EEN AARDIG BEKJE OVER DE GRENS

Nederland komt eraan. Tientallen auteurs en uitgevers reizen naar Frankfurt, waar op 5 oktober het grootste boekenspektakel ter wereld plaatsvindt. Deze Buchmesse staat in het teken van de Nederlandse en Vlaamse literatuur. Duitsland is in elk geval zeer geinteresseerd: er wordt al gesproken over een Nooteboomeffect.

Aanvankelijk zag het er naar uit dat Nederland het geschenk uit de hemel, namelijk om themaland van de Buchmesse 1993 te worden, met typische plompe arrogantie zou laten schieten. Minister D'Ancona kwam niet met de benodigde gelden voor promotie over de brug en in het algemeen gedroeg 'Schwerpunkt Niederlande' zich als een schutterige boer die niet weet hoe hij zich moet gedragen als hij in de bloemetjes wordt gezet.

De Duitsers, gesteld als ze zijn op decorum en cooperatie, begonnen zich al aardig te ergeren aan het nonchalante dedain van de kleine buur die aan de beurt was zich aan de wereld voor te stellen, maar het schijnt dat met de inzet van voormalig minister van WVC, Elco Brinkman, de haperende trein nog tijdig op de rails is gezet. Vlak voor de opening van de Buchmesse heeft het er zowaar iets van weg dat de Nederlandstalige literatuur zich als een volwaardig spreker kan gaan ontpoppen.

Ook vanuit Nederland wordt deze Buchmesse met speciale belangstelling gevolgd want men moet het ijzer smeden als het heet is. De CPNB chartert een vliegtuig om haar gasten naar de immense boekenloodsen te transporteren en diverse uitgeverijen organiseren een soort schoolreisje voor hun auteurs. Duitse belangstelling voor Nederlandstalige literatuur is immers niet langer een idee-fixe, in de afgelopen tijd werden tussen de tachtig en honderd titels van Nederlandse schrijvers ondergebracht bij grote en kleinere Duitse uitgevers.

De Duitsers zelf zijn in elk geval opeens hevig geinteresseerd in de letteren van het buurmannetje. Er verschijnen diverse literaire bloemlezingen op de markt, toernees worden georganiseerd en een klein aantal schrijvers, Cees Nooteboom, Harry Mulisch en Hugo Claus, dreigt zelfs landelijke bekendheid onder de lezende Duitse intelligentsia te krijgen.

Toen ik een tijdje geleden met de vertaalster Helga van Beuningen-Blum sprak, die de belangrijkste porties Nederlandse literatuur naar het Duits vertaalt en de Nijhoff-prijs ontving, vertelde ze hoezeer zijzelf en andere Duitse lezers wegliepen met Nootebooms novelle 'Die folgende Geschichte', het voormalige boekenweekgeschenk 'Het volgende verhaal' (Trouw, 20 februari 1992 - red.).

Nederland keek een beetje op van dat 'succes d'estime' want in eigen land was dat boek helemaal zo lovend niet besproken, een beetje plichtmatig zelfs. Maar alles wijst erop dat Nooteboom in Duitsland inderdaad is doorgebroken en in zijn kielzog nu andere Nederlandse literatuur meeneemt. Naast Mulisch en Claus worden nu ook auteurs als Margriet de Moor, A.F.Th. van der Heijden, Gerard Reve, Hella Haasse en Thomas Rosenboom vertaald - boze tongen beweren zelfs dat de belangstelling voor die laatste te maken heeft met zijn frappante naamsovereenkomst met de ongekroonde koning van Nederlandse literatuur in den vreemde, Nooteboom.

Hoewel de Duitse belangstelling voor Nooteboom al een paar jaar gaande was en mede gestimuleerd werd door het lange verblijf in Berlijn van de schrijver waarvan hij verslag deed in zijn 'Berlijnse notities' ('Berliner Notizen'), drong het in Nederland pas goed door toen we hier geconfronteerd werden met een uitzending van het Duitse literaire televisieprogramma 'Das literarische Quartett'. Daarin had onder anderen de onbetwiste paus van de Duitse literatuurkritiek, Marcel Reich-Ranicki, zitting, die aangaande 'Die folgende Geschichte' ontboezemde:

“Het boek heeft een diepe indruk op me gemaakt en ik betreur uitermate, dat ik de boeken van Nooteboom tot nu toe allemaal over het hoofd gezien en niet gelezen heb. Hij is een heel belangrijke Europese auteur en dit is een van de belangrijkste boeken, misschien wel het belangrijkste boek, dat ik dit jaar gelezen heb (...) Ik spreek graag over dubbele bodems, het kenmerk van literatuur, en hier is hij aanwezig, de dubbele bodem, hier is literatuur en poezie. Ik ben diep van deze Nooteboom onder de indruk; kijk: de Nederlanders hebben ook zo'n auteur.”

In het recente nummer van het Nederlandse literaire tijdschrift Literatuur wordt zelfs een artikel gewijd aan wat heet 'het Nooteboom-effect', waarvan de Nederlandse literatuur zou kunnen profiteren. En al sprak dezelfde Reich-Ranicki minder lovend over Mulisch' 'Die Entdeckung des Himmels', dat hij grofweg te lang en te pretentieus vond, de toon lijkt toch gezet: Nederland komt eraan.

Maar wat heeft de Nederlandse literatuur de Duitse lezer nu eigenlijk te bieden? De typisch Nederlandse reactie op het 'Nooteboom-effect' is een wat zure skepsis, namelijk dat de Duitsers en met hen het resterende buitenland zich als het ware verkijken op onze literatuur. Nooteboom mag dan een aanzienlijk schrijver zijn, hij wordt toch nog in brede kringen geassocieerd met het elegante tijdschrift Avenue dat ook aan literatuur 'doet'; men twijfelt aan zijn diepzinnigheid en hij geldt zeker niet als het literaire zwaargewicht bij uitstek. Als het aan Nederland had gelegen had men wellicht een ander visitekaartje gekozen.

De plotse belangstelling vanuit Duitsland ontsluiert trouwens een jarenlang vooroordeel. Want Nederlanders mogen dan veel tegen Duitsers hebben, ook de omgekeerde gemeenplaatsen zijn niet afwezig. Voor veel Duitsers is Nederland nog altijd een cliche van sappige landelijkheid, een land van tulpen, kaas en vakantiebestemmingen. Duitsland kent daarvan zelfs een samenvattende verschijning die wij in Nederland niet kennen: Frau Antje, een gezond boerinneke dat kaas presenteert.

Nederland doet er veel aan om dat beeld te bestendigen. Onze grootste exportartikelen zijn Rudi Carrell en Linda de Mol - voor cultuur-export, zoals Duitsland die zelf verzorgt door middel van haar Goethe-Instituten, hebben wij te weinig fondsen. Ook de gedachte dat de Nederlandse taal en cultuur eigenlijk zijtakken van de Duitse zijn, voedt het oude Duitse vooroordeel. Het is zelfs de oorzaak van veel bestudering van het Nederlands in Duitsland. De meeste studies Nederlands aan Duitse universiteiten zijn rudimenten van de oude filologische studies Germanistiek waaronder ook het Nederlands ressorteerde. In bredere kringen is zelfs de gedachte dat het Nederlands een soort koddig platduits is, nog niet uitgestorven.

Voor een van die studies Nederlands kan men terecht aan de Universiteit van Munchen bij dr Carel ter Haar, die zich daarnaast heeft ontpopt tot een soort onbezoldigd makelaar van Nederlandse letteren. Veel van de huidige successen gaan op zijn activiteiten terug. “Een soort Duitse subsidie aan Nederland”, noemt hij dat promotiewerk ironisch. Hij is samensteller van een van de toonaangevende bloemlezingen, 'Die Fahre, Moderne niederlandische Erzahlungen', uitgegeven door Suhrkamp, waarin een eeuw Nederlandstalige literatuur, bij monde van zo'n vijfentwintig korte verhalen spreekt. Het oudste is van Louis Couperus, het jongste van Rogi Wieg.

Ter Haar, oorspronkelijk germanist in Nederland (leraar Duits in Hoorn) en nu neerlandicus in Duitsland, heeft de ontvangst van de Nederlandse literatuur in Duitsland van nabij gevolgd:

“De Duitsers wisten natuurlijk niet veel van onze cultuur af. Ze vertoonden typisch de arrogantie van de grote buurman. Misschien dat een aantal mensen dat ermee te maken had wist wat De Stijl was. En een enkeling had van Vondel en Multatuli gehoord. Maar eigenlijk was het wat de literatuur betreft een puinhoop.

Alleen van de Vlamingen, zoals Felix Timmermans en Stijn Streuvels, was men hier relatief goed op de hoogte. Dat had ook politieke achtergronden. De Vlamingen werden misbruikt voor de nationale gedachte. Ze waren namelijk, net als de Duitsers na 1870, sterk anti-Frans. Het 'volkische', conservatieve en katholieke element in de Vlaamse literatuur werd gewaardeerd. Sporen daarvan zie je nog terug in de Duitse vertaling van Hugo Claus' 'Het verdriet van Belgie', 'Der Kummer von Flandern'.

Verdere Nederlandstalige succesjes waren incidenteel. Couperus had tot 1925 een publiek en raakte daarna helemaal uit het zicht. De 'Falklandjes' van Herman Heijermans werden door de joodse burgerij gelezen, maar toen die burgerij verdween, verdween uiteraard ook Heijermans uit de belangstelling. En ja, het werk van Jo van Ammers-Kuller sloeg hier aan, maar vooral omdat de schrijfster haar geestdrift voor Hitler niet onder stoelen of banken stak.''

Natuurlijk is Ter Haar blij met de kans die de Nederlandse literatuur nu krijgt maar hij is ook bedachtzaam. De adhesie-uitbarsting van Reich-Ranicki bij voorbeeld nuanceert hij met de opmerking dat deze criticus wel vaker, soms zelfs wekelijks bevlogen raakt van een 'beste' boek dat hij net gelezen heeft. Nederland moet niet denken dat de oogst al binnen is:

“In 1954 kreeg Adriaan Morrien hier een belangrijke prijs en prompt werd opeens werk van Haasse en de jonge Nooteboom vertaald. Maar na een paar jaar was het weg. Wat de Nederlandse naoorlogse literatuur beroerde, interesseerde de Duitsers niet. Ze hadden na '45 genoeg met hun eigen oorlogsverleden te stellen om zich bezig te houden met de problemen van Nederland. En iets als confessionele verzuiling, voedingsbodem voor veel Nederlandse literatuur, bestond in Duitsland niet, de gevolgen ervan spraken ze dus ook niet aan.

Daar komt bij dat de individualisering van zo'n conflictueuze relatie tot God niet bij de Duitse mentaliteit past. De kerk is hier in de eerste plaats 'Ublichkeitskirche', een instituut waar je uit gewoonte naartoe gaat. Het is dan ook opvallend dat het werk van Jan Wolkers hier allemaal als wild, een soort halve porno werd gepresenteerd. De vertalingen waren trouwens vaak niet glorieus. De typisch Nederlandse neiging om in verkleinwoorden te spreken werd letterlijk genomen, maar woorden als 'Tischen' en 'Hanschen' hebben in het Duits een heel andere gevoelswaarde.

Jarenlang schreef ik het ene leesrapport na het andere over Nederlandse verhalen maar haast niemand wilde eraan. Deze Buchmesse 1993 is een unieke kans. Maar je moet bedenken dat het ook gewoon toeval is. Nederland was gewoon aan de beurt. Het belangrijkste is nu dat die Duitse uitgevers niet opnieuw inslapen, ze moeten gewoon oeuvres blijven vertalen en uitgeven en niet op incidentele succesjes zitten wachten.''

De Nederlandse lezer zou kunnen denken dat ze in het buitenland op 'typisch-Nederlandse' literatuur zitten te wachten. Immers, Nobelprijzen gaan vaak naar schrijvers die het leven binnen een bepaalde cultuur beschrijven, Garca Marquez de ZuidAmerikaanse, Bellow en Singer joods Amerika, Seifert Tsjechoslowakije. Maar in typisch-Nederlands zijn de Duitsers volgens Carel ter Haar niet zo geinteresseerd:

“Ik geloof dat de Nederlandse literatuur in Duitsland nu juist een kans maakt omdat ze de laatste tijd minder Nederlands, internationaler is geworden. Rond de jaren tachtig is het literair klimaat in Nederland wezenlijk anders geworden. Tot dan toe overheerste de bekentenisliteratuur. Na '80 wordt het allemaal artificieler. Het succes van een tijdschrift als De Revisor heeft daaraan ook bijgedragen.

Het perspectief is niet typisch Nederlands meer, onze literatuur gedraagt zich tegenwoordig meer als een onderdeel van de wereldliteratuur. Harry Mulisch bij voorbeeld wil helemaal geen Nederlands auteur zijn. Ook het internationalisme bij Nooteboom is doorslaggevend voor zijn succes. Overigens vind ik het van artistieke integriteit getuigen dat hij in 1963 voorlopig een punt achter zijn literaire proza zette met 'De ridder is gestorven' en pas in 1980 met 'Rituelen' naar de romanvorm terugkeerde.''

Ter Haar nam in zijn bloemlezing 'Die Fahre' verhalen op die vooral een licht werpen op de Nederlandse vertelkunst. De door hem gebloemleesde auteurs vertonen steeds een eigenzinnige manier van met de werkelijkheid omgaan. Is het dat wat de Duitse lezers interesseert?

“Je moet je realiseren dat het element stijl in literatuur moeilijk te vertalen is. De eigen stijl van al deze schrijvers is wel aanwezig maar toch niet de overheersende factor. De Nederlandse plastiek is vaak heel concreet. Het Duits is veel abstracter, dat maakt het moeilijk om juist dat idiomatische goed te treffen. Schrijvers als Carmiggelt, Gerard Reve en Kees van Kooten hebben het wat dat betreft moeilijker.

Het is bovenal de transparantie van Nederlandse schrijvers die hier aanslaat, het succes van Nooteboom heeft te maken met zijn kunst om lichtvoetig te schrijven met behoud van een zekere diepgang. Dat speelse, onbekommerde en poetische is een belangrijke factor. In de Duitse literatuur zelf gaan veel filosofische problemen ten onder in een overmaat aan reflectie. Maar echte luchtigheid is toch weer geen marktartikel. Niemand zit hier te wachten op wat je zou kunnen noemen Nederlandse 'Unterhaltungsliteratur', Kees van Kooten bij voorbeeld. Korte vormen zijn in Duitsland trouwens helemaal niet populair, zelfs korte verhalen niet. En het verschijnsel columns kennen ze hier nog maar pas. Van de Nederlandse columnisten heeft alleen Renate Rubinstein een Duitse gemeente gehad. Aan de nationale ziekte om al die columns ook nog eens te bundelen, zijn ze hier nog lang niet toe. Eigenlijk gaat het vooral om romans. Een volwassen schrijver moet ook een volwassen boek schrijven, is zo'n beetje de gedachte.''

Voor een doorbraak van die hele, pluriforme Nederlandse literatuur lijkt het nog veel te vroeg. Voor essayistische stukken - Karel van het Reve, Rudy Kousbroek - ziet Ter Haar voorlopig nog niet veel emplooi. Hetzelfde geldt voor experimenteel proza van Sybren Polet en Vogelaar. Alles wat leeft van de taal is nu eenmaal ongelooflijk moeilijk in het buitenland te verkopen. Op die gedachte is ook de samenstelling van bloemlezingen als 'Die Fahre' gebaseerd. Ter Haar:

“Je kunt wel allerlei wetenschappelijke artikelen schrijven maar die leest dan geen mens. Daarom heb ik gekozen voor zo'n anthologie waarin de omgang met de werkelijkheid centraal staat. Ik geloof dat er een duidelijke lijn in de Nederlandse literatuur van deze eeuw zit. Bij Couperus, Bordewijk en Vestdijk zie je een breuk met de burgerlijke realiteit. Ook in de jaren vijftig wordt er met de werkelijkheid gespeeld, neem Hermans met zijn helden die almaar struikelen over kleinigheden. En in het laatste verhaal dat ik opgenomen heb, van Rogi Wieg, geloof je dat het allemaal niet echt is, juist omdat het zo echt lijkt. Dat is de duidelijke rode draad. Al die verhalen vormen bij elkaar eigenlijk een verhaal.”

Hoeveel Nederlanders er dit jaar ook in Frankfurt rondlopen met de vage hoop hun visie op de werkelijkheid aan een Duitse uitgever te slijten, er zijn ook auteurs die het zelf allemaal minder kan schelen, zoals Marja Brouwers die, door het weekblad Elsevier gevraagd naar haar betrokkenheid bij de export van Nederlandse literatuur, opmerkte:

“Het kan me geen bal schelen of mijn werk vertaald wordt. Ik werk zelfs actief tegen. Ik schrijf in het Nederlands, mijn werk hoort hier.” Misschien dat zij binnenkort een zeldzame uitzondering is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden