daar komt de opkomst van de groene recreant bij. Die ging het platteland op en wil daar geen grootschalige landbouw zien. Bovendien is de westerse bevolking kapitaalkrachtig en gaat steeds vaker uit eten. Koks geven het voorbeeld met lokaal en duurzaam eten. Kijk eens naar de vele kookprogramma’s en de populariteit van kookboeken. De interesse in de herkomst, kwaliteit en bereiding van voedsel groeit. De volgende stap is stadslandbouw.”

Volgens Wiskerke leven er 800 miljoen mensen in de wereld van de urbane landbouw, voornamelijk in de derde wereld. Dat aantal groeit, ook in het Westen. „De trek naar de stad leidt in veel gevallen tot werkloosheid en dus gaan mensen hun eigen eten verbouwen. China kiest voor hightech, daar wordt in de planning van nieuwe steden al rekening gehouden met urbane landbouw, maar dan juist geïntegreerd in gebouwen. Het kan zeker ook op kleine stukjes land in en om de stad. De productie op deze kleine oppervlakten ligt kilo’s hoger dan op grote.” De socioloog deed in de jaren '90 onderzoek in Zeeland en vond een meeropbrengst van 10 tot 20 procent op kleine oppervlakten. „Dat is het vakmanschap van de boer.”

Wiskerke wijst tevens op de mythe dat lokaal geproduceerd voedsel duurder is. „Veel tussenschakels vallen weg, er is direct contact tussen producent en consument, dus ook meer winst bij de makers. Interessant is dat nu ook in Europa steden een actief voedselbeleid gaan voeren. Zij zijn het die als eerste de nadelen van de grootschalige landbouw ondervinden: ongezonde bevolking, milieuvervuiling door veel transport. In de VS, Canada en Australië zijn er daarom al verscheidene Foodpolicy Councils, adviesraden van gemeentebesturen. Zij vormen de drijvende kracht achter de urbane landbouw.”

Jan Willem van der Schans is een wetenschapper die de verandering van optiek bij zichzelf heeft ervaren. „Ik ben al jaren doende om voedselsystemen te bestuderen. Het huidige industriële voedselsysteem is hartstikke efficiënt. Daar is alle lucht al zo’n beetje uitgeperst”, zegt de onderzoeker bij het Landbouw-economisch instituut (LEI). „De landbouw is bezig met een transitie. Mede op last van de overheden is er een groeiende nadruk op duurzaamheid. Zo heb ik ook gewerkt aan ontwerpen voor verticale landbouw in gebouwen, inderdaad, de varkensflat. Maar dat is toch een te versmald systeem. Daar wordt alleen gekeken naar de productie.”

Nadat Van der Schans de boeken van Michael Pollan had gelezen en een congres over urbane landbouw in de VS had bijgewoond, was hij om. „Pollan bevestigde mijn vermoedens dat je duurzame ketens ook echt anders moet organiseren. Anders krijg je, zodra je grotere volumes gaat produceren, dezelfde problemen waarop we nu stuiten. Daar heeft de biologische sector last van. Ze groeien, maar vervallen daarbij in dezelfde fouten, bijvoorbeeld de transportkilometers. Ik wil naar een ander systeem. Intensief, zonder kunstmest, maar met veel kennis en technologie boeren op kleine stukjes land. Een maximale opbrengst tegen minimale kosten.”

Duurzaam en efficiënt zijn voor de LEI-onderzoeker kernwoorden geworden bij het zoeken naar nieuwe voedselsystemen. „Ik weet nog niet hoe dat precies moet, maar de voorbeelden uit Noord-Amerika stemmen me optimistisch. Daarom ben ik mede-initiatiefnemer van Eetbaar Rotterdam (zie de reportage op pagina 26). Daar worden door een enthousiaste groep mensen allerlei kleinschalige toepassingen uitgeprobeerd, op braakliggende bedrijfsterreinen, op daken, in parken. Er is in en om steden veel bruikbaar land dat niet bebouwd is. Zo wil ik het in Canada begonnen systeem van ’spinfarming’ voor Nederland toepassen. Dat zijn mensen die in voorsteden grote ongebruikte tuinen pachten, de grond bebouwen en een zeer grote opbrengst genereren. Het doel is goedkoop biologisch eten dat in en om de stad groeit en voor iedereen, arm en rijk, beschikbaar is.”

Collage van Walter van Peijpe (zie box). De eerste foto toont een typische wederopbouwwijk, de tweede diezelfde wijk, voorzien van een gemeenschappelijke tuin. (Walter van Peijpe)
(Trouw)
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden