Een aardige pessimist

Zonder kardinaal Simonis zou de rooms-katholieke kerk in Nederland er (nog) slechter aan toe zijn, vermoedt zijn biograaf Ton Crijnen.

Met uitzondering van zijn Limburgse geestverwant bisschop Gijsen (1932-2013) was nooit een rooms-katholieke kerkleider in ons land bij zijn leven zozeer het onderwerp van kritiek, hoon en verwensingen als kardinaal Ad Simonis. Hij kreeg in de loop der jaren doodsbedreigingen en bommeldingen, werd tot tweemaal toe voor het gerecht gedaagd, en is regelmatig publiekelijk belachelijk gemaakt. Zijn onverholen dogmatisme en onvoorwaardelijke trouw aan Rome maakten hem in de periode 1970-1990 tot middelpunt van de heersende tegenstellingen binnen katholiek Nederland. Het progressieve kamp had jarenlang amper een goed woord voor hem over, terwijl ter rechterzijde menigeen vond dat hij nóg orthodoxer in de leer diende te zijn. En intussen liepen tot zijn grote verdriet steeds meer gelovigen de kerk uit.

Te vaak ook is Simonis (Lisse, 1931) weggezet als een weinig slimme, reactionaire diehard die als kerkleider niet veel voorstelde. In feite was en is hij een redelijk intelligente, pastoraal bewogen man, met een degelijke, hoewel verouderde theologische bagage, die, zeker als aartsbisschop zich meestal geen draufgänger toonde. Hoewel niet gespeend van vooroordelen die hem soms tot pijnlijk foutieve beslissingen brachten - het afwijzen van progressieve sprekers bij het pausbezoek aan Nederland in mei 1985 bijvoorbeeld - handelde hij door de bank genomen verstandiger en pragmatischer dan menige behoudende geestverwant in het ambt, bisschop Gijsen voorop.

Tijdens zijn bewind als voorzitter van de bisschoppenconferentie nam de polarisatie binnen de Nederlandse rooms-katholieke kerkgemeenschap geleidelijk af. Dat was veeleer het gevolg van geestelijke vermoeidheid en onverschilligheid onder steeds meer katholieken die hun kerk in conservatieve richting zagen afdrijven, dan dat het op het credit van de kardinaal kan worden geschreven. Weliswaar is met zijn formele instemming in 1994 de Commissie Dialoog ingesteld die de tegenstellingen binnen de kerkprovincie moest temperen, maar echt geloven in het nut ervan deed hij niet.

Zeker in relatie tot de Acht Mei Beweging (AMB) van progressieve katholieken heeft Simonis een negatieve rol gespeeld. Hij beschouwde deze koepel niet als het 'andere gezicht van de kerk' (leuze van de AMB), maar als het gezicht van een andere kerk. Simonis' vaak compromisloos optreden heeft menige AMB'er van de kerk vervreemd. Dat de leiding van de Acht Mei Beweging op haar beurt de zaken te vaak op de spits dreef, maakte de verhoudingen er niet beter op. De kardinaal heeft er geen traan om gelaten toen de beweging bij gebrek aan jeugdig elan ten onder ging. Al was hij eerlijk genoeg om te bekennen dat 'de rust van het graf' er voor in de plaats kwam.

Een sterke leider is Simonis nooit geweest. Dat bewijst bijvoorbeeld de onhandige manier waarop hij als hoofd van het episcopaat reageerde op het plotselinge aftreden van bisschop Bär van Rotterdam in 1993. Knopen doorhakken en mensen inschatten waren niet zijn sterkste eigenschappen. Hij was zich van zijn bestuurlijke manco's bewust en probeerde dat gemis aan te vullen door naaste medewerkers, bijvoorbeeld vicarissen, te handhaven of te benoemen die dit gebrek konden neutraliseren. Zelfs al waren ze soms (wat) minder orthodox dan hijzelf. Dit inzicht in eigen beperkingen valt te prijzen.

Zondebok

De keerzijde was dat hij op beslissende momenten te veel aan anderen overliet en te weinig persoonlijke controle uitoefende. Dit manco wreekte zich vooral in het (beperkt) aantal gevallen van seksueel misbruik door geestelijken die onder zijn directe gezag vielen en voor wier wandaden hij als kerkleider de persoonlijke verantwoordelijkheid droeg. De paar keer dat het echt fout liep, speelden ook eigenzinnigheid, naïviteit en misplaatste solidariteit met gemankeerde medebroeders in het priesterambt hem daarbij parten. Dit rechtvaardigt echter niet het feit dat hij in de publieke opinie als de grote zondebok aan de schandpaal werd genageld en men hem ook beschuldigde van falend beleid in misbruikzaken die niet onder zijn jurisdictie vielen. Het dagblad Trouw vond zelfs dat hem de kardinaalstitel moest worden ontnomen. Wat niet de media haalde, was de lof die Wim Deetman (die de onderzoekscommissie seksueel misbruik leidde, red.) de kardinaal toezwaaide, omdat hij in de gevallen van misbruik die hem ter ore kwamen, bijna altijd een psycholoog of psychiater inschakelde, de zaken nooit toedekte en zijn pastorale verantwoordelijkheid tegenover de slachtoffers (meestal) niet ontliep.

Haaks daarop staat dan weer de merkwaardige onverschilligheid die Simonis als voorzitter van de bisschoppenconferentie aan de dag legde bij de oprichting in 1995 van Hulp & Recht (de kerkelijke instelling voor hulp aan misbruikslachtoffers) en hoe hij daarna zonder protest toeliet dat enkele collega-bisschoppen deze vorm van slachtofferhulp al snel tot op het bot uitkleedden. Pas toen de Commissie-Deetman haar schokkend verslag presenteerde, kwam hier verandering in. Maar toen was Simonis al met emeritaat.

Orthodoxie

In zijn particuliere leven heeft de kardinaal zich altijd onberispelijk gedragen. Hij is ook een oprecht vrome priester die dagelijks de mis opdraagt, zijn brevier bidt en zich verdiept in geestelijke lectuur. Bij psychisch lijden, ziekte en dood van anderen legde (en legt) hij vaak een hartelijk medeleven aan de dag. Op dergelijke momenten wist hij zelfs essentiële meningsverschillen op geloofsgebied te overstijgen. Wat niet wegneemt dat de kardinaal onorthodoxe geloofsgenoten als bisschop van Breda Tiny Muskens (1935-2013) en theoloog Edward Schillebeeckx (1914-2009) die onder vuur van Rome lagen, niet de steun heeft geboden die zij van hem mochten verwachten. Menig geloofsgenoot heeft onder zijn orthodoxie geleden.

Een combinatie van onzekerheid en ik-gerichtheid maakt het Simonis moeilijk diepgravende contacten te leggen. Waar dan weer tegenover staat dat vriend én vijand hem als (aarts)bisschop toch 'een aardig iemand' vonden. Dit hangt samen met het feit dat hij zich nooit liet voorstaan op de hoge functies die hij bekleedde. Hij bleef altijd een eenvoudige man, zonder overdreven pretenties en met simpele genoegens

Zijn levensloop toont het beeld van een uitgesproken klerikaal die in feite is blijven steken in de sfeer en de opvattingen van het rijke roomse leven uit zijn jeugd en de eerste jaren van zijn priesterschap. Daar kende, zo luidt het verhaal, iedere gelovige zijn plaats en gehoorzaamde zonder tegenspraak het gezag van paus en bisschoppen. Niet voor niets lijdt hij sterk onder de gevolgen van secularisatie en individualisering. De kardinaal, een cultuurpessimist van het zuiverste water, kijkt negatief aan tegen de maatschappelijke ontwikkelingen in een snel veranderende wereld die hij niet begrijpt.

Simonis beziet het bestaan door de bril van de 'objectieve waarheid' van de rooms-katholieke kerk en van zijn eigen burgerlijke achtergrond. Wat buiten dit blikveld valt wordt door hem veroordeeld en het oude vertrouwde krampachtig gekoesterd. Wat het vermoeden rechtvaardigt dat hier een diepgewortelde angst achter schuilgaat om bij het toelaten van zelfs de geringste twijfel alle geestelijke houvast te verliezen. Zijn ongenuanceerd en vaak kortzichtig afwijzen van alles wat te maken had met abortus, euthanasie, homoseksualiteit, de moderne biotechnologie, hertrouwen na een echtscheiding en ondogmatische theologische opvattingen heeft er mede toe bijgedragen dat de maatschappelijke geloofwaardigheid van de rooms-katholieke kerk ook in ons land ernstig werd ondergraven.

De kardinaal noemt zich een voorstander van oecumene met de protestantse broeders en zusters, maar ziet intercommunie en intercelebratie als sluitstukken van dat proces, niet als middelen om die eenheid te realiseren. Als aartsbisschop liet hij openlijk weten dat de kerken van de Reformatie niet echt kerk zijn en een duidelijke moraal missen wat betreft de grote sociaal-maatschappelijke en sociaal-ethische vraagstukken.

Of de geschiedenis over Simonis even streng zal oordelen als veel van zijn tijdgenoten deden en doen, valt moeilijk te voorspellen. Al is te vrezen dat de uitspraak 'Wir haben es nicht gewusst' - die hij op televisie deed toen hem werd gevraagd naar het seksueel misbruik in de kerk - hem ook postuum nog lang zal achtervolgen. Toch kan men nu al met redelijke zekerheid stellen dat de rooms-katholieke kerk in Nederland er (nog) slechter aan toe zou zijn geweest als wijlen de bisschoppen Gijsen, Bomers of Ter Schure haar hadden geleid. Het is lof vanuit het negatieve, maar desondanks niet onbelangrijk.

Ton Crijnen (1942) is historicus en publicist. Tot 2006 werkte hij vijftien jaar als redacteur religie en filosofie bij Trouw. Dit is een fragment uit de biografie 'Kardinaal Ad Simonis, kerkleider in de branding' die deze week is verschenen. Uitgeverij Valkhof Pers; 592 blz. euro39,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden