Een afrekening in Maassluis

Een vermoorde verrader die géén verrader blijkt. Een roofoverval en liquidaties. De gereformeerde geschiedschrijving die dat wegmoffelt. Een liegende captain of industry. Maarten van Buuren ontmaskert verzetslieden uit zijn geboortedorp Maassluis. "Deze knokploeg is met zijn misdaden representatief voor het gewapend verzet."

Dinsdag 8 mei 1945. Piet Doelman meldt zich per telefoon bij de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) in Maassluis. Doelman, leider van Knokploeg Westland en hoogste baas van de BS in Zuid-Holland-Zuid, vertelt dat hij zojuist was bevrijd uit het Oranjehotel, de beruchte strafgevangenis in Scheveningen.

Die middag wil hij dat komen vieren tijdens een officieel bezoek aan Maassluis. "Jaap Francke, zit die bij de NSB'ers die jullie hebben gearresteerd?" vraagt Doelman. "Daar heb ik nog een appeltje mee te schillen. Laat die eens hier naartoe brengen, dan zal ik hem even aan de tand voelen."

"Dat zal moeilijk gaan", zegt commandant Wagner. "Jaap is behoorlijk ziek."

"Nou, laat dan zijn vader maar halen", zegt Doelman. "De oude Francke, want die is toch niet ziek, zeker?"

Lein Francke, een gearresteerde landwachter, wordt gehaald. Voor een verhoor, aldus Doelman. Commandant Wagner weet dat Doelman daarmee iets anders bedoelt dan het stellen van vragen. Toch gehoorzaamt hij. Jurist Gerrit Wagner, die tegen de instructies van het Militair Gezag in al moffenmeiden heeft laten ophalen en kaalknippen, overtreedt nu orders van opperbevelhebber Prins Bernhard: dat het de BS streng verboden is om zelf arrestanten te verhoren in die eerste bevrijdingsdagen en al helemaal om zelf voor rechter te spelen.

Piet Doelman staat op. "Hebben jullie een ruimte waar ik Francke kan ondervragen?" Wagner zegt: "De kamer hiernaast is vrij, die kunt u gebruiken."

Piet Doelman, een gereformeerde varkensboer en tuinder uit Naaldwijk, is een grote, fors gebouwde man die er in zijn paramilitaire uniform nog indrukwekkender uitziet, zeker in vergelijking met de tengere Lein Francke. Hij loopt op Francke toe, blijft op een meter afstand van zijn arrestant staan, zet zijn handen in de zij.

"Wat had die zoon van jou te zoeken in de Oostgaag?", zegt Doelman met tamelijk zachte stem. Doelman zat ondergedoken in de Oostgaag, een gebied tussen Maassluis en Delft. Lein Francke weet eerst niet waar Doelman het over heeft. Zijn zoon in de Oostgaag? Dan herinnert hij het zich weer. "Jaap is een tijdje geleden via de Oostgaag naar Delft gelopen - daar woont familie van ons."

"Vuile leugenaar", schreeuwt Doelman opeens met overslaande stem. Hij zet een stap in de richting van Francke en raakt hem met de ene vuist vol in het gezicht, met de andere geeft hij hem nog een stomp. "Schoftige verrader! Jij denkt zeker dat je tot in der eeuwigheid door kunt gaan met het verkopen van leugens." Hij trapt Francke nu met zijn laars. "Welnu, dan heb je het mis. Nu is mijn tijd gekomen." Hij haal weer vol uit met zijn vuist.

Wagner hoort Francke schreeuwen van pijn. Maar hij grijpt niet in.

De adjudanten van Doelman - in het dagelijks leven politierechercheurs - mengen zich in de ondervraging. "Geef antwoord, vuile schoft. Er wordt je wat gevraagd." Een van hen slaat Francke eerst met zijn vuist en daarna met een stuk hout tegen het hoofd. Een ander geeft een dreun; Doelman en zijn adjudanten gaan door met schoppen en stompen. Lein Francke zakt in elkaar.

"Haal een touw", roept Piet Doelman. "Dan knopen we hem op."

Dat gaat de omstanders te ver - en het hoeft ook niet meer. Francke wordt zwaargewond afgevoerd naar een schoolgebouw waar de NSB'ers worden vastgehouden. Onderweg krijgt hij steeds meer moeite met lopen en valt. De adjudanten slepen hem op een platte handkar. Francke komt even bij kennis. De groenteboer ziet zijn kapotgebeukte hoofd en zijn aan flarden gescheurde kleren. Hij ziet hoe Francke zich probeert op te richten, maar wordt teruggemept op de kar.

Op het Fenacolius plein, waar op dat moment kaalgeschoren moffenmeiden gras moeten eten, glijdt Francke's lichaam van de kar af. Na een tijdje trekken er stijfkrampen in zijn armen. Er gaan schokken door zijn lichaam. Anderhalf uur later is hij dood.

De volgende dag, op 9 mei 1945, maakte Willem Maurits, wachtmeester der Marechaussee, op verzoek van de BS afdeling Maassluis een verslag van de gebeurtenissen, waaraan bovenstaande beschrijving is ontleend. Voor dit 'RAPPORT inzake het overlijden van den Heer Lein Francke te Maassluis' hoorde hij allerlei getuigen - maar niet Piet Doelman. Al had Doelman alles gedaan wat God verboden had, de commandanten van de plaatselijke BS legden hem geen strobreed in de weg. Doelmans Knokploeg leek op een misdaadsyndicaat, Doelman gedroeg zich als een maffiabaas ten opzichte van zijn 'familie' en liet zich niet verhoren.

Was de mishandeling van Lein Francke een impulsieve daad? Nee, Piet Doelman ging op tournee langs de plaatsen waar hij het commando voerde en hij vergreep zich op ten minste drie plaatsen aan weerloze slachtoffers. In Maassluis, Wateringen en Kwintsheul.

Toen de BS in de loop van 1945 opgingen in de reguliere Nederlandse Strijdkrachten, moesten Knokploegleden zich conformeren aan de militaire discipline. Dat was vaak onmogelijk voor Knokploegleden die verknocht waren geraakt aan hun vrijbuiterbestaan. Nergens deed dit probleem zich zo nadrukkelijk voor als bij Knokploeg Westland van Piet Doelman.

In 1948 sprak de Krijgsraad te Velde een uitermate mild vonnis uit in de zaakFrancke: "Beklaagden hadden gehandeld onder drang van een zodanige gemoedsbeweging ¿ veroorzaakt door de opsluiting van de beklaagde Doelman in de strafgevangenis te Scheveningen en de daarmee gepaard gaande doodsbedreiging, waaraan eerst op 7 mei 1945 door de bevrijding een einde kwam en het feit, dat de beklaagde in het slachtoffer de verrader vermoedde van beklaagde Doelman ¿ dat hier naar zijn oordeel van overmacht moet worden gesproken."

Maar Piet Doelman wás helemaal niet verraden. Zijn arrestatie volgde op een knullig geval van motorpech en de ongelukkige omstandigheid dat er juist op dat moment een auto passeerde met daarin de Ortskommandant en drie voormalige landwachters. Tussen de zeer gedetailleerde beschuldigingen in de stukken, behorende bij het proces tegen Jaap Francke na de oorlog, ontbreekt ieder spoor dat Jaap Francke zou hebben gespeurd naar verzetslieden in de Oostgaag, of elders. En Jaaps vader Lein -- geen 'beruchte landwachter', maar een schlemiel die kruimelwerk verrichtte voor de NSB - heeft Doelman zéker niet verraden.

Doelman beweerde dat alleen om zijn misdrijf te verontschuldigen. De advocaat praatte hem na. De aanklager controleerde de feiten niet. De president volgde klakkeloos het pleidooi van de advocaat. Zo kwam Doelman er met een voorwaardelijke straf vanaf.

Tijdens de oorlog had Piet Doelman misbruik gemaakt van zijn positie als Gewestelijk Commandant van het gewapend verzet om collega-boeren en -tuinders te beroven. Zo overviel Verzetsgroep Willem - Doelmans Knokploeg ¿ in 1945 de boerderij 'Rehoboth' van mijn oudoom Klaas van Buuren. Er was geen sprake van dat oom Klaas, zoals wij hem noemden, een NSB'er was (het idee!). Was hij dan een zwarthandelaar die werd afgestraft? Oom Klaas handelde in vee en heeft ongetwijfeld een deel ervan buiten de boeken gehouden. Maar Piet Doelman en zijn kompanen maakten zich net zo goed schuldig aan zwarthandel, al vermeden ze dat woord als het om hun eigen bedrijf ging. Doelman stal vee van zijn collega's, slachtte dat illegaal en verhandelde het voor eigen gewin.

Opmerkelijk is dat Verzetsgroep Willem op de dag na de overval zélf een gedetailleerd rapport opstelde van de gebeurtenissen ('Naar waarheid opgemaakt en getekend te Vlaardingen, 25 Februari 1945'). "De vrouwen zijn door ons op hun stoelen vastgebonden en de jongens zijn op zeer speciale en pijnlijke manier vastgebonden, evenals een Hagenaar die er logeerde. K.v.B. heeft een gevoelig pak slaag gehad en is eveneens gebonden. Hij had een grote wond over het voorhoofd. De kinderen werden door ons opgesloten in een kast. Allen waren met een prop in de mond gekneveld."

Vervolgens doorzochten de overvallers de boerderij. Ze haalden alle kasten en laden leeg, fouilleerden de bewoners, doorzochten de schuren en de stallen en vergaarden alles wat er aan voedsel op de boerderij te vinden was, tot de zes eieren, het pak koffie en het zakje eigen teelt tabak aan toe. De 400 kilo buit werd op twaalf fietsen geladen, waarna de overvallers vertrokken. Eén van de overvallers kreeg op de terugweg een lekke band.

Wat gebeurde er met de goederen en het geld ('fl. 17.700 met lederen tasch'), geroofd bij oom Klaas? Het zou me zeer verbazen als er ook maar een fractie van de 40 kilo gerst, 45 kilo haver, ongeveer 50 kilo vlees en vet, 180 kilo tarwe, 70 kilo erwten en 12 kilo haverbloem, hammen en stukken zeep terecht is gekomen bij ouden van dagen, eerzame arbeiders en alleenstaande moeders met grote gezinnen. Als dat het geval was geweest, dan zou Verzetsgroep Willem er zeker melding van hebben gemaakt in het uitvoerige verslag. De buit zal zijn verdeeld onder de leden van de Knokploeg.

De brutaliteit van de overval, het op klaarlichte dag vervoeren van de buit en de administratie van de verzetsdaden (getypt en met doorslagen) lijken onvoorstelbaar roekeloos. Maar als je bedenkt hoe sterk het gewapend verzet na september 1944 - Dolle Dinsdag ¿ was, en hoe verzwakt de Duitse militairen, dan kun je het zien als triomfantelijke blijken van de gekantelde machtsverhoudingen.

De Stichting LO-LKP - de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en de Landelijke Knokploegen ¿ begon direct na de Bevrijding met de voorbereiding van een gedenkboek. Het jarenlange onderzoek leverde elf strekkende meters archief op, opgeslagen in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD).

In de halve meter gewijd aan de Knokploegen in Zuid-Holland, zit Piet Doelmans 'Relaas van het Ontstaan van de Verzetsbeweging in het Westland'.

Hij schrijft over zijn eigen rol, over de steun aan onderduikers en over zijn initiatief om de illegale bladen Trouw en Vrij Nederland te gaan verspreiden.

Maar Doelman zegt niets over de vele overvallen, de roof van voedselvoorraden die in zijn opdracht werden gepleegd. En over een groot aantal liquidaties; Doelman had er zelfs drie hitmen voor. Knokploegen namen de beslissing tot het doden van een verrader, een collaborateur of een crimineel die zich voor verzetsman uitgaf, vaak pas genomen na uitvoerige besprekingen waarin soms ook geestelijken werden betrokken. Maar Knokploeg Westland verspilde zeker geen tijd met veemgerichten, informatiediensten of vetorecht. In het Westland bepaalde één man wie er werd geliquideerd en dat was Piet Doelman. In 1952 verklaarde hij dat Duitse overlopers 'wilden onderduiken en met het verzet meewerken'. "Ik durfde het risico niet te nemen."

Wim Boekestijn, lid van de Knokploeg en verantwoordelijk voor het wegwerken van lijken, heeft me verteld dat hij een Duitse marinier op zijn tuinderij onderdak bood ('een goede hulp bij de tabaksteelt'), tot de deserteur opeens verdwenen was. Over diens lot zweeg Boekestijn ¿ hij had Doelman beloofd nooit te zullen praten over een aantal interne zaken.

In 1995 verscheen een boekje met tientallen verklaringen van voormalige leden van de LO-LKP, afdeling Vlaardingen-Westland, waaruit de leidende rol van Piet Doelman duidelijk bleek. Maar in het landelijke 'Gedenkboek van het verzet in LO en LKP', in twee kloeke delen verschenen onder de titel 'Het Grote Gebod' (1951), is Doelmans rol gemarginaliseerd.

Uit de overvloedige documentatie die bewaard wordt in het NIOD, blijkt dat de Stichting LO-LKP van meet af aan selectief te werk ging bij het vergaren van informatie en dat ze de vergaarde informatie plooide in functie van het door haar gewenste ideaalbeeld. Doel was volgens de inleider Frederik Slomp (alias Frits de Zwerver) om aan te tonen dat het "het verzet ging om de vervulling van het grote gebod der liefde, dat wij kort kunnen samenvatten: 'God liefhebben boven alles en onze naaste als ons zelve.' Dit boek wil U aantonen dat de verzetsmensen in de jaren '40-'45 in hun verzetswerk gestuwd werden door het dubbele gebod der liefde." Volgens Slomp volgden de verzetslieden een roeping. "God vorderde de verzetsmensen en de een wist, dat hij gevorderd was door God, de ander niet. Maar men ging, van binnenuit gedreven", aldus de dominee.

Lou de Jong baseerde zich ten aanzien van het gewapend verzet in zijn standaardwerk 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' vrijwel uitsluitend op 'een bij uitstek waardevol werk': het zojuist genoemde gedenkboek 'Het Grote Gebod'. En dat beschrijft het gewapend verzet vanuit christelijk perspectief. De vele verhalen en verklaringen die de Stichting LO-LKP na de oorlog verzamelde, werden aan dit perspectief aangepast. Daarom werd Piet Doelman erin afgedaan in een korte opmerking, terwijl anderen naar voren werden geschoven als de leiders van het gewapend verzet in Zuid-Holland. Overigens zijn ook hún levensverhalen en verzetsactiviteiten aangepast.

Zo heeft 'Het Grote Gebod' het beeld van het gewapend verzet tot onherkenbaarheid vervormd. Het heeft de werkelijkheid, voorzover die bestond uit geweldpleging, onderlinge rivaliteit van bendeleiders, gewapende roofovervallen en liquidaties, geïdealiseerd en vergeestelijkt tot een reeks voorstellingen zoals men die wel in brons of steen vereeuwigd ziet op monumenten die na de oorlog werden opgericht ter nagedachtenis van omgekomen verzetslieden.

Piet Doelman paste niet in dit beeld. Was hij de rotte appel die uit de mand moest worden verwijderd om te vermijden dat de goede appelen zouden worden aangetast? Of was de werkwijze van Knokploeg Westland ook elders gangbaar?

In het gewapend verzet waren dappere mensen actief die gewapenderhand voedselvoorraden in beslag namen om onderduikers te voorzien van eerste levensbehoeften, onverschrokken lieden die distributiekantoren overvielen, bevolkingsregisters vernietigden en liquidaties uitvoerden om de bevolking te vrijwaren van de ergste vormen van onderdrukking door de Duitsers, en de hoop leven hielden op herstel van de nationale onafhankelijkheid. Maar het gevaar was groot dat deze gewapende acties ontaardden in ordinaire criminaliteit.

Die realiteit retoucheerde de Stichting LO-LKP. Ik ben ervan overtuigd dat ze haar methode van morele reiniging ook toepaste op andere afdelingen van het gewapend verzet. Die conclusie trek ik, als ik afga op documenten uit archieven in Den Haag en Leiden en op de Zuid-Hollandse eilanden over de weinig christelijke manier waarop ook andere Knokploegen te werk gingen en deze documentatie vergelijk met het zoetsappige beeld dat daaruit werd gedistilleerd ten behoeve van 'Het Grote Gebod'.

De derde zoon van Lein Francke, Lein junior, kreeg het in de loop van de jaren steeds moeilijker met vragen waarop hij nooit antwoord had gekregen. Wat was er gebeurd met zijn vader, zo vlak na de bevrijding? En waarom?

Piet Doelman kon hij het niet vragen; die was in 1979 overleden. Van de direct betrokkenen leefde alleen Gerrit Wagner nog. Lein schreef een brief aan Wagner, als president-directeur van Shell International inmiddels een captain of industry; naar hem heette ook een commissie die in 1981 adviezen over het industriebeleid uitbracht aan het kabinet-Van Agt II. Lein Francke junior verwachtte eigenlijk niet dat Wagner zich zou verwaardigen antwoord te geven, maar hij ontving enkele weken later een antwoord. "U hebt gelijk", schreef Wagner, "dat het verhoor van uw vader uit de hand is gelopen, maar het is alleszins begrijpelijk dat dit gebeurde. Doelman was emotioneel hevig aangedaan geweest, uw vader had de schuilplaats van de top van het verzet aan de bezetter doorgegeven. Uw vader zweeg. Doelman werd ongeduldig en schudde hem door elkaar. Dat was niet goed, maar wel begrijpelijk. Toen uw vader volhardde in zijn zwijgen, gaf Doelman hem een duw. Uw vader struikelde, viel van de trap en kwam ongelukkig op zijn hoofd terecht. Als gevolg daarvan overleed uw vader enkele uren later. Dat had niet mogen gebeuren, ik geef het toe. Aan de andere kant voel ik geen spijt over dit ongeval. Uw vader was een verrader, ik kan en wil daar geen doekjes om winden."

En zo dook Wagner weg voor de verantwoordelijkheid die hij als een van de commandanten van de Maassluise BS en als hoofd van de Politieke Opsporingsdienst Vlaardingen-Westland droeg voor de veiligheid van de gevangenen. En hij verborg in zijn brief aan Lein Francke junior ook de wandaden van zijn kameraden uit het gewapend verzet achter de leugens die deze kameraden na de dood van Francke senior hadden verspreid -- leugens die de werkelijke gang van zaken geleidelijk aan het oog hadden onttrokken.

Maarten van Buuren is hoogleraar moderne Franse letterkunde aan de Universiteit Utrecht. Dit zijn fragmenten uit zijn boek 'De afrekening. Ontmaskering van het gewapend verzet', dat op 17 oktober verschijnt (Uitgeverij Lemniscaat, ISBN 9789047704119, € 19,50).

Lezing en debat: 22 oktober 10u, Het Keizerrijk in het Witte Kerkje, Constantijn Huygensstraat 1 te Maassluis.

het

gewapend

Trouw

Lodewijk Dros

'Het verzet radicaliseerde in die dagen, maar zeker niet overal'
Met zijn studie van de Maassluise affaire wil Maarten van Buuren een debat starten over de ware aard van het gewapend verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens de Utrechtse hoogleraar waren het opereren van knokploeg Westland en het optreden van Piet Doelman daar 'representatief' voor; de ondertitel van zijn boek luidt daarom 'Ontmaskering van

gewapend verzet' ¿ niet alleen het Zuid-Hollandse.

De historicus Peter Romijn, directeur Onderzoek van het NIOD en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, gaat die generalisatie te ver. Maar een uitzondering vormde de knokploeg Westland, zoals Van Buuren hem beschrijft, zeker niet. "De gebeurtenis past in de laatste fase van het gewapend verzet in de bezetting van West-Nederland. Pas in de laatste periode van de Tweede Oorlog was er op grotere schaal

verzet - voor die tijd waren er gewoon nog te weinig wapens voorhanden. De bezetting radicaliseerde, de Duitsers en de NSB verhardden, het verzet ook. In het westen van Nederland ontstond een humanitaire crisis ¿ de Hongerwinter, het instorten van de voedselvoorziening maakte zwarthandel extra lucratief. De grenzen tussen bonafide verzetsmensen en autonome groeperingen die andere motieven hadden, vervaagden. Lokaal kon dat wel eens ernstig uit de klauwen lopen, zoals ook gebeurd is in Rotterdam en Den Haag."

Volgens Romijn waren gereformeerden - de stroming waartoe Piet Doelman behoorde - als regel terughoudend bij liquidaties. "Gesina van der Molen waarschuwde in

, de krant die Doelman verspreidde, tegen wilde liquidaties. In de studie die Kees Schuijt vorig jaar over de verzetsman en jurist W. H. Nagel publiceerde, staat dat hij in Groningen een juridische vraagbaak was in dergelijke kwesties. Maar er was nauwelijks controle over de verzetsgroepen en ze hadden onderling weinig contact, ze handelden naar wat zij dachten dat goed was, een uitzonderlijke situatie."

Dat het in Maassluis net na de Bevrijding uit de hand is gelopen, gelooft Romijn wel. "Nederland zat met een radicaliserende bezetter, een onderdrukkend regime en mensen die het recht in eigen hand wilden nemen. Dat ontlaadde zich net voor en na het afwerpen van het juk van de bezetter - niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. In landen als België en Frankrijk liep het erger uit de hand dan hier, daar vielen nog veel meer doden."

In ons land hebben in de eerste weken van mei 1945 duizenden 'foute' Nederlanders een vreselijk pak slaag gekregen, met tientallen doden tot gevolg. Zoals Lein Francke senior. Romijn: "Dat was verkeerd, maar denk je even in hoe keihard de omstandigheden waren."

Vanuit Londen, waar koningin Wilhelmina en het kabinet zetelden, was al eerder de opdracht verstrekt dat het gewapend verzet moest fuseren en zich onder centraal commando stellen. "Dat verliep stroef. Groepen hadden verschillende overtuigingen, sommige leiders lagen elkaar niet. In Maassluis zie je dat de aangestelde commandant, Gerrit Wagner, officieel wel de baas was, maar feitelijk niets te zeggen had. Wat er toen gebeurde was intolerabel, dat zal hij óók wel gevoeld hebben, maar hij had duidelijk geen greep op de knokploegleider. Die draaide door. De meeste verzetsleiders draaiden trouwens niet door."

Kort na de oorlog profileerden 'alle elites' - antirevolutionair, socialistisch, katholiek - zich als steunpilaren van de nationale onderneming die het verzet geweest was, zegt Romijn. In 'Het Grote Gebod' (1951), het gedenkboek van LO-LKP, waren het de gereformeerden die zichzelf als eersten eerden. "Het boek is een onderstreping van het eigen zelfbewustzijn, van de rol van de antirevolutionairen - niet wars van borstklopperij." Daarom, zo stelt Romijn, moet je dat boek niet primair als objectieve geschiedschrijving beoordelen.

Ook Lou de Jong koos in zijn standaardwerk 'Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog' voor de nationale invalshoek. "Voor De Jong was het verzet het zuurdesem der natie. Hij vertekende de werkelijkheid niet willens en wetens, maar zijn visie is wel te rooskleurig." Het beeld van de zuivere verzetsheld verdient nuancering, meent Peter Romijn. Maar hij kiest niet voor 'het alternatieve schema dat Van Buuren voorstelt'. "Lokale studies als de zijne helpen wel om het beeld scherper te krijgen. Daarin krijgt de geschiedenis vlees en bloed."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden