Een afrekening met links-libertaire uitwassen van de jaren zestig

De auteur is publicist en oud-hoogleraar publiek recht Erasmus Universiteit.

S.W. COUWENBERG

Ik heb mij in de jaren zestig zelf enerzijds krachtig verzet tegen de verstarrende en vaak repressieve effecten van onze verzuilde samenleving en de taaie en weinig democratische regententradities die in die samenleving een nieuwe vruchtbare voedingsbodem vonden. En ik heb mij anderzijds jarenlang ingezet voor een deconfessionalisering en verdere democratisering van de Nederlandse politiek en voor de ontwikkeling van nieuwe meer adequate politieke verhoudingen. Maar ik was niet radicaal-democratisch (D66), radicaal-links (Nieuw Links) of radicaal-evangelisch (christen-radicalen), zoals men in de toenmalige vernieuwingsbeweging moest zijn om mee te tellen.

Dat die vernieuwingsbeweging zowel positieve als negatieve kanten heeft, zoals Becker en Cuperus constateren, wordt helemaal niet bestreden door de huidige critici. Onze samenleving is sindsdien vrijer, ruimdenkender, minder verkrampt en meer egalitair geworden. Maar zoals zij zelf erkennen, de beweging had ook haar schaduwzijden. Kenmerkend voor de jaren negentig is dat die schaduwzijden nu meer aandacht krijgen en meer serieus genomen worden. Nog in de jaren tachtig werd alleen al het signaleren daarvan in de linkse pers als uiting van een reactionaire gezindheid gehekeld, zoals ikzelf ervaren heb. De jaren zestig golden toen nog als heilig.

Onder invloed van die jaren is een tijdlang een weg-met-ons-mentaliteit vaardig geworden over links Nederland en ontstond er een neiging de eigen progressiviteit onder andere te markeren door zoiets reactionairs als een eigen Nederlandse identiteit te ontkennen. Opkomen voor die identiteit werd taboe, zeker in relatie tot de etnische minderheden in ons midden. De culturele identiteit van die minderheden moest daarentegen tot het uiterste gezien worden. Daaraan mocht niet getwijfeld worden.

Oerburgerlijk

Op dit punt zien we een duidelijke omslag. Ook Becker en Cuperus gaan uit van een Nederlandse identiteit die zij als prudent progressief omlijnen. Prudent progressief is in feite een eufemisme voor wat ik dynamisch conservatief zou noemen: de bereidheid om heel voorzichtig de bestaande orde aan te passen aan veranderende omstandigheden. En dat is zeker een kenmerk van onze identiteit, maar ook een uitvloeisel van een meer fundamenteel kenmerk, namelijk onze oerburgerlijke oriëntatie die onze gemeenschappelijke levensstijl is met wisselende, meer confessionele en meer liberale accenten.

Het bijzondere nu van de culturele revolutie der jaren zestig is dat die harde burgerlijke kern van onze identiteit met verve geridiculiseerd en geattaqueerd werd door een links-libertaire tegenstroming die de rekkelijke oriëntatie van onze liberale traditie verabsoluteert tot een absolute waarde. Onze identiteit krijgt daardoor een nieuw, links-libertair accent en Nederland de reputatie van een bijzonder permissieve samenleving waar alles moet kunnen.

Dit resulteert niet in een moreel vacuüm, maar in de dominantie van een links-libertaire moraal waarin als hoogste waarde geldt ieder te laten doen waar hij/zij zin in heeft, zoals blijkt uit een internationaal vergelijkend onderzoek naar normen en waarden in Europa van 1987. Ons land, aldus dit onderzoek, scoort het hoogst als het gaat om morele permissiviteit. Op bestuurlijk gebied heeft dit geleid tot een neiging allerlei gedragingen te gedogen die eigenlijk verboden zijn. Gedogend besturen heet dit in de literatuur.

In de jaren negentig zien we een duidelijke reactie tegen bepaalde links-libertaire ontsporingen zoals toenemende slordigheid en slonzigheid in het openbare leven, vervuiling van het straatbeeld, vernielzucht, drugs- en gokverslaving, het vergoeilijken of weinig serieus nemen van criminaliteit en misbruik van sociale voorzieningen, nonchalance in menselijke relaties, en een herwaardering van traditioneel burgerlijke deugden en waarden zoals netheid, soberheid, zelfredzaamheid en zelfverantwoordelijkheid, gematigdheid, burgerlijke beleefdheid, evenals van het gezin als kweekplaats van die deugden en waarden.

Dit alles gaat hand in hand met een réveil van de burgerlijk-liberale variant van onze nationale identiteit, die ook in onze politiek opnieuw de overhand krijgt. Ook progressief geachte partijen als de PvdA en D66 bieden nauwelijks weerstand tegen dit réveil dat overigens mede te danken is aan de ontzuiling en individualisering van onze samenleving en de dekolonisatie van de burger sinds de jaren zestig.

Als men de hier kort geschetste omslag in het opinieklimaat wil typeren als een conservatief offensief zoals M. ten Hooven deed in Trouw van 9 september of als een conservatief spook zoals Becker en Cuperus doen, is dit iets waarvoor men zich tegenwoordig niet meer behoeft te generen. Zelfs GroenLinks vindt het niet meer gênant om conservatief genoemd te worden of om zich als zodanig te presenteren.

Vadermoord

Die omslag gaat tevens gepaard met een pittige afrekening met de uitwassen van de jaren zestig. Wat opvalt is de prominente rol die exponenten van de toen rebellerende generatie zoals Freek de Jonge, Herman Wigbold en Pim Fortuyn bij die afrekening spelen. Fortuyn verwijt die generatie zelfs dat zij vadermoord gepleegd heeft waardoor we nu een samenleving van wezen geworden zijn. We hebben, zo meent hij, weer behoefte aan een vaderfiguur, die ons zegt hoe het hoort.

Ook de hoofdredacteur van Trouw heeft een eigen bijdrage geleverd tot die afrekening, toen hij in een recent commentaar de linkse studentenbeweging van 1968 vergeleek met de vernieuwingsbeweging van 1933 in Duitsland. In beide gevallen, zo schrijft hij, was er een voorkeur voor totalitaire systemen: in 1933 voor het nationaal-socialisme, in 1968 voor het communisme. Dat laatste klopt niet. De studentenbeweging van 1968 had een voorkeur voor een curieus mengsel van marxistische en anarchistische ideeën, maar stond veelal kritisch tegenover het communisme.

Een ironisch aspect van de links-libertaire beweging der jaren zestig waarmee nu ook afgerekend wordt, is de verabsolutering van de links-libertaire moraal van onbegrensde vrijheid en gelijkheid. Daaraan werd namelijk spoedig een onaantastbare status toebedeeld. Vandaar dat allen die de moraal ter discussie stelden bestreden werden op een wijze die herinnerde aan de intolerantie waarmee vroegere elites hun waarden en normen beschermden. Alles wat afweek van de nieuwe links-libertaire orthodoxie werd als kwalijke rechtse afwijking verdoemd en tot taboe verklaard.

Onder invloed van de Verlichtingstraditie is men er lange tijd van uitgegaan dat verstarrend conformisme en het aan banden leggen van de publieke discussie door het creëren van politieke taboes en het weren van ongewenst geachte feiten typisch rechtse gewoonten waren. We weten nu wel beter. Het linkse deel der natie kan er ook wat van.

De links-libertaire orthodoxie die sinds de jaren zestig het opinieklimaat steeds meer beheerste beschikte jarenlang in de persoon van Piet Grijs over een groot-inquisiteur die met zijn banvloeken ieder trof die het waagde anders te denken of te doen dan hij geoorloofd achtte. Menigeen werd het slachtoffer van trial by newspaper. Het bekendste slachtoffer was de criminoloog W. Buikhuisen.

Dat de links-libertaire orthodoxie in de jaren negentig niet langer de scepter zwaait, betekent winst voor de vrijheid van meningsuiting, die behoort tot onze burgerlijk-liberale traditie en op klassieke wijze vertolkt is door Voltaire toen hij opmerkte: Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen tot de laatste snik verdedigen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden